Sdu UitgeversScherp in StrafrechtScherp in Strafrecht twitterRSS Feed Contact Home

Column

Column 3

De klacht

Mr. G.J.W. van Oven is werkzaam bij het gerechtshof ’s-Gravenhage.

Zo op het oog kent Nederland een overzichtelijk stelsel als het gaat om de controle op vervolgingsbeslissingen. De officier van justitie krijgt een proces-verbaal binnen van de politie of een spontaan verzoek om vervolging van een burger of een instantie. Hij beslist daarop. Beslist hij om niet te vervolgen dan bestaan daarop twee correctiemogelijkheden: de Minister van Justitie geeft opdracht tot vervolging, eventueel schriftelijk, of het gerechtshof beslist op een klacht van de belanghebbende dat toch tot vervolging moet worden overgegaan.

Op het oog overzichtelijk dus. Waarom kost het mij dan toch telkens de grootste moeite dit aan een internationaal gezelschap van collega’s uit te leggen?

In de eerste plaats natuurlijk omdat het opportuniteitsbeginsel dat wij kennen niet vanzelf spreekt. In veel landen waaronder Duitsland, is het Openbaar Ministerie verplicht tot vervolging over te gaan wanneer een enigszins kansrijke zaak wordt voorgelegd. Nu wordt in die landen wel vaak de soep niet zo heet gegeten als opgediend: de Staatsanwalt die geen zin heeft om te vervolgen wacht een tijdje met zijn beslissing en dan is de zaak te oud, of hij vindt het bewijs toch eigenlijk te zwak. In nogal wat Oost-Europese landen, ook in Georgië en Turkije, kan de belanghebbende klagen bij de superieur van de officier van justitie. Die heeft immers zijn (vervolgings)plicht verzaakt. Wanneer de klacht door de superieur gegrond wordt bevonden volgt vaak een disciplinaire straf voor de betrokken aanklager (tot ontslag aan toe). De vervolging wordt dan alsnog door een collega ingesteld.

Maar goed, stel dat we deze hobbel in het internationale gesprek nog kunnen nemen (het is wel zo praktisch niet alle zaken te moeten vervolgen, het is onzin alle bagatel zaken te vervolgen, je bespaart een ieder veel ellende door niet alles te vervolgen), dan volgt altijd de vraag naar de controle op die beslissingen.

De eerste controle komt van de Minister van Justitie, dus de politiek. Hij kan bevelen om te vervolgen als de officier dat niet wil. En omgekeerd bevelen niet te vervolgen als de officier dat wel wil (dit laatste moet hij dan weer aan de Tweede Kamer melden: toppunt van politieke controle). Hiervoor bestaat bij de internationale collega’s meestal bijzonder weinig begrip: een lid van het Openbaar Ministerie behoort magistraat te zijn en dus onafhankelijk in zijn besluitvorming in individuele zaken. Daarbij passen geen ministeriële aanwijzingen.

De tweede controle komt van de rechter. Artikel 12 Sv. Het hof kan – na onderzoek – bevelen alsnog te vervolgen. Het hof beoordeelt daarbij met name de haalbaarheid en de opportuniteitsvraag. Met name die toetsing van de opportuniteitsvraag doet de wenkbrauwen van de internationale collega’s fronsen: je geeft het Openbaar Ministerie de bevoegdheid om een op zich haalbare zaak niet aan de rechter voor te leggen op rechtspolitieke gronden om vervolgens diezelfde rechter over die beslissing te laten oordelen.

Als je dan toch een opportuniteitstoetsing wilt, laat dan de politiek, zeg maar: de organisatie die de rechtspolitiek formuleert, ook die toetsing verrichten. En niet de rechter: welke legitimatie heeft de rechter om een beslissing tot vervolging te nemen op grond van ‘een rechtspolitiek’ waar die rechter niets mee te maken heeft?
En ‘wie kunnen er dan zo’n klacht indienen?’ wordt er dan gevraagd. Waarop ik de notie ‘rechtstreeks belanghebbende’ uiteenzet. ‘Maar is dat dan niet een beetje toevallig, stel dat er geen belanghebbende is?’. Nu volgt van mijn kant een exposé over rechtspersonen die als rechtstreeks belanghebbenden mogen worden beschouwd.

‘En de staat zelf, kan die ook rechtstreeks belanghebbende zijn?’. ‘Ja, dat kan’, zeg ik, vrezend wat komen gaat. ‘En kan die staat dan ook een klacht indienen? De staat kan toch ook schade hebben geleden.’ ‘Nee, dat kan niet’, antwoord ik. De staat kan geen klacht indienen omdat de officier van justitie, ja, als het ware op afstand toch weer handelt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. De Minister van Justitie kan niet zelf klagen over een beslissing die onder zijn verantwoordelijkheid is genomen. Dat staat niet in de wet. ‘Dus de rechter heeft dat zeker beslist?’, waarop ik weer: ‘Nee, dat is beslist in het debat in de Tweede kamer over de Schipholtunnelfraudezaak’.

Ik kan opeens niet meer op het Engelse woord daarvoor komen.






Mr. G.J.W. van Oven is werkzaam bij het gerechtshof ’s-Gravenhage.

Deze column verscheen eerder in Strafblad

« vorige pagina

Gratis nieuwsbrief

Laat hier uw gegevens achter als u de gratis e-nieuwsbrief 'Scherp in Strafrecht' wilt ontvangen met het laatste nieuws.



Volg ons op

De Vindplaats

Hier wordt de plaats van handeling bezocht van soms geruchtmakende strafrechtelijke zaken.
Arrestatie Vredeoord.pdf
application/pdf - 6451.5kB  Arrestatie Vredeoord
Gouda-Lutz.pdf
application/pdf - 1285.5kB Gouda-Lutz 
De Zwarte Ruiter.pdf
application/pdf - 178.1kB  De Zwarte Ruiter
Spijbelende noodwachtplichtige.pdf
application/pdf - 261.1kB  Spijbelende noodwachtplichtige

Poll

Advocaten moeten opstaan voor de rechters in de rechtzaal
Nee 21%
Ja 78%