De klacht
Mr. G.J.W. van Oven is werkzaam bij het gerechtshof ’s-Gravenhage.
Zo op het oog kent Ne
derland een overzichtelijk stelsel als het gaat om
de controle op vervolgingsbeslissingen. De officier van justitie krijgt een proces-verbaal binnen van
de politie of een
spontaan verzoek om vervolging van een burger of een instantie. Hij beslist daarop. Beslist hij om niet te vervolgen dan bestaan daarop twee correctiemogelijkhe
den:
de Minister van Justitie geeft opdracht tot vervolging, eventueel schriftelijk, of het gerechtshof beslist op een klacht van
de belanghebbende dat toch tot vervolging moet wor
den overgegaan.
Op het oog overzichtelijk dus. Waarom kost het mij dan toch telkens
de grootste moeite dit aan een internationaal gezelschap van collega’s uit te leggen?
In
de eerste plaats natuurlijk omdat het opportuniteitsbeginsel dat wij kennen niet vanzelf spreekt. In veel lan
den waaron
der Duitsland, is het Openbaar Ministerie verplicht tot vervolging over te gaan wanneer een enigszins kansrijke zaak wordt voorgelegd. Nu wordt in die lan
den wel vaak
de soep niet zo heet gegeten als opgediend:
de Staatsanwalt die geen zin heeft om te vervolgen wacht een tijdje met zijn beslissing en dan is
de zaak te oud, of hij vindt het bewijs toch eigenlijk te zwak. In nogal wat Oost-Europese landen, ook in Georgië en Turkije, kan
de belanghebben
de klagen bij
de superieur van
de officier van justitie. Die heeft immers zijn (vervolgings)plicht verzaakt. Wanneer
de klacht door
de superieur gegrond wordt bevon
den volgt vaak een disciplinaire straf voor
de betrokken aanklager (tot ontslag aan toe). De vervolging wordt dan alsnog door een collega ingesteld.
Maar goed, stel dat we
deze hobbel in het internationale gesprek nog kunnen nemen (het is wel zo praktisch niet alle zaken te moeten vervolgen, het is onzin alle bagatel zaken te vervolgen, je bespaart een ie
der veel ellen
de door niet alles te vervolgen), dan volgt altijd
de vraag naar
de controle op die beslissingen.
De eerste controle komt van
de Minister van Justitie, dus
de politiek. Hij kan bevelen om te vervolgen als
de officier dat niet wil. En omgekeerd bevelen niet te vervolgen als
de officier dat wel wil (dit laatste moet hij dan weer aan
de Twee
de Kamer mel
den: toppunt van politieke controle). Hiervoor bestaat bij
de internationale collega’s meestal bijzon
der weinig begrip: een lid van het Openbaar Ministerie behoort magistraat te zijn en dus onafhankelijk in zijn besluitvorming in individuele zaken. Daarbij passen geen ministeriële aanwijzingen.
De twee
de controle komt van
de rechter. Artikel 12 Sv. Het hof kan – na on
derzoek – bevelen alsnog te vervolgen. Het hof beoor
deelt daarbij met name
de haalbaarheid en
de opportuniteitsvraag. Met name die toetsing van
de opportuniteitsvraag doet
de wenkbrauwen van
de internationale collega’s fronsen: je geeft het Openbaar Ministerie
de bevoegdheid om een
op zich haalbare zaak
niet aan
de rechter voor te leggen op rechtspolitieke gron
den om vervolgens diezelf
de rechter over
die beslissing te laten oor
delen.
Als je dan toch een opportuniteitstoetsing wilt, laat dan
de politiek, zeg maar:
de organisatie die
de rechtspolitiek formuleert, ook die toetsing verrichten. En niet
de rechter: welke legitimatie heeft
de rechter om een beslissing tot vervolging te nemen op grond van ‘een rechtspolitiek’ waar die rechter niets mee te maken heeft?
En ‘wie kunnen er dan zo’n klacht indienen?’ wordt er dan gevraagd. Waarop ik
de notie ‘rechtstreeks belanghebbende’ uiteenzet. ‘Maar is dat dan niet een beetje toevallig, stel dat er geen belanghebben
de is?’. Nu volgt van mijn kant een exposé over rechtspersonen die als rechtstreeks belanghebben
den mogen wor
den beschouwd.
‘En
de staat zelf, kan die ook rechtstreeks belanghebben
de zijn?’. ‘Ja, dat kan’, zeg ik, vrezend wat komen gaat. ‘En kan die staat dan ook een klacht indienen? De staat kan toch ook scha
de hebben geleden.’ ‘Nee, dat kan niet’, antwoord ik. De staat kan geen klacht indienen omdat
de officier van justitie, ja, als het ware op afstand toch weer han
delt on
der
de verantwoor
delijkheid van
de Minister van Justitie. De Minister van Justitie kan niet zelf klagen over een beslissing die on
der zijn verantwoor
delijkheid is genomen. Dat staat niet in
de wet. ‘Dus
de rechter heeft dat zeker beslist?’, waarop ik weer: ‘Nee, dat is beslist in het
debat in
de Twee
de kamer over
de Schipholtunnelfraudezaak’.
Ik kan opeens niet meer op het Engelse woord daarvoor komen.
Mr. G.J.W. van Oven is werkzaam bij het gerechtshof ’s-Gravenhage.
Deze column verscheen eerder in Strafblad
« vorige pagina