Alle uitspraken publiceren is verkwisting van belastinggeld
Op Rechtspraak.nl staat amper 1 procent van alle uitspraken die rechters jaarlijks doen. Om een betere controle op de rechter mogelijk te maken, pleitten medewerkers van de Universiteit Leiden onlangs voor het publiceren van álle rechterlijke uitspraken op Rechtspraak.nl. Volgens Ronald Philippart, voorzitter van Rechtspraak.nl, leidt dat echter niet tot een betere controle op de rechter, maar tot verkwisting van belastinggeld.
Controle op de rechterlijke macht maakt standaard deel uit van het systeem van hoger beroep en cassatie. Rechtspraak.nl gaf daarvan vorige week weer een mooi voorbeeld op de homepage: een verdachte die door de rechtbank was veroordeeld, was door het gerechtshof ontslagen van alle rechtsvervolging. De hogere rechter woog de feiten opnieuw en kwam tot een ander oordeel. Op Rechtspraak.nl kan iedereen kennis nemen van die beoordeling.
Publicatie niet voorgeschreven
De wetgever heeft bepaald dat de meeste zaken op een openbare zitting worden behandeld en in het openbaar worden uitgesproken. Na afloop van strafzittingen zijn ook altijd kopieën van de uitspraken beschikbaar voor belangstellende journalisten.
Openbaarmaking van een vonnis door publicatie op internet is door de wetgever echter niet voorgeschreven. De Rechtspraak heeft er zélf voor gekozen zo veel mogelijk relevante uitspraken te publiceren. De criteria die daarvoor worden gehanteerd, zijn deels gebaseerd op de belangstelling die er vanuit de samenleving is: van juridische professionals, journalisten, belangengroepen en studenten bijvoorbeeld.
Gebruikers tevreden
Onderzoek onder gebruikers van Rechtspraak.nl laat zien dat zij over het algemeen tevreden zijn over de publicaties. Daar doen we ook moeite voor. De Hoge Raad maakt al zijn arresten op Rechtspraak.nl openbaar, rechtbanken en hoven publiceren duizenden uitspraken per jaar. In procenten uitgedrukt is dat weinig, maar rechters nemen ieder jaar gezamenlijk dan ook bijna twee miljoen beslissingen. Voor het overgrote deel van die zaken is buiten de direct betrokkenen geen belangstelling; honderdduizenden incassozaken, zoals die van telefoonmaatschappijen en postorderbedrijven bijvoorbeeld.
Hoge kosten
Op zich is dat misschien geen reden om die uitspraken dan maar niet te publiceren. Echter, aan grootschalige publicatie zijn hoge kosten verbonden. Van de Rechtspraak mag verwacht worden dat zij zorgvuldig omgaat met de privacy van procespartijen. Uitspraken moeten worden geanonimiseerd en dat kost veel tijd, en dus veel geld. Belastinggeld.
De Rechtspraak bewijst de samenleving geen grote dienst door al die uitsluitend voor betrokkenen relevante uitspraken op Rechtspraak.nl te zetten, nog los van het feit dat de Rechtspaak daarvoor het geld niet heeft. Niks geheimzinnigs dus aan de praktijk rond het publiceren van uitspraken. Als er (categorieën) uitspraken worden gemist, horen we dat graag. Rechtspraak.nl is klantgericht.
Ronald Philippart
President rechtbank Maastricht en voorzitter Rechtspraak.nl
Bron:www.rechtspraak.nl
Aankondiging uitreiking van de Moddermanprijs
Het proefschrift van mr A.A. van Dijk, ''Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld en schulduitsluitingsgronden en straf, is bekroond met de Modderrnanprijs 2010. De prijs wordt tweejaarlijks toegekend door de prof. A.E.J. Moddermanstichting. Dit is een aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid te Leiden verbonden stichting tot bevordering van het onderzoek op het gebied van de strafrechtswetenschappen. De Moddermanprijs 2010 wordt toegekend aan diegene die dienaangaande in de kalenderjaren 2008 en 2009 een proefschrift heeft verdedigd aan een Nederlandse universiteit dat getuigt van een bijzondere wetenschappelijke kwaliteit. In mei 2008 is de dissertatie verdedigd aan de Universiteit van Groningen. Tijdens de prijsuitreiking op 20 september 2010 te Leiden wordt de toekenning van de prijs gemotiveerd. De prijs bestaat uit een door de beeldhouwer F. Letterie ontworpen bronzen penning en een geldbedrag. Op de penning staat op de voorzijde een afbeelding van het hoofd van prof. A.EJ. Modderman (1838-1885), hoogleraar strafrecht te Leiden van 1871-1879 en daarna minister van Justitie. Aan de achterzijde van de penning staat het motto van de universiteit Leiden en een kunstzinnige afbeelding.
meer >Justitie Antillen en Aruba gehandicapt in strijd georganiseerde criminaliteit
Op de Nederlandse Antillen en Aruba gaan op korte termijn grote strafzaken ‘klappen’, voorspelt strafpleiter Gerard Spong, veelvuldig actief daar als advocaat. Dat is het gevolg van een gat in de wetgeving waardoor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen daar niet geregeld is. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelde afgelopen februari dat het ontbreken van die wetgeving in strijd is met het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens.
“Er drijven donkere wolken boven de juridische hemel op de Caraïben”, aldus Spong. Rechters in Willemstad en Oranjestad hebben dat gebrek aan wetgeving jarenlang afgedekt langs sluiproutes die de politiewetgeving bij opsporing biedt. Maar ook rechters daar zijn gehouden aan de jurisprudentie van het Europese Hof en die zijn steeds kritischer geworden als het om onrechtmatig gebruik van opsporingstechnieken gaat. Wat in het verleden kon worden afgedekt, is nu steeds minder mogelijk. Dat kan alleen als de wetgeving op orde is.”
Die wetgeving ontbreekt en dat is in strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens, zo oordeelde het Gemeenschappelijk Hof. Bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie, infiltratie of telefoontaps grijpen diep in in de privacy van burgers, ook als het om verdachten gaat. Het kan, maar niet zonder adequate wetgeving.
Sindsdien maakt het Openbaar Ministerie op de Antillen en Aruba bij grote onderzoeken zo min mogelijk gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen om te voorkomen dat zij door de rechter niet ontvankelijk wordt verklaard of bewijs tijdens de zitting ongeldig wordt verklaard. Dat laatste is op Sint Maarten en Aruba al gebeurd.
„We zijn nu beperkt in onze opsporingsmogelijkheden”, zegt de Arubaanse hoofdofficier van justitie Peter Blanken. „De politiek moet haast maken met een wettelijke regeling.”
Aruba en de Antillen gelden als belangrijke doorvoerhavens van drugs, wapens en illegale geldstromen. Justitie werkt daar veelvuldig samen met buitenlandse en Nederlandse opsporingsdiensten in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Vorig jaar legde justitie nog een netwerk van vastgoedfraude en cocaïnesmokkel bloot op Bonaire, met vertakkingen naar Venezuela, Amerika, Frankrijk en Nederland.
Op de ministeries van Justitie in Willemstad en Oranjestad wordt inmiddels koortsachtig gewerkt aan wetgeving om het gat te dichten. Voor de Antillen is dat van belang omdat de landsregering komend najaar ontmanteld wordt en Curaçao en Sint Maarten dan zelfstandige landen binnen het Nederlands Koninkrijk worden, waar de strafwetgeving op orde moet zijn. De drie overige eilanden, Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden Nederlands grondgebied. De Nederlandse minister van Justitie wordt er verantwoordelijk voor de rechtshandhaving. Daarom kunnen de bijzondere opsporingsbevoegdheden volgens een woordvoerder van staatssecretaris Bijleveld (Koninkrijksrelaties, CDA) nog op tijd geregeld worden via een ministeriële beschikking.
Op het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag wordt met argusogen gekeken naar de race tegen de klok op de Antillen die het gat in de wetgeving moet dichten. In 2007 is geld én ambtelijke capaciteit aan de Antilliaanse regering verstrekt om het Wetboek van Strafvordering te moderniseren. Het conceptwetboek is er al lang, maar met de productie van de daarbij behorende wetgeving is te lang gewacht.
Ook strafrechtgeleerde en hoogleraar Ybo Buruma van de Radboud Universiteit Nijmegen verwacht complicaties voor lopende strafzaken. „Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat, tien jaar nadat in Nederland bijzonder opsporingsbevoegdheden wettelijk geregeld is, dat op de Antillen en Aruba niet gebeurd is. Het tappen van telefoons, de inzet van burgerinfiltranten of stelselmatige observatie zijn middelen die zwaar ingrijpen in de privacy van burgers, ook als die verdachten zijn. Het mag, onder voorwaarden, maar het is toch duidelijk dat daar een gedegen wettelijke basis voor moet zijn.”
Op Bonaire loopt sinds vorig jaar een groot strafrechtelijk onderzoek naar vastgoedfraude, waarbij politici, ambtenaren en drugssmokkelaars betrokken zouden zijn. In dat strafrechtelijk onderzoek werken Antilliaanse en Arubaanse opsporingsdiensten samen met die van Nederland en Amerika. Het is de vraag of het vergaarde bewijsmateriaal in die zaak stand zal houden bij de rechter.
Bron: nrc.nl
De Nationale Politie komt er aan
Ambtenaren bereiden zich nu al voor op de komst van één nationale politieorganisatie. Burgemeesters vrezen voor de veiligheid.
Nog voor het CDA-VVD-kabinet met gedoogsteun van de PVV is aangetreden, is het ministerie van Binnenlandse Zaken druk doende met de komst van ‘één Politie Nederland’.
De huidige 25 regionale korpsen en het Korps Landelijke Politiediensten gaan dan op in één nationale organisatie. Het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) houdt er rekening mee dat er nog slechts zeven tot tien regionale eenheden overblijven.
Gebrekkig
Volgens het beoogde kabinet-Rutte I leidt de gebrekkige samenwerking van de huidige, relatief kleine korpsen tot veel bureaucratische rompslomp en gaat het ten koste van de ‘echte taken van de politie’. De ambtelijke werkgroep die eerder dit jaar de bezuinigingen op veiligheid en terrorisme heeft onderzocht, becijferde dat het rijk hiermee 225 tot 415 miljoen euro kan besparen.
Als het aan de VVD en de PVV ligt, wordt dit geld gebruikt voor respectievelijk 3.500 tot 10.000 extra agenten op straat. BZK houdt ook rekening met het scenario dat de Nationale Politie gaat vallen onder één overkoepelend ministerie van Veiligheid. Dit ministerie heeft dan zowel het Openbaar Ministerie als de Nationale Politie onder zijn beheer. Mogelijk verhuist dan ook de marechaussee van Defensie naar de politie. Burgemeesters vrezen dat de centralisatie de veiligheid niet ten goede zal komen. ‘Afstemmen op gemeentelijke behoeften wordt zo lastiger’, waarschuwt Bernt Schneiders, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. ‘Bijvoorbeeld de vraag of een bepaald bureau open moet blijven, kun je beter lokaal beoordelen.’ Ook vreest Schneiders, tevens burgemeester van Haarlem, dat de komst van de Nationale Politie ‘incidentenpolitiek’ in de hand werkt. ‘Met één Politie Nederland kun je de minister bij wijze van spreken elke dag naar de Kamer roepen.’
‘Macht burgemeesters stelt dan niets meer voor’
Met de invoering van één Politie Nederland, blijft het gezag (wat de politie doet) bij de burgemeesters. Maar het beheer (inzet van mensen en middelen) van het korps verhuist dan naar het ministerie in Den Haag. En dat ziet het Nederlands Genootschap van Burgemeesters niet zitten.
‘Wij mogen dan nog wel zeggen wie wat moet doen, maar gaan niet meer over het geld’, verklaart Bernt Schneiders van het burgemeestersgilde.
‘In theorie ga je er dan nog wel over, maar omdat je niet meer over de inzet van mensen en middelen gaat, stelt dat eigenlijk niets meer voor’, zegt Schneiders stellig. ‘Wie betaalt bepaalt.’ Het is volgens de Haarlemse burgervader ‘één grote uitholling van de macht’. ‘De gouden koorden uit Den Haag hebben het dan voor het zeggen.’
Hij vreest dat als er problemen zijn – zoals bijvoorbeeld in Gouda of Culemborg – de minister naar de Tweede Kamer wordt geroepen en dan ten onrechte kostbare maatregelen voor het hele land zal treffen, terwijl het mogelijk slechts een lokaal probleem is. Ook is Schneiders bang dat de reorganisatie zelf duur uit zal pakken.
Voorzitter van Politievakbond ACP Gerrit van de Kamp ziet juist de voordelen van één Politie Nederland. ‘Nu zijn er te veel mensen die verantwoordelijkheid hebben, waardoor eigenlijk niemand zich verantwoordelijk voelt.’
Auto’s kopen
Het huidige aantal korpsbeheerders, 26, noemt Van de Kamp ‘sowieso te veel’. De bezetting van enkele korpsen, zoals Gooi en Vechtstreek en Drenthe is met 600 tot 800 personen volgens hem te klein om bijzondere problemen binnen het eigen korps op te lossen. ‘Daarvoor moet dan geleend worden bij andere korpsen, wat weer extra bureaucratie met zich meebrengt.’ Zowel Schneiders als Van de Kamp vindt dat een deel van de taken – zoals inkoop van auto’s, ICT en personeelsmanagement – wel beter landelijk geregeld kunnen worden.
Het afgelopen decennium zijn de uitgaven aan veiligheid en terrorisme in Nederland sterk gestegen. Gaven overheden en de private sector hier in 2002 nog zo’n 460 euro per inwoner per jaar aan uit (7,5 miljard), in 2008 was dit ruim 650 euro (10,8 miljard), zo blijkt uit CBS-gegevens. De politie is in 1993 voor het laatst grondig gereorganiseerd. Toen werden het Korps Rijkspolitie en de 150 gemeentelijke politiekorpsen gereduceerd tot de huidige 26 regio’s.
Bron:www.depers.nl
Alle uitspraken publiceren is verkwisting van belastinggeld
Op Rechtspraak.nl staat amper 1 procent van alle uitspraken die rechters jaarlijks doen. Om een betere controle op de rechter mogelijk te maken, pleitten medewerkers van de Universiteit Leiden onlangs voor het publiceren van álle rechterlijke uitspraken op Rechtspraak.nl. Volgens Ronald Philippart, voorzitter van Rechtspraak.nl, leidt dat echter niet tot een betere controle op de rechter, maar tot verkwisting van belastinggeld.
Controle op de rechterlijke macht maakt standaard deel uit van het systeem van hoger beroep en cassatie. Rechtspraak.nl gaf daarvan vorige week weer een mooi voorbeeld op de homepage: een verdachte die door de rechtbank was veroordeeld, was door het gerechtshof ontslagen van alle rechtsvervolging. De hogere rechter woog de feiten opnieuw en kwam tot een ander oordeel. Op Rechtspraak.nl kan iedereen kennis nemen van die beoordeling.
Publicatie niet voorgeschreven
De wetgever heeft bepaald dat de meeste zaken op een openbare zitting worden behandeld en in het openbaar worden uitgesproken. Na afloop van strafzittingen zijn ook altijd kopieën van de uitspraken beschikbaar voor belangstellende journalisten.
Openbaarmaking van een vonnis door publicatie op internet is door de wetgever echter niet voorgeschreven. De Rechtspraak heeft er zélf voor gekozen zo veel mogelijk relevante uitspraken te publiceren. De criteria die daarvoor worden gehanteerd, zijn deels gebaseerd op de belangstelling die er vanuit de samenleving is: van juridische professionals, journalisten, belangengroepen en studenten bijvoorbeeld.
Gebruikers tevreden
Onderzoek onder gebruikers van Rechtspraak.nl laat zien dat zij over het algemeen tevreden zijn over de publicaties. Daar doen we ook moeite voor. De Hoge Raad maakt al zijn arresten op Rechtspraak.nl openbaar, rechtbanken en hoven publiceren duizenden uitspraken per jaar. In procenten uitgedrukt is dat weinig, maar rechters nemen ieder jaar gezamenlijk dan ook bijna twee miljoen beslissingen. Voor het overgrote deel van die zaken is buiten de direct betrokkenen geen belangstelling; honderdduizenden incassozaken, zoals die van telefoonmaatschappijen en postorderbedrijven bijvoorbeeld.
Hoge kosten
Op zich is dat misschien geen reden om die uitspraken dan maar niet te publiceren. Echter, aan grootschalige publicatie zijn hoge kosten verbonden. Van de Rechtspraak mag verwacht worden dat zij zorgvuldig omgaat met de privacy van procespartijen. Uitspraken moeten worden geanonimiseerd en dat kost veel tijd, en dus veel geld. Belastinggeld.
De Rechtspraak bewijst de samenleving geen grote dienst door al die uitsluitend voor betrokkenen relevante uitspraken op Rechtspraak.nl te zetten, nog los van het feit dat de Rechtspaak daarvoor het geld niet heeft. Niks geheimzinnigs dus aan de praktijk rond het publiceren van uitspraken. Als er (categorieën) uitspraken worden gemist, horen we dat graag. Rechtspraak.nl is klantgericht.
Ronald Philippart
President rechtbank Maastricht en voorzitter Rechtspraak.nl
Bron:www.rechtspraak.nl
Sdu Uitgevers lanceert magazine voor aspirant-advocaat
Sdu Uitgevers brengt op 23 augustus 2010 Advocatenblad Start uit, een jaarlijks magazine voor rechtenstudenten en starters in de advocatuur. Het blad geeft een uitgebreide impressie van de advocatuur en alle beroepsmogelijkheden. Het tijdschrift wordt gratis verspreid in een oplage van 25.000 exemplaren onder alle rechtenfaculteiten, juridische studenten- en studieverenigingen, hogescholen en VWO-decanen.
In Advocatenblad Start vertellen rechtenstudenten over hun studie en toekomstplannen en houden advocaten een pleidooi voor hun specialisatie. Hierdoor is het blad een mix van leuke, lichte rubrieken en harde, feitelijke inhoud, zoals een artikel over de honours studiegroepen bij de Universiteit Utrecht, interviews met advocaten bij grote en kleine kantoren, sollicitatietips en een rubriek met nieuwe boeken, gadgets en columns.
Onderdeel van het Advocatenblad
Advocatenblad Start maakt onderdeel uit van het Advocatenblad, het meest gelezen periodiek van de Nederlandse Orde van Advocaten (de Orde). Sdu Uitgevers is met ingang van januari 2010 uitgever van het Advocatenblad met de bijbehorende internetsite Advocatenorde.nl en de wekelijkse e-mailnieuwsbrief ‘Orde van de Dag’. Advocatenblad Start werd eerder uitgegeven door de Orde van Advocaten onder de naam Versus.
Voor meer informatie:
Gert Jan Schinkel (uitgever Advocatenblad Start)
Telefoon: 070-37 89737, email: G.Schinkel@sdu.nl
Daniel Stoltz (advertentiemarkt Legal & Tax)
Telefoon: 070 378 05 62, email: advertentie.juridisch@sdu.nl
Over Sdu Uitgevers:
Als multimediale uitgever van vakinformatie voorziet Sdu Uitgevers haar klanten dagelijks van onmisbare beroepsspecifieke informatie. Dit doet zij op ieder gewenst moment en in iedere gewenste vorm, zoals kranten, tijdschriften, boeken of seminars. De klanten van Sdu Uitgevers kiezen steeds vaker voor online informatiebronnen, al dan niet in combinatie met de bekende printuitgaven. Professionals die werkzaam zijn in de bouwsector, bij de overheid, in de juridische wereld of bij andere onderdelen van het bedrijfsleven gebruiken online en printuitgaven dagelijks.
Met meer dan 3.000 verschillende publicaties per jaar blijft Sdu Uitgevers zichzelf en de dienstverlening aan haar klanten continu verbeteren. Innovatie staat op de eerste plaats.
Nieuwsbrief Strafrecht 25 juni 2010, afl. 7
Het strafrecht is altijd in beweging: de rol van de media in strafzaken, de reikwijdte van artikel 591a Sv en de evaluatie van bijzondere opsporingsmethoden, nieuwe regelgeving en veel nieuwe jurisprudentie.
Het tijdschrift Nieuwsbrief Strafrecht biedt u een betrouwbaar overzicht van alle recente ontwikkelingen op het gebied van het strafrecht. U ontvangt 14 maal per jaar actuele informatie over wetgeving, beleid en jurisprudentie. De informatie is beknopt en volledig: precies de informatie die u nodig heeft.
Inhoud
Om vast een idee te krijgen van de inhoud van Nieuwsbrief Strafrecht kunt u hier de inhoudsopgaven bekijken:
Nieuwsbrief Strafrecht 25 juni 2010, afl. 7
Column Prof. mr. T.M. Schalken, De beklagprocedure van artikel 12 Sv en de onderkant van het handhavingsbeleid
Het is inmiddels een versleten uitdrukking: het Openbaar Ministerie kan het nooit goed doen. Deze uitspraak wordt vooral gebruikt door OM-functionarissen als excuus voor een situatie waarin een bepaalde beslissing tot grote ophef leidt. Inderdaad, er zullen altijd beslissingen van het Openbaar Ministerie zijn die maatschappelijk of persoonlijk niet goed vallen. Het is dan ook ondoenlijk van het Openbaar Ministerie te verlangen dat het steeds een voor alle rechtsgenoten begrijpelijk standpunt inneemt. Dat sluit natuurlijk nog niet uit dat op het Openbaar Ministerie, zoals op elk bestuursorgaan, de dure plicht rust ernaar te streven om de maatschappelijke acceptatie van zijn beleid te vergroten.
Een van de belangrijkste impulsen om dat doel te bereiken, ligt besloten in een permanente en kritische reflectie door het Openbaar Ministerie op zijn eigen beleid en de consequenties daarvan voor de samenleving of in het concrete geval voor iemands persoonlijke situatie. In een ‘lerende organisatie’ valt daarvan het meeste effect te verwachten, daarbij geholpen door journalistieke of wetenschappelijke commentaren die het Openbaar Ministerie met de neus op de impact van het eigen beleid drukken. Waar de overheid het vervolgen van strafbare feiten aan de competentie van burgers heeft onttrokken, ligt het voor de hand dat zij jegens die burgers goed uitlegt waarom zij deze en niet een andere beslissing heeft genomen. Het is opvallend dat die explicatiefunctie van het Openbaar Ministerie als overheidsorgaan het meest zichtbaar wordt in het vervolgingsbeleid – het voorleggen van een zaak aan de rechter in een openbaar strafproces – en juist principieel niet, uitzonderingen daargelaten, in het beleid om zaken niet te vervolgen. Dat is om allerlei redenen begrijpelijk (teneinde een niet verdachte niet onnodig aan de openbaarheid bloot te stellen), maar het minimaliseert wel de behoefte van het Openbaar Ministerie om dat aspect van het handhavingsbeleid aan kritische zelfreflectie te onderwerpen. Pas wanneer een klager, wiens aangifte is geseponeerd, in een doorsneezaak door een parketsecretaris, bij het hof in beklag komt, wordt de officier van justitie via het verslag van de advocaat-generaal genoodzaakt naar de beslissing tot niet vervolgen te kijken. Deze nogal omslachtige en dus tijdrovende toetsing, die doorgaans uitmondt in het billijken van de sepotbeslissing, terwijl nog steeds elke prikkel tot een persoonlijk contact met de justitiabele ontbreekt, wekt niet de indruk dat zij het Openbaar Ministerie enthousiasmeert om samenhangend en kritisch verantwoording over het eigen beleid af te leggen. Het bevel van het hof om alsnog te vervolgen ziet het Openbaar Ministerie te veel als een niet te ontlopen ambtelijke verplichting en minder als een uitnodiging om op basis daarvan zelf beleid te ontwikkelen teneinde de kwaliteit van de organisatie te verbeteren. Daarom valt er veel voor te zeggen om het voorstel van Cleiren1 te volgen die heeft bepleit om, geheel passend in de toenemende ‘verbestuurlijking’ van het Openbaar Ministerie, de hoofdofficier in een veel eerder stadium te confronteren met het sepotbesluit dat – voeg ik daaraan toe – in de loop der tijd steeds meer aan lagere parket- en zelfs aan politiefunctionarissen is overgelaten. Door deze inflatie van de sepotbevoegdheid – het zijn mijn woorden – heeft de verantwoordelijke hoofdofficier – die tegenwoordig vooral in het vergadercircuit is te vinden – nauwelijks nog zicht op de afdoening van die zaken die kennelijk niet voldoen aan de criteria voor een gerechtvaardigde strafvervolging.
Een dergelijke interne toetsing die verplicht aan de procedure bij het hof vooraf zou moeten gaan, biedt meer afdoeningsmodaliteiten dan waarover het hof beschikt. Het interne appel bij de (hoofd)officier en nog hoger binnen het Openbaar Ministerie staat, aldus Cleiren,2 ‘dicht bij de burger, is laagdrempelig en op maat’. De behandeling van het beklag ten parkette kan immers sneller en minder formeel plaatsvinden en biedt meer mogelijkheden om met de, zowel financiële als emotionele, belangen van klager en beklaagde rekening te houden, wellicht ook om de zaak bij nader inzien in den minne te schikken. Bovendien is de officier van justitie,anders dan de advocaat-generaal, bevoegd de politie rechtstreeks aan te sturen als het om conflictbemiddeling of aanvullend onderzoek gaat, hetgeen door veel klagers wordt gevraagd.
Deze gang van zaken dwingt de seponerende ambtenaar meer oog te hebben voor de realiteit van de rechtsinbreuk die volgens de aangifte heeft plaatsgevonden. Nu is het helaas zo dat het Openbaar Ministerie weinig investeert in een adequaat en responsief sepotbeleid. Nog steeds komt het voor dat sepotmededelingen worden aangevinkt op een voorgedrukt formulier met vermelding van een sepotcode die niemand begrijpt. In vele gevallen ontbreekt een behoorlijke motivering, laat staan dat er een persoonlijke uitleg van een parketmedewerker is geweest. Vaak blijkt uit het dossier dat tot sepot is besloten op basis van onvolledig onderzoek door de politie, terwijl de ernst van de aangifte tot nader onderzoek had moeten leiden. In conflictsituaties met een hoog Rijdende Rechter-gehalte, zoals burenruzies, wordt doorgaans volstaan met verwijzing naar enkele platitudes die erop neerkomen dat het feit zich in beperkte kring heeft afgespeeld – alsof zich daar geen ernstige delicten kunnen voordoen – of dat de klager ook zelf een bijdrage aan het ontstaan van het conflict heeft geleverd. Soms lopen schermutselingen in de buurlijke of relatiesfeer ernstig uit de hand omdat elke regie van politie en justitie ontbreekt. Alleen aangiftes registreren draagt nog niet bij aan een zinvolle rechtshandhaving.
Zeker, men kan kritisch zijn over het rechterlijk toezicht op het sepotbeleid als onderdeel van een ‘criminele politiek’ die onder democratische controle tot stand pleegt te komen en dus ook langs die weg aan verantwoording zou moeten worden onderworpen.3 Maar de praktijk van alledag laat zien dat in de beklagprocedures bij de hoven in de regel, principiële zaken uitgezonderd, weinig criminele politiek aan de orde is. Het komt niet vaak voor dat de advocaatgeneraal officieel beleid in stelling brengt waaraan vervolgens het sepot wordt getoetst. In de meeste gevallen wordt het beoordelingskadergevormd door ‘juridische banaliteiten’: is er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs opdat er een gerede kans is dat de later oordelende strafrechter tot een veroordeling kan komen? Maar aan die lastige vraag in 12 Sv-conflictsituaties gaat een heel scala aan afdoeningsvarianten vooraf voordat men aan de formele beslissing (al of niet vervolgen) toekomt. Die voorfase zou in de OM-organisatie veel meer aandacht moeten krijgen. Niet omdat een persoonlijk gesprek ten parkette een ‘kernproduct’ oplevert, maar omdat het wel helpt de kloof tussen samenleving en justitie te dichten. Daarvoor behoeft men nog geen therapie te bedrijven, maar iets meer empathie met de gekrenkte belangen van de burger – ook als het om zogenaamd ‘klein leed’ gaat wat het meestal niet is – is wel zo effectief in die zin dat daardoor een bijdrage wordt geleverd aan een geloofwaardige strafrechtspleging.4 Burgers hechten, meer nog dan aan hun gelijk, waarde aan ‘procedurele rechtvaardigheid’5 (worden wij door de overheid wel serieus genomen?).
Bovendien is een dergelijke benadering, behalve effectief, ook nog efficiënt: minder beslag op procedures bij de hoven, dus kostenbesparend. Welke manager bij het Openbaar Ministerie kan daar nu tegen zijn?
Prof. mr. T.M. Schalken*
1 C.P.M. Cleiren, ‘De procedure van het beklag tegen niet-vervolging op de schop’, Strafblad 2008, p. 534 e.v.
2 T.a.p., p. 544.
3 Zie daarover de fraaie beschouwing van A. de Lange ‘De beklagprocedure en criminele politiek’, Strafblad 2009, 5, p. 477. Die democratische invalshoek impliceert een bij voorkeur marginale (complementaire) toetsing van het OM-beleid door de beklagrechter. In de praktijk is dat al het geval, hoewel de hoven dit in verschillende bewoordingen tot uitdrukking brengen
(vgl. M.J.A. Duker, ‘De toetsingsruimte van het hof in beklagzaken ex artikel 12 Sv’, DD 2009, 5, p. 428). Als het OM de sepotbeslissing rechtvaardigt in het kader van gepubliceerd beleid, ligt een terughoudende toetsing in de rede (zoals in het bestuursrecht gebruikelijk is; zie daarover nader F.C.M.A. Michiels, ‘Belangenafweging bij sanctiebesluiten’, AA 2000, 2, p. 111). Pas als het sepot in het geheel niet of slecht wordt gemotiveerd, past het in de rechtsbeschermende functie van de beklagprocedure wanneer het hof tot een ‘volle’ toetsing overgaat.
