Politieagente schiet ex-partner door het hoofd
10-02-2010Verdachte is voor de moord op haar ex-partner veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Verdachte is politieagente en heeft met haar dienstwapen haar ex-partner in het hoofd geschoten. Tijdens de moord bevond verdachte zich in een dissociatieve toestand. Deze had echter niet een zodanige diepgang dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Zij was wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.
Standpunt raadsman
De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de omstandigheden waaronder verdachte tot het fatale schot is gekomen, zodanig waren dat niet van opzet kan of mag worden gesproken. Volgens de raadsman verkeerde verdachte- doordat zij gedurende maanden bedreigd, mishandeld, verkracht en vernederd was door het slachtoffer- in een toestand waarin zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Deze gemoedstoestand stond ook in de weg aan het kalm beraad, zonder welk niet voor moord kan worden gekwalificeerd, aldus de raadsman.
Standpunt Hof
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat het dodelijk verwonden van het slachtoffer door verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit daartoe. Het Hof heeft hier niet alleen grond gevonden in de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte vanaf het moment dat zij op de parkeerplaats bij de Gamma het laatste sms-bericht van het slachtoffer heeft gelezen, maar ook in het feit dat verdachte heeft verklaard dat zij wilde dat het slachtoffer stopte met haar pijn te doen.
Dissociatieve toestand
Op grond van de bevindingen van een psychiater en een psycholoog heeft het Hof aangenomen dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, sprake is geweest van een dissociatieve toestand. Hetgeen ertoe heeft geleid dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Gelet echter op de conclusie van de deskundigen dat het voor verdachte – na haar besluit om haar dienstwapen op te halen- onderweg nog steeds mogelijk was om keuzes te maken, is het Hof tot het oordeel gekomen dat die dissociatieve toestand niet een zodanige diepgang heeft gehad dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen.
Er heeft voor verdachte de tijd en gelegenheid bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op basis hiervan is het Hof tot het oordeel gekomen, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het Hof heeft het verweer van de raadsman dan ook verworpen.
Gerechtshof Leeuwarden 8 februari 2010 (LJN BL2868)
« Terug naar overzicht nieuws


