Sharia in Nederland
12-05-2010Onlangs is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie en het ministerie van VROM/WWI een studie verschenen over islamitische advisering en geschilbeslechting bij moslims in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van Kamerleden, om onderzoek te laten verrichten naar het mogelijk bestaan van shariarechtbanken in Nederland en is uitgevoerd door een multidisciplinair onderzoeksteam van de Radboud Universiteit Nijmegen. De studie heeft als doel te komen tot een inventarisatie van de aard en omvang van geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland.
Hoofdvragen
De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Komt geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland voor, in welke mate en met betrekking tot welke geschillen?
Deze vraag is onderverdeeld in drie clusters van deelvragen die zich respectievelijk richten op
1. de aard van het aanbod van geschilbeslechting en advisering op basis van sharia,
2. het feitelijke karakter van dergelijke geschilbeslechting en advisering en
3. de plaats die geschilbeslechting en advisering op basis van sharia volgens betrokkenen innemen in de Nederlandse samenleving.
Er is voor gekozen om het concept van ‘geschilbeslechting’ in de context van sharia niet gelijk te stellen aan rechtspraak. De term rechtspraak impliceert namelijk de autoriteit van een rechtbank, een officieel, door de overheid erkend en geëerbiedigd instituut. Het Nederlandse rechtsstelsel kent geen ‘shariarechtbanken’ of ‘shariarechtspraak’. Gebruik van deze termen zou ten onrechte officiële autoriteit kunnen suggereren, maar ook impliceren dat gebruikers van een op deze wijze aangeduid instituut er de autoriteit van een rechtbank aan toeschrijven, wat juist niet van tevoren vaststond.
Algemene conclusies
Uit het onderzoek blijkt dat er zeker sprake is van advisering en geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland, maar dat daarbij veelal sprake is van het gezamenlijk zoeken naar de beste oplossing onder de gegeven omstandigheden. Sharia wordt toegepast om de validiteit van de gevonden oplossing te toetsen. Voor bijna alle respondenten is sharia in Nederland niet hetzelfde als sharia in bijvoorbeeld Pakistan of Marokko. Zij leven in een westerse democratie en dienen zich, of zij de wetten van de staat nu onderschrijven of niet, naar deze wetten te voegen. Iedere moslim dient voor zichzelf een modus vivendi te vinden aangaande het leven volgens islamitische regels in een niet‐islamitisch land. We menen dan ook dat de oorspronkelijk als uitgangspunt gehanteerde definitie van sharia als ‘recht van de islam’ voor dat wat de Nederlandse moslims beleven, teveel de nadruk legt op de term ‘recht’. Een definitie van sharia als ‘islamitische normen en waarden’ is passender.
De onderzoekers hebben geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een ‘shariarechtbank’ in Nederland. De etnische diversiteit onder moslimgroepen in Nederland maakt het ook niet aannemelijk dat een dergelijk orgaan in enigerlei mate overkoepelend zou kunnen zijn zonder dat verschillende interpretaties of wellicht zelfs concurrentie de autoriteit van het instituut aan twijfel onderhevig zouden maken. De Nederlandse praktijk lijkt dan ook niet op de arbitrage die in Groot‐Brittannië plaatsheeft en waar opvolging van een besluit van het Muslim Arbitration Tribunal in principe bij de rechtbank kan worden afgedwongen. De praktijk van geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland heeft niet het karakter van arbitrage, de Nederlandse wet staat immers geen arbitrage toe voor de (familierechtelijke) onderwerpen waarop naar de mededeling van de respondenten geschilbeslechting wordt toegepast. Als er een vergelijking met een juridische vorm kan worden gemaakt, komt mediation nog het meest in de buurt. Partijen zoeken onder leiding van een actieve deskundige en met inachtneming van de geldende rechtsregels naar een voor alle partijen acceptabele oplossing. Het is belangrijk dat deze oplossing ook daadwerkelijk acceptabel voor partijen is, omdat naleving niet wettelijk kan worden afgedwongen. Sociale druk is dan weliswaar een alternatief voor wettelijke of rechterlijke pressie, maar als druk tot onderdrukking leidt, vindt de onderdrukte de wet aan zijn kant. De onderzoekers menen dan ook dat er niet zozeer sprake is van geschilbeslechting op basis van sharia, maar veeleer van geschilbemiddeling.
Bron: www.wodc.nl
« Terug naar overzicht nieuws