4 In termen van P.M. Frielink, Het OM: schakel in een geloofwaardige strafrechtspleging, oratie Maastricht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2010.
5 Op dat aspect legt de Nationale ombudsman veel nadruk: Werken aan behoorlijkheid: de Nationale Ombudsman in zijn
Gevangenisstraffen en hoge geldboetes geëist in onderzoek Probo Koala
Het Functioneel Parket heeft vandaag voor de rechtbank Amsterdam geldboetes tot €2.000.000 euro en gevangenisstraffen tot 12 maanden geëist tegen de verdachten in het onderzoek Probo Koala. Het gaat om Trafigura, een medewerker van Trafigura, de kapitein van de Probo Koala, Amsterdam Port Services, de toenmalig directeur van Amsterdam Port Services en de gemeente Amsterdam. De officieren van justitie vinden dat de verdachten het eigenbelang boven het belang van de volkgezondheid en het milieu hebben gesteld.
Overzicht van de feiten zoals naar voren gebracht in het requisitoir van het OM
Eind juni 2006 komt het schip de Probo Koala naar Amsterdam en wil afval afgeven. Het betreft afval van een chemisch proces. Dit proces is aan boord uitgevoerd in opdracht van de bevrachter Trafigura. Afvalbedrijf Amsterdam Port Services (APS) wordt benaderd om de afvalstoffen aan af te geven. Trafigura en APS worden het eens en in de eerste week van juli arriveert de Probo Koala in Amsterdam. Dan blijkt dat Trafigura meer afvalstoffen wil afgeven dan was afgesproken. De Main VII, het inzamelschip van APS, neemt de afgesproken hoeveelheid afvalstoffen in. De afvalstoffen worden echter niet gelost want het zijn andere afvalstoffen dan APS had verwacht. Ze stinken en zijn enorm vies. De afvalstoffen gaan niet van boord maar de Main VII lost wel andere afvalstoffen op de installatie. Kort daarna wordt de afvalwaterzuivering bij APS opgestart. Dit leidt tot stankoverlast en de politie en milieudienst nemen dit in onderzoek. De afvalstoffen van de Probo Koala lijken de oorzaak te zijn. APS wil de afvalstoffen teruggeven aan Trafigura maar politie en milieudienst verbieden dit te retourneren. De toenmalige directeur van APS heeft nader overleg met de milieudienst en die stemt in met de het terugpompen van de afvalstoffen aan de Probo Koala. Na het terugontvangen van de afvalstoffen vertrekt de Probo Koala, naar uiteindelijk Ivoorkust.
Rol van de verdachten
Trafigura wordt verdacht van valsheid in geschrifte, het medeplegen van opzettelijk illegaal uitvoeren van afval naar Ivoorkust en het verzwijgen van het schadelijke karakter van de afvalstoffen bij aflevering aan APS. Volgens de officieren heeft Trafigura op schromelijke wijze haar plichten verzaakt en regels overtreden ten voordele van de eigen portemonnee. Tegen Trafigura is een geldboete van €2.000.000 geëist.
De medewerker van Trafigura wordt verdacht van het feitelijk leidinggeven aan dan wel het medeplegen van de verzwijging van het schadelijke karakter van de afvalstoffen en valsheid in geschrifte. Deze medewerker had de kennis en de kunde om instanties en autoriteiten te informeren over het schadelijke karakter van het afval, maar heeft dit niet gedaan. De officieren hebben tegen hem een gevangenisstraf geëist van 12 maanden.
De kapitein van de Probo Koala wordt verdacht van het medeplegen van het verzwijgen van het schadelijke karakter van de afvalstoffen en valsheid in geschrifte. De kapitein wist alles van het chemische proces aan boord en gaf zijn bemanning opdrachten tot uitvoeren van dat proces terwijl hij nagelaten heeft om de autoriteiten en APS van de juiste informatie te voorzien. De kapitein hoorde een gevangenisstraf van 4 maanden tegen zich eisen.
De gemeente Amsterdam wordt verweten afvalstoffen te hebben afgegeven aan een niet erkende inzamelaar, dan wel medeplichtig te zijn aan dit afgeven van de afvalstoffen aan APS. De officieren van justitie vinden dat de gemeente milieuregels moet handhaven, vooral als het gaat om gevaarlijk afval is adequaat optreden vereist. Tegen de gemeente Amsterdam is een geldboete van €150.000 geëist.
APS wordt verdacht van het afgeven van afvalstoffen aan een niet erkende inzamelaar en het onzorgvuldig bewerken van afvalstoffen in de installatie van APS. De voormalig directeur wordt verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan de genoemde handelingen van APS. Het inzamelen en verwerken van gevaarlijk afval is aan APS toevertrouwd. De officieren vinden dat dit vertouwen op ernstige wijze is beschaamd. Tegen APS is een geldboete van 250.000 euro geëist en tegen de toenmalige directeur van APS een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.
Regels gevaarlijk afval
Wereldwijd gelden regels over gevaarlijk afval. Deze regels moeten worden nageleefd en dat is in deze zaak niet gebeurd. Er zijn grote risico’s genomen voor milieu en de volksgezondheid vanwege financieel gewin. Door de verdachten is niet gedacht aan het welzijn van andere mensen en aan de gevolgen voor het milieu. Het Functioneel Parket treedt op omdat die belangen geschonden zijn.
Bron:www.om.nl
Advies over afschaffing verbod op godslastering
De vraag of een verbod op godslastering moet of kan voortbestaan, wordt niet beslist door harde grondrechtelijke grenzen. Dat concludeert de Raad van State in zijn advies van 26 januari 2010 over het wetsvoorstel van de Kamerleden Van der Ham, De Wit en Teeven, waarin wordt voorgesteld het verbod op te heffen. De vrijheid van meningsuiting en het gelijkheidsbeginsel verplichten niet tot afschaffing van het verbod op godslastering, maar de vrijheid van godsdienst staat aan afschaffing ook niet in de weg. De Kamerleden hebben het advies van de Raad van State op 15 juni 2010 openbaar gemaakt.
Om het voorstel tot schrapping van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht goed te kunnen beoordelen, heeft de Raad ook de wetsgeschiedenis van de introductie van het verbod op godslastering in 1931 onder de loep genomen. Het voorstel werd destijds nadrukkelijk mede gemotiveerd door angst voor openbare-ordeverstoringen, maar de toelichting plaatste het voorstel ook in de context van de vrijheid van godsdienst. Het recht op vrijheid van godsdienst betekent ook dat de overheid verplicht is tot op zekere hoogte te waarborgen dat mensen die vrijheid ook kunnen uitoefenen. Dat is vastgelegd in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Door de afschaffing van het verbod op godslastering uitsluitend vanuit de vrijheid van meningsuiting te benaderen, doen de indieners naar het oordeel van de Raad onvoldoende recht aan de gelijkwaardige plaats die de vrijheid van godsdienst naast de vrijheid van meningsuiting inneemt in de Grondwet en de mensenrechtenverdragen. Ook is de Raad van mening dat de indieners van het wetsvoorstel bij het benadrukken van het belang van de vrijheid van meningsuiting de nodige aandacht moeten besteden aan het feit dat beperking van deze vrijheid in bepaalde gevallen gerechtvaardigd kan zijn.
Uitgangspunt voor de Raad is dat een verbodsbepaling die een beperking van de vrijheid van meningsuiting inhoudt, alleen moet worden gehandhaafd, als daarvoor een dringende maatschappelijke behoefte bestaat. Bij de beoordeling van het voorstel tot afschaffing van het verbod op godslastering moeten dan ook naast de beperking op de vrijheid van meningsuiting waartoe het verbod leidt, mogelijke maatschappelijke gevolgen van afschaffing worden betrokken. Zo vraagt de Raad aandacht voor de positie van religieuze minderheden. De bescherming van minderheden ten opzichte van meerderheden vormt een belangrijk grondrechtelijk en democratisch beginsel. De bescherming van religieuze minderheden in hun godsdienstige gevoelens kan een argument vormen voor de handhaving van het verbod op godslastering. Afschaffing van het verbod zou immers kunnen worden opgevat als een negatief signaal ten aanzien van die bescherming. Ook valt niet uit te sluiten dat de discussie en emoties die afschaffing van het verbod op dit moment zouden kunnen oproepen en de daaruit mogelijk voortvloeiende spanningen, een voldoende dringende maatschappelijke behoefte kunnen vormen om van afschaffing af te zien.
De Raad onderkent anderzijds dat de tekst en opzet van de artikelen 137c tot en met 137f van het Wetboek van Strafrecht (verbod op belediging en aanzetten tot haat, discriminatie of geweld wegens godsdienst of levensovertuiging) beter aansluiten bij het doel kwetsbare groepen te beschermen tegen aanvallen op hun geloof, dan de tekst en opzet van artikel 147 (verbod op godslastering). Daarbij geldt echter wel de beperking dat het verbod op belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst (artikel 137c) geen bescherming biedt tegen belediging van een religie of tegen religieuze symbolen als zodanig, gezien de uitleg die de Hoge Raad aan artikel 137c heeft gegeven. Het is een factor die naar de mening van de Raad aandacht verdient bij de beslissing over afschaffing van artikel 147 en het eventueel zoeken naar alternatieven.
De Raad adviseert de indieners de afweging die aan het voorstel tot afschaffing van het godslasteringverbod ten grondslag is gelegd, binnen de in het advies geschetste bredere context te plaatsen.
Het wetsvoorstel waarover de Raad advies uitbracht is een initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Van der Ham, De Wit en Teeven. De Raad van State neemt in zijn adviezen over initiatiefwetsvoorstellen geen dictum, of eindoordeel, op. De reden hiervan is dat advisering van de Raad over een initiatiefvoorstel plaatsvindt in een vroege fase van het wetgevingsproces, waarop nog geen andere politieke beslissing is genomen dan van de initiatiefnemer(s). Het opnemen van een dictum in dat stadium zou de schijn kunnen wekken dat de Raad zich voorafgaand aan de politieke weging door de Tweede Kamer reeds uitspreekt.
Klik hiervoor de tekst van het volledige advies onder nummer W03.09.0473/II.
Bron:www.raadvanstate.nl
Wetsvoorstel forensische zorg ingediend bij Tweede Kamer
Minister Hirsch Ballin heeft dinsdag 8 juni jl. een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarmee voorkomen kan worden dat mensen met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking in een justitiële inrichting terecht komen, terwijl zij daar eigenlijk niet thuishoren.
Goede zorg - als onderdeel van de straf - kan voorkomen dat gedetineerden na hun straf opnieuw de fout in gaan. Het wetsvoorstel maakt het voor officieren van justitie en rechters mogelijk om iemand sneller geestelijke zorg te bieden. In elke fase van het strafrechtelijk traject kan worden gekozen voor behandeling in de geestelijke gezondheidszorg.
Vooral in het gevangeniswezen worden steeds meer mensen opgenomen met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking. Er zijn daar echter beperkte mogelijkheden om hen te behandelen. Als behandeling wel mogelijk is, kan deze vaak niet worden afgemaakt. Na afloop van de gevangenisstraf verloopt plaatsing van gedetineerden in een instelling van geestelijke gezondheidszorg namelijk niet altijd zonder problemen. Directe terugkeer kan ertoe leiden dat ex-gedetineerden snel terugvallen in hun oude gedrag en daarmee tot herhalingscriminaliteit (recidive).
Het nieuwe wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg vervangt de huidige Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen.
Forensische zorg
Forensische zorg wordt opgelegd aan mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd en die lijden aan een (psychische) stoornis. TBS is hiervan het bekendste voorbeeld. De zorg is bedoeld om de maatschappelijke veiligheid te verbeteren. Justitie zorgt ervoor dat de zorg die nodig is daadwerkelijk beschikbaar is. De Directie Forensische zorg van de Dienst Justitiële Inrichtingen koopt de zorg rechtstreeks in bij aanbieders. Met een uniforme methode wordt bepaald welke zorg en plaatsing nodig is.
Evaluatie nieuwe werkwijze op basis van het landelijk kader forensische diagnostiek jeugd
Onlangs is een WODC-rapport gepubliceerd over een nieuwe werkwijze op basis van het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek Jeugd. Forensische diagnostiek is diagnostiek ten behoeve van een justitiële beslissing, waarvan de uitkomst op de een of andere manier ter toetsing van een rechterlijke instantie kan komen. Forensische diagnostiek kan psychologisch en/of psychiatrisch van aard zijn. Bij minderjarigen kan forensische diagnostiek zowel ten behoeve van een strafrechtelijk als een civielrechtelijk verzoek plaatsvinden.
Centrale vraagstelling
In de periode 2003-2005 is gefaseerd het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek Jeugd (FDJ) ingevoerd. Het Landelijk Kader is opgesteld naar aanleiding van klachten in het veld over de kwaliteit van forensische diagnostiek in het jeugddomein. Met de invoering werd beoogd de doelmatigheid van de aanvragen van het forensische onderzoek te vergroten, de doorlooptijden van het forensische onderzoek te verkorten en de kwaliteit van de diagnostische rapportages te verhogen. Om deze doelen te bereiken zijn in het Landelijk Kader de taken en verantwoordelijkheden van de ketenpartners expliciet vastgelegd. Bovendien zijn formats en handreikingen ontwikkeld die dienstbaar zijn aan de benoemde taken.
Binnen het Landelijk Kader wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen forensische diagnostiek in het strafrechtelijke en in het civielrechtelijk domein. Het Landelijk Kader is in het strafrechtelijke domein verplicht van toepassing voor alle ketenpartners. In het civielrechtelijke domein is het Landelijk Kader verplicht voor de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de zittende magistratuur (ZM) en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Deelname aan het Landelijk Kader door Bureau Jeugdzorg (BJZ) geschiedt, daar waar het de gezinsvoogdij betreft, op vrijwillige basis.
De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt:
In welke mate en op welke wijze werken betrokken partijen met de nieuwe werkwijze van het Landelijk Kader FDJ, welke knelpunten doen zich daarbij voor en hoe verhoudt zich dit tot de in het verleden geconstateerde problemen?
Uitkomsten
Uit de evaluatie blijkt dat zowel in het strafrechtelijke als in het civielrechtelijke domein geen uniforme uitvoering wordt gegeven aan het Landelijk Kader. De taakverdeling tussen de ketenpartners krijgt per arrondissement verschillend invulling. Ook loopt het gebruik uiteen van de wegingsinstrumenten en formats uit het Landelijk Kader.
Uit de evaluatie blijkt verder dat de doelen van het Landelijk Kader slechts ten dele zijn bereikt. In het strafrechtelijke domein is de formele kwaliteit van de rapportages toegenomen. De tijdigheid is echter nauwelijks verbeterd, terwijl de manier waarop de noodzaak tot het doen van forensisch onderzoek wordt vastgesteld ook nu nog geen garantie biedt voor een doelmatige aanvraag van het onderzoek pro justitia.
De situatie in het civielrechtelijke domein verschilt enigszins van het strafrechtelijke domein. De kwaliteit van de forensische rapportages werd voor invoering van het Landelijk Kader gemiddeld genomen reeds goed bevonden en ook na invoering wordt over de kwaliteit positief geoordeeld. De doelmatigheid in het civielrechtelijke domein is toegenomen in de zin dat tegenwoordig geen onderzoeken meer worden uitgevoerd die (uitsluitend) behandelvragen beantwoorden. Tevens wordt minder dan in het verleden onderzoek aangevraagd vanuit handelingsverlegenheid. De manier waarop de noodzaak tot het doen van forensisch onderzoek wordt bepaald is echter, net als in het strafrechtelijke domein, nog steeds niet uniform. Ook de tijdigheid van rapportages is nauwelijks verbeterd. Op grond van voorafgaande kan worden geconcludeerd dat de problemen die de aanleiding vormden voor de invoering van het Landelijk Kader grotendeels zijn blijven bestaan.
Minister Hirsch Ballin wil versterking cassatierechtspraak
Minister Hirsch Ballin heeft een conceptwetsvoorstel versterking cassatierechtspraak openbaar gemaakt. Daarin wordt onder meer voorgesteld om kwaliteitseisen in te voeren voor advocaten die bij de Hoge Raad procederen in bepaalde zaken.
Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat de Hoge Raad zich beter kan concentreren op zijn kerntaken als hoogste nationale rechter in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken.
Het aantal zaken dat bij de Hoge Raad ter cassatie wordt voorgelegd, groeit. De kwaliteit van cassatieberoepen blijft soms achter. Ook is er sprake van beroepen die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie of die niet voldoen aan de wettelijk gestelde eisen. Daardoor staat de uitvoering van de kerntaken van de Hoge Raad onder druk.
Er wordt daarom voorgesteld om kwaliteitseisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad. Dit moet ertoe leiden dat aan de Hoge Raad alleen kwalitatief goed voorbereide zaken worden voorgelegd. Kansloze zaken worden er door de advocatuur zelf uitgezeefd. Aan de Nederlandse orde van advocaten wordt in de Advocatenwet opdracht gegeven om regels te maken over onder meer de eisen van vakbekwaamheid aan advocaten die willen procederen bij de Hoge Raad. Deze eisen zullen gelden voor alle in Nederland ingeschreven advocaten, ongeacht de plaats waar zij kantoor houden. Met dit wetsvoorstel vervalt het systeem dat in civiele zaken uitsluitend advocaten in het arrondissement Den Haag mogen procederen bij de Hoge Raad.
Ten tweede wordt voor de Hoge Raad de mogelijkheid geïntroduceerd om een cassatieberoep sneller aan het begin van de procedure af te doen en zich te beperken tot het oordeel dat een zaak niet tot cassatie kan leiden en niet noodzaakt tot het beantwoorden van vragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.
Alle zaken, waarin al bij het begin van de procedure kan worden vastgesteld dat het cassatieberoep geen kans van slagen heeft, of van een te gering belang is om een nieuwe behandeling in cassatie te rechtvaardigen, kunnen door de Hoge Raad zo spoedig mogelijk na binnenkomst worden afgedaan.
Het voorgestelde selectiemechanisme bij de Hoge Raad brengt met zich mee dat partijen, in zaken waarin de Hoge Raad een niet-ontvankelijkheid uitspreekt, veel sneller dan nu en tegen veel lagere kosten een einduitspraak in hun geschil hebben. Ook kan een partij zijn wederpartij in een cassatie-technisch kansloze zaak niet langer op hoge kosten jagen door tegen beter weten in te blijven procederen.
Het voorontwerp is beschikbaar via www.internetconsultatie.nl. Van 1 juni tot 1 juli 2010 kan commentaar worden gegeven op het conceptwetsvoorstel.
Meer informatie
Minister Hirsch Ballin wil versterking cassatierechtspraak
Bron:www.justitie.nl
Tbs'er niet teruggekeerd van verlof
Nijmegen, 31 mei. De Groep Opsporing Onttrekkingen van het Korps Landelijke Politiediensten speurt sinds vrijdagmiddag naar een dertigjarige tbs'er uit de Pompekliniek in Nijmegen. Dat heeft een woordvoerder van het Openbaar Ministerie (OM) vandaag bevestigd.
De man ging vrijdagmorgen met onbegeleid verlof om naar zijn werk te gaan. ‘s Middags keerde hij niet terug, aldus het OM.
De tbs'er is nog niet opgespoord. Hij is veroordeeld voor een geweldsdelict.
bron: www.nrc.nl
Rechtbank 's-Hertogenbosch start experiment avondopenstelling
De rechtbank 's-Hertogenbosch start donderdag 27 mei a.s. bij wijze van proef met een avondopenstelling. Op die avond worden van 19.00 uur tot 21.30 uur in het paleis van justitie tien politierechterzaken afgehandeld.
Volgens president Huub Snijders past de avondopenstelling bij het streven van de rechtbank om meer te luisteren naar de wensen in de samenleving en de dienstverlening te verbeteren. "Het hoort ook echt in deze tijd. Toen ik een nieuw paspoort nodig had, was ik blij dat ik daarvoor 's avonds bij de gemeente terecht kon. Anders had ik voor zo'n klusje meteen een halve dag moeten vrij nemen." Snijders verwacht dat rechtzoekenden interesse hebben in het experiment. "Mensen moeten bijvoorbeeld bij een omgangsregeling in hun zaak soms vijfmaal naar de rechtbank. Als je dan elke keer vrij moet nemen van je werk, dan hakt dat er wel in."
De avondopenstelling is mogelijk dankzij de vrijwillige inzet van medewerkers, maar ook dankzij de bereidheid bij advocatuur en het openbaar ministerie. "Daar valt of staat het natuurlijk mee. Ik ben dan ook erg blij dat iedereen dit experiment met ons aangaat."
Het plan is in september en oktober nog enkele avondzittingen te houden en dan ook met civiele en/of bestuursrechtelijke zaken. Daarna wordt de balans opgemaakt.
Bron: Rechtbank 's-Hertogenbosch
Bijna twee miljoen rechtszaken in 2009
Rechters in Nederland behandelden vorig jaar bijna twee miljoen rechtszaken, zo blijkt uit het vandaag gepubliceerde jaarverslag van de Rechtspraak. Dat aantal betekent een stijging van 76 procent ten opzichte van 1999.
Het aantal ingediende zaken groeide vorig jaar met 7 procent tot 1.963.000. De sterkste groei vond plaats in de jaren 2000 tot 2004 en ná 2007. De grootste toename is over de gehele periode te zien bij de sectoren kanton en civiel recht, en betreft zowel handels- als familiezaken. Het aantal hogerberoepszaken nam sinds 1999 flink toe, zowel bij de sector strafrecht als civiel recht. De categorieën strafzaken in eerste aanleg, vreemdelingenzaken en algemene bestuurszaken bleven stabiel.
De perioden van snelste groei van het aantal zaken vallen ruwweg samen met perioden van economische teruggang. Dit is geen toeval; economische ontwikkeling speelt een belangrijke rol bij het beroep op de rechter. In tijden van recessie neemt het aantal zaken rond incasso, faillissement, arbeid en uitkeringen toe. Los daarvan is bij veel zaakstypen een stijgende trend waarneembaar.
Personeel
Het aantal medewerkers in de Rechtspraak steeg de afgelopen tien jaar minder snel dan het aantal zaken. Eind 1999 waren er ongeveer 1650 rechters. Tien jaar later zijn dat er ruim 2400. De Rechtspraak had vorig jaar in totaal bijna 10.000 mensen in dienst. De totale personeelsomvang (fte) is in de periode 1999-2009 met 46 procent gegroeid.
Kosten
In tien jaar tijd zijn de kosten voor Rechtspraak met 47 procent gestegen (na inflatiecorrectie). De Raad voor de rechtspraak had in 2009 een budget van € 926 miljoen. De Raad verdeelt dit geld over de rechtbanken, de gerechtshoven, de appelcolleges en ondersteunende diensten.
Bron: www.rechtspraak .nl
Datum actualiteit: 20 mei 2010
Antikraakwet roept weer veel vragen op
De antikraakwet die vorig jaar op het nippertje door de Tweede Kamer werd aangenomen, riep dinsdag in de Eerste Kamer ook weer veel vragen op. Alleen het CDA en de VVD zien de nieuwe wet echt zitten, maar het intitiatiefvoorstel werd dan ook ingediend door leden van hun partijen plus de ChristenUnie.
De andere partijen in de senaat hebben nog veel te veel vragen. Zelfs de ChristenUnie, die het voorstel in de senaat aan een meerderheid kan helpen, wil toch minstens eerst nog even weten wat er met 'schrijnende gevallen' in de kraakpanden gebeurt. De SP stelde dat ,,wij in Nederland minder last van kraken hebben dan in landen waar het verboden is''. De PvdA noemde het voorstel ''onnodig, onlogisch en overstandig''. Een beslissing is tegen middernacht te verwachten. De PVV hielp het kraakverbod in de Tweede Kamer aan een meerderheid, nadat de indieners met de verhoogde maximale straf van een jaar wegens kraken kwamen, in plaats van de voorgenomen vier maanden. Ze verdubbelden tevens de straf voor huisvredebreuk naar een jaar. De straf voor kraken met intimidatie of geweld werd verdubbeld tot maximaal twee jaar. Wanneer krakers als groep opereren én geweld gebruiken, kan de celstraf volgens de indieners oplopen tot twee jaar en acht maanden. Ook kunnen krakers worden aangehouden als ze niet op heterdaad zijn betrapt.
Bron:tweedekanmer
Datum publicatie: 18 mei 2010
Column Mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, De macht van het recht
Titel 1 van boek 1 van het Wetboek van Strafrechtdoet vermoeden dat het Nederland ernst
is met het handhaven van de rechtsorde in de wereld. Series bepalingen om zeker te stellen
dat Nederland mag en kan berechten; als in het geval van niet in Nederland gepleegde misdrijven
Nederlanders in het spel zijn en ook als er sprake is van misdrijven met een internationaal
belang. Meestal is sprake van enige link met Nederland ofwel de voorwaarde dat een meer
aangewezen land de berechting laat lopen dan wel de betrokkene daarnaar niet uitgeleverd kan worden. Enige terughoudendheid ligt bepaald in de rede.
De gedachte dat normaal gesproken ‘de meest gerede staat’ vervolgt is voor de hand liggend. Wellicht is dat het land waaraan het misdrijf, de bedrijvers of de slachtoffers het duidelijkst zijn gelieerd, of een land in de directe omgeving.
Het is eigenlijk merkwaardig dat we daarover internationaal geen beter toepasbare spelregels hebben afgesproken, waarbij met name wordt voorkomen dat geen enkel land zich verantwoordelijk
acht. Het Internationaal Strafhof is in dit opzicht nog maar een heel beperkt begin.
Twee soorten misdrijven kunnen vrijwel zonder enige wettelijke beperking in Nederland worden vervolgd. Dat betreft de diverse vormen van valsemunterij, piraterij in de internationale luchtvaart en wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de zeevaart.
Een Rus die in Mali vervaardigde valse Amerikaanse dollars uitgeeft in Argentinië kan, op Schiphol aangehouden in zijn vluchtpoging naar IJsland, in Nederland voor enige vorm van valsemunterij worden berecht. Het Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij uit 1929 was een initiatief van de westerse landen. Toen was men met name beducht voor deuken in het kapitalistische systeem, namelijk in de positie van gegoede burgers. Inmiddels zijn het internationaal monetaire systeem en de financiële verwevenheid van burgers en staten over de gehele wereld zo belangrijk dat grote financiële verstoringen dramatische effecten kunnen hebben die destijds nog nauwelijks konden
worden voorzien. De recente kredietcrisis laat zien dat dit soort gebeurtenissen niet beperkt
zijn tot vormen van valsemunterij. In verband daarmee zou het meer dan voor de hand liggen dat universele rechtsmacht zou worden gecreëerd ten aanzien van te vestigen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor een aantal volstrekt onverantwoordelijke gedragingen van particuliere financiële instellingen. Het zelfde geldt met betrekking tot cybercrime, een vorm van misdaad die in omvang en voor wat betreft de te beschermen belangen vrijwel alle vormen van wereldwijde misdaad naar de kroon steekt. Een wereldwijd verdrag met universele rechtsmacht
ter zake van de opgenomen delicten ter vervanging van het huidige Europese verdrag waarbij
overigens ook de Verenigde Staten van Amerika zijn aangesloten zou op zijn plaats zijn. Tijd voor
initiatieven van Nederland?
Voor de veiligheid in de lucht en op zee geldt mutatis mutandis het zelfde. Transport en verkeer in de lucht en over zee zijn in de huidige wereld cruciaal.
Handhaving daarvan heeft vast een generaalpreventieve werking. Het mag niet zo zijn dat lucht- of zeepiraten (en/of terroristen) door gaten in de rechtsmacht vrijuit gaan. En natuurlijk ligt ook daar voor de hand dat de meest gerede staat vervolgt.
Van een (klein) land (als Nederland) mag niet worden verwacht dat het de politieagent van de wereld uithangt. Tegelijk geldt echter dat een ‘minder gerede partij’ zijn verantwoordelijkheid dient te nemen als er geen ‘meest gerede
partij’ tot vervolging bereid blijkt. Maar ja, de betrekkelijkheid der dingen. We hebben onlangs moeten ervaren dat verdragen, de Nederlandse wettelijke regelingen en alle hiervoor geformuleerde uitgangspunten en overwegingen grauwe theorie worden als het eigenbelang ons bij de strot grijpt.
Kijk even mee.
Zeepiraterij door Somalische rovers en afpersers. Op een voor de zeevaart als zenuwcentrum aan
te duiden plaats. Veel landen, waaronder Nederland, die er last van hebben en er is al een aantal dodelijke slachtoffers te betreuren. Nederland behoort tot de landen die in het betrokken gedeelte van de internationale zee patrouilleren
om de rechtsorde te handhaven. Vangen we een aantal piraten ‘in flagrante delicto’. Pogen we ze te vergeefs ter berechting te slijten aan enkele landen in de regio. Constateren we dat de toestand in Somalië zo problematisch is dat
het risico bestaat dat ze na berechting om humanitaire redenen in Nederland willen blijven. Laten we ze los omdat we er onze vingers niet aan willen branden.
Rechtsonmacht!
Mr. T.J.P. van Os van den Abeelen is bestuursrechter
in Amsterdam
Sharia in Nederland
Onlangs is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie en het ministerie van VROM/WWI een studie verschenen over islamitische advisering en geschilbeslechting bij moslims in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van Kamerleden, om onderzoek te laten verrichten naar het mogelijk bestaan van shariarechtbanken in Nederland en is uitgevoerd door een multidisciplinair onderzoeksteam van de Radboud Universiteit Nijmegen. De studie heeft als doel te komen tot een inventarisatie van de aard en omvang van geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland.
Hoofdvragen
De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Komt geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland voor, in welke mate en met betrekking tot welke geschillen?
Deze vraag is onderverdeeld in drie clusters van deelvragen die zich respectievelijk richten op
1. de aard van het aanbod van geschilbeslechting en advisering op basis van sharia,
2. het feitelijke karakter van dergelijke geschilbeslechting en advisering en
3. de plaats die geschilbeslechting en advisering op basis van sharia volgens betrokkenen innemen in de Nederlandse samenleving.
Er is voor gekozen om het concept van ‘geschilbeslechting’ in de context van sharia niet gelijk te stellen aan rechtspraak. De term rechtspraak impliceert namelijk de autoriteit van een rechtbank, een officieel, door de overheid erkend en geëerbiedigd instituut. Het Nederlandse rechtsstelsel kent geen ‘shariarechtbanken’ of ‘shariarechtspraak’. Gebruik van deze termen zou ten onrechte officiële autoriteit kunnen suggereren, maar ook impliceren dat gebruikers van een op deze wijze aangeduid instituut er de autoriteit van een rechtbank aan toeschrijven, wat juist niet van tevoren vaststond.
Algemene conclusies
Uit het onderzoek blijkt dat er zeker sprake is van advisering en geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland, maar dat daarbij veelal sprake is van het gezamenlijk zoeken naar de beste oplossing onder de gegeven omstandigheden. Sharia wordt toegepast om de validiteit van de gevonden oplossing te toetsen. Voor bijna alle respondenten is sharia in Nederland niet hetzelfde als sharia in bijvoorbeeld Pakistan of Marokko. Zij leven in een westerse democratie en dienen zich, of zij de wetten van de staat nu onderschrijven of niet, naar deze wetten te voegen. Iedere moslim dient voor zichzelf een modus vivendi te vinden aangaande het leven volgens islamitische regels in een niet‐islamitisch land. We menen dan ook dat de oorspronkelijk als uitgangspunt gehanteerde definitie van sharia als ‘recht van de islam’ voor dat wat de Nederlandse moslims beleven, teveel de nadruk legt op de term ‘recht’. Een definitie van sharia als ‘islamitische normen en waarden’ is passender.
De onderzoekers hebben geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een ‘shariarechtbank’ in Nederland. De etnische diversiteit onder moslimgroepen in Nederland maakt het ook niet aannemelijk dat een dergelijk orgaan in enigerlei mate overkoepelend zou kunnen zijn zonder dat verschillende interpretaties of wellicht zelfs concurrentie de autoriteit van het instituut aan twijfel onderhevig zouden maken. De Nederlandse praktijk lijkt dan ook niet op de arbitrage die in Groot‐Brittannië plaatsheeft en waar opvolging van een besluit van het Muslim Arbitration Tribunal in principe bij de rechtbank kan worden afgedwongen. De praktijk van geschilbeslechting op basis van sharia in Nederland heeft niet het karakter van arbitrage, de Nederlandse wet staat immers geen arbitrage toe voor de (familierechtelijke) onderwerpen waarop naar de mededeling van de respondenten geschilbeslechting wordt toegepast. Als er een vergelijking met een juridische vorm kan worden gemaakt, komt mediation nog het meest in de buurt. Partijen zoeken onder leiding van een actieve deskundige en met inachtneming van de geldende rechtsregels naar een voor alle partijen acceptabele oplossing. Het is belangrijk dat deze oplossing ook daadwerkelijk acceptabel voor partijen is, omdat naleving niet wettelijk kan worden afgedwongen. Sociale druk is dan weliswaar een alternatief voor wettelijke of rechterlijke pressie, maar als druk tot onderdrukking leidt, vindt de onderdrukte de wet aan zijn kant. De onderzoekers menen dan ook dat er niet zozeer sprake is van geschilbeslechting op basis van sharia, maar veeleer van geschilbemiddeling.
Bron: www.wodc.nl
Landelijk officier van justitie transportcriminaliteit aangesteld
Het College van procureurs-generaal heeft een landelijk officier van justitie aangesteld om de bestrijding van transportcriminaliteit te coördineren.
Onder transportcriminaliteit valt bijvoorbeeld ladingdiefstal of de diefstal van complete voertuigen of delen daarvan. De landelijke coördinerend officier is de centrale functionaris voor het onderwerp transportcriminaliteit voor het OM, de politie, de transportsector en de verzekeraars. De officier van justitie is per 1 mei 2010 voor de duur van twee jaar aangesteld.
Hij zal een bijdrage leveren aan het inhoudelijk aansturen van de opsporing en het strafrechtelijk vervolgen van verdachten van transportcriminaliteit. Behalve dat de officier de bestrijding van de transportcriminaliteit zal coördineren, zal hij zelf zaken doen en zal hij collega’s in het land ondersteunen. In zijn functie als landelijk officier zal hij overleg voeren met vertegenwoordigers van politie, opsporingsdiensten, bestuurlijke organisaties en brancheorganisaties.
De officier, mr. O.J. Beckers, is gepositioneerd bij het stafbureau van de Bovenregionale Recherche en IRC in Den Bosch en wordt functioneel aangestuurd door de hoofdofficier van parket ’s Hertogenbosch.
Bron:www.om.nl
Hoe goed kent u het Advocatenblad?
Weet u inderdaad alles? Bent u volledig op de hoogte van alle belangrijke ontwikkelingen van het afgelopen jaar die in het Advocatenblad zijn behandeld of loopt u eigenlijk achter?
...doe mee met de Advocaten(blad)Quiz! Laat zien wat u waard bent en maak kans op een advertentiepakket naar keuze ter waarde van € 5.000,-.
>> Start direct met de Quiz
Wat is de Advocaten(blad)Quiz?
De Advocaten(blad)Quiz is een online game, waarmee u uw kennis over het Advocatenblad kunt meten met kantoor- en vakgenoten. De Advocaten(blad)Quiz stelt u 10 vragen en laat direct uw score zien.
>> Meer informatie over de Quiz
Hoe werkt de Quiz?
U kunt meteen de quiz starten. Om uw score te weten, kans te maken op de prijzen en een uitnodiging te krijgen voor volgende juridische quizzen, dient u zich te registeren met uw naam en e-mailadres.
>> Spelregels
Nieuwsgierig naar de advertentiemogelijkheden?
Ga naar Bereikdejurist.nl.
Veel plezier met de Advocaten(blad)Quiz!
Vrijspraak voor Lucia de B
Het gerechtshof te Arnhem heeft vandaag in herziening Lucia de B. vrijgesproken van de zeven moorden en drie pogingen tot moord, waarvoor zij eerder tot een levenslange gevangenisstraf was veroordeeld.
De Hoge Raad heeft op 7 oktober 2008 de aanvraag tot herziening van de bewezenverklaring van de tien levensdelicten door het gerechtshof te ’s-Gravenhage op 18 juni 2004 en de strafoplegging gegrond verklaard.
Dat oordeel is gebaseerd op de resultaten van een door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. Knigge, bevolen onderzoek door deskundigen naar het overlijden van een baby op 4 september 2001, dat destijds aanleiding heeft gegeven tot het strafrechtelijk onderzoek. Er zou sprake kunnen zijn van een natuurlijk overlijden en op nog een tweetal punten zou twijfel zijn over de bewezenverklaring. Lucia de B. is op 2 april 2008 in afwachting van de herzieningsprocedure in vrijheid gesteld.
In de herzieningsprocedure bij het gerechtshof te Arnhem is door deskundigen nader onderzoek verricht naar het overlijden en de levensbedreigende incidenten ten aanzien van drie patiëntjes.
Volgens het hof kan op basis van de deskundigenberichten niet volgehouden worden dat de baby op 4 september 2001 door een misdrijf om het leven is gekomen. Nog minder is aannemelijk dat het overlijden aan verdachtes opzet te wijten zou zijn.
Omtrent het overlijden van een bejaarde mevrouw op 27 november 1997 overweegt het hof dat volstrekt onvoldoende aanleiding bestaat voor de gedachte, dat dit overlijden niet een natuurlijke oorzaak zou hebben. De enkele vondst van een, voor verschillende uitleg vatbare, dagboekaantekening maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.
Ten aanzien van de overige overlijdensgevallen en levensbedreigende incidenten is het hof van oordeel dat uit het opsporingsonderzoek geen feiten en omstandigheden zijn gebleken, die grond kunnen geven voor de gedachte aan een onnatuurlijke of zelfs criminele oorzaak.
De herziening had geen betrekking op enkele andere delicten (diefstal, verduistering, meineed, valsheid in geschrift). Het hof heeft bepaald dat hiervoor geen straf wordt opgelegd.
LJ Nummer : BM0876
Bron: Gerechtshof Arnhem (www.rechtspraak.nl)
Datum actualiteit: 14 april 2010
De inhoud van de artikelen 50 lid 2 en 50a Sv
Artikel 50 lid 2 Sv geeft het Openbaar Ministerie of de rechter-commissaris de mogelijkheid het vrije verkeer tussen raadsman en cliënt geheel of gedeeltelijk te beperken wanneer sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer: 1) ertoe zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven; en/of 2) wordt misbruikt om de opsporing van de waarheid te belemmeren. Het bevel kan worden gegeven voor maximaal zes dagen, maar het kan worden verlengd. Een ernstig vermoeden is méér dan een redelijk vermoeden. Ik vertaal dit als vrijwel gelijk aan ernstige bezwaren. Dit ernstige vermoeden moet blijken uit concrete omstandigheden. Artikel 50 lid 3 Sv schrijft voor dat de bevelgevende magistraat het bevel onverwijld onderwerpt aan het oordeel van de rechtbank (raadkamer). De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk na de raadsman te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen. Om niet in strijd te komen met het recht op rechtsbijstand, onder andere in het EVRM gegarandeerd, schrijft artikel 50a Sv voor dat de rechtbank onverwijld tijdelijk een andere raadsman toevoegt in afwachting van de beslissing van de raadkamer. Dit artikel is overigens pas op 1 februari 2000 in werking getreden.
Dit is de eerste paragraaf uit de lezing van Lian Mannheims uit de lezingenreeks van de NVSA. Lees hier verder >>
Gefaseerde invoering Wet OM-afdoening
Op 1 april 2010 treden een aantal aanwijzingen en richtlijnen voor strafvordering, afkomstig van het College van procureurs-generaal, in werking; deze zogenoemde OM-beleidsregels zijn alle aangepast aan de Wet OM-afdoening, die gefaseerd in werking treedt.
Achtergrond OM-afdoening
Met ingang van 1 februari 2008 is de Wet OM-afdoening in het Wetboek van Strafvordering ingevoerd. Op grond van deze wet kan het OM misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen zelf bestraffen door het uitvaardigen van een strafbeschikking. Naast het OM kunnen ook (buitengewoon) opsporingsambtenaren en lichamen of personen met een publieke taak belast of het bestuur van de Belastingdienst of de inspecteur van de Belastingdienst strafbeschikkingen uitvaardigen.
De Wet OM-afdoening wordt gefaseerd ingevoerd. Sinds 1 februari 2008 worden strafbeschikkingen uitgevaardigd voor overtredingen van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) waarvoor bij strafbeschikking alleen geldboetes en/of (vanaf februari 2009) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) worden opgelegd.
Begin 2009 zijn de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht gestart met de eerste fase van de bestuurlijke strafbeschikking (BSB) voor overlastfeiten. Door de gefaseerde uitrol en ontwikkeling van de benodigde automatisering is de bestuurlijke strafbeschikking in deze fase op grond van artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) uitgevaardigd door de officier van justitie. Per 1 april 2010 wordt de grondslag voor de BSB gefaseerd gewijzigd in artikel 257b Sv. Vanaf 1 april zal ook de politiestrafbeschikking (PSB) gefaseerd worden ingevoerd.
In verband met de gefaseerde invoering van de BSB en de PSB zijn de volgende beleidsregels aangepast.
Aanwijzing bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten en Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten (Stcrt. 2010, 2943 en 2010, 2949)
De Aanwijzing en Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten hebben betrekking op de BSB die door de officier van justitie op grond van artikel 257a Sv wordt uitgevaardigd. Per 1 april 2010 vindt de gefaseerde wijziging van de grondslag van de BSB plaats; niet langer zal de officier van justitie de BSB uitvaardigen, maar de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van een gemeente zal op grond van artikel 257b Sv de BSB uitvaardigen. De Aanwijzing bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten en de Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten zullen derhalve gefaseerd niet langer van toepassing zijn op de G4-gemeenten en de gemeenten in de arrondissementen Almelo en Zwolle/Lelystad. Deze gemeenten komen daardoor (gefaseerd) onder de werking van de aanwijzing OM-afdoening en de Richtlijn voor strafvordering, tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften te vallen.
Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (Stcrt. 2010, 2940)
De Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers betreft een regeling voor de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen en overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen en heeft betrekking op een aantal zaken die thans met een politietransactie kunnen worden afgedaan. Met de gefaseerde uitrol (per arrondissement) van de politiestrafbeschikking is er een periode waarin zowel de politietransactie als de politiestrafbeschikking kan worden aangeboden. Beide mogelijkheden zijn derhalve in deze aanwijzing opgenomen.
Richtlijn voor strafvordering Wet Personenvervoer 2000 (Stcrt. 2010, 2951)
De Richtlijn voor strafvordering Wet Personenvervoer 2000 heeft onder meer betrekking op feitgecodeerde zaken waarin thans een politietransactie kan worden aangeboden. Met de uitrol van de PSB zal de politietransactie worden vervangen door de politiestrafbeschikking. Omdat de overgang gefaseerd verloopt, zullen in een deel van het land nog politietransacties worden aangeboden, terwijl elders als politiestrafbeschikkingen zullen worden uitgevaardigd. Beide mogelijkheden zijn derhalve in de richtlijn opgenomen.
Aanwijzing handhaving milieurecht (Stcrt. 2010, 2953)
Deze aanwijzing regelt de rol van het OM bij de strafrechtelijke handhaving van het milieurecht. De wijzigingen in deze aanwijzing komen er kortweg op neer dat de mogelijkheid van het opleggen van een strafbeschikking is opgenomen in de tekst. De aanwijzing is verder ongewijzigd gebleven.
Aanwijzing bestuurlijke transactie milieudelicten (Stcrt. 2010, 2961)
Deze aanwijzing regelt de strafrechtelijke transactiebevoegdheid in handen van het bestuur onder toezicht van het OM. De wijzigingen in deze aanwijzing komen er kortweg op neer dat de mogelijkheid van het opleggen van een strafbeschikking is opgenomen in de tekst. De aanwijzing is verder ongewijzigd gebleven.
Orde: geen aparte regels voor opstaan advocaten
De Nederlandse Orde van Advocaten ziet niets in nieuwe regels die advocaten moeten dwingen op te staan voor de rechter. De Orde begrijpt de maatschappelijke commotie die ontstond over het optreden van advocaat Enait, die weigerde voor de rechtbank op te staan. Maar wetgeving of regels in de vorm van een nieuwe verordening voor advocaten bieden geen uitkomst, schrijft algemeen deken Jan Loorbach vandaag in een brief aan minister Hirsch Ballin van Justitie.
De Orde heeft de kwestie besproken met de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Ook zij zien weinig in nieuwe regels die advocaten moeten dwingen eerbied te tonen voor de rechter. Een aparte ‘sta-op-regeling' voegt volgens de partijen niets toe omdat er volgens hen geen sprake is van structureel disrespect over en weer. Bovendien spreken advocaten bij de beëdiging ook uitdrukkelijk hun eerbied voor de rechterlijke macht uit.
Als toch disrespect in de rechtszaal voorkomt, heeft de lokale deken voldoende mogelijkheden om op te treden, vindt de Orde. Dat is in de zaak van mr. Enait ook gebeurd. Dat het Hof van Discipline als hoogste tuchtrechter Enait in het gelijk stelde, heeft onder meer te maken met het feit dat hij zich beriep op zijn geloofsovertuiging.
Een nieuwe verordening voor advocaten of zelfs wetgeving om dit in de toekomst te voorkomen, vindt de Orde onwenselijk. Een nieuwe verordening zou hoogstwaarschijnlijk niet overeind blijven bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in het verleden in uitspraken heeft laten blijken dat een disciplinaire inperking van grondrechten geen stand houdt. Ook bij nieuwe wetgeving is het de vraag of die in Europa overeind blijft.
De Orde vindt bovendien dat het wel wat ver zou gaan om vanwege één incident tot zulke nieuwe wetgeving over te gaan, zeker nu ook het OM en de rechterlijke macht hebben aangegeven dat zij geen structureel oneerbiedig gedrag bij advocaten zien.
Bron:Orde van de dag
Nieuwe website over jeugd en veiligheid
Een nieuwe website is online en biedt gemeenten informatie om jeugdproblematiek aan te pakken. Op de site komen onderwerpen aan de orde als overlastgevende jongeren/hangjongeren, uitgaansgeweld, vandalisme, alcohol en drugs, 12-minners die in aanraking dreigen te komen met politie en justitie en veiligheid op school.
Op de website – www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl – staat ook een stappenplan om een lokaal of regionaal project op te zetten, met veel voorbeelden uit de praktijk. Verder biedt de site een overzicht van landelijk beleid, wetgeving en onderzoeksresultaten.
De website is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Justitie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid.
Meer informatie:
Wegwijzer Jeugd en Veiligheid
Bron: www.justitie.nl
Tussentijdse beslissing in de zaak tegen Urker verdachte
De rechtbank heeft een tussentijdse beslissing genomen in de zaak van de 15-jarige jongen die wordt verdacht van de moord of doodslag op Dirk Post uit Urk.
Nader onderzoek
De rechtbank heeft besloten dat de zaak wordt verwezen naar de rechter-commissaris voor aanvullend onderzoek, onder meer voor het horen van twee getuigen. De raadsvrouw van de verdachte had daarom verzocht.
Ook wordt nog gewacht op nadere rapportage van het Nederlandse Forensisch Instituut in Den Haag en op rapportage door de deskundigen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie.
Voorarrest
De voorlopige hechtenis van de minderjarige verdachte blijft voortduren, ondanks een verzoek van de raadsvrouw om deze te schorsen.
Behandeling blijft achter gesloten deuren
Hoofdregel in het minderjarigenstrafprocesrecht is behandeling achter gesloten deuren. Tot een openbare behandeling kan echter worden besloten indien het belang van het publiek om kennis te nemen van het proces zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en/of zijn ouders. De voorzitter heeft, gehoord de officier van justitie en de advocaat, besloten dat – mede gelet op de jonge leeftijd van 15 jaar van verdachte – van een dergelijke situatie geen sprake is. Daarom zal de behandeling volgens het wettelijke uitgangspunt, dat zowel is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering als ook in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), achter gesloten deuren plaatsvinden.
Geen bijzondere toegang media
Daarnaast diende de vraag beantwoord te worden of bijzondere toegang tot de zitting zal worden verleend aan de media die daarom hebben verzocht of nog zullen verzoeken. De voorzitter heeft, nadat de officier van justitie en de advocaat zich ook over dit punt hebben uitgelaten, als volgt beslist.
Naast het al eerder genoemde belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, vereist het beschermende karakter van het jeugdstrafrecht de mogelijkheid tot het voeren van een open dialoog met verdachte tijdens de zitting. De rechtbank vindt het van groot belang dat deze open dialoog kan plaatsvinden. Ook in het kader van de waarheidsvinding.
Deze open dialoog kan, mede gelet op de ontkennende proceshouding van de zeer jeugdige verdachte, bemoeilijkt worden door de aanwezigheid van de media tijdens de behandeling. Ook in het kader van de waarheidsvinding is dat van evident belang.
Hoewel de voorzitter begrip heeft voor de wens van de media om het publiek kennis te laten nemen van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, leiden deze factoren tot de beslissing dat geen bijzondere toegang aan de media zal worden verleend.
Berichtgeving richting media
Wel zullen aanwezig zijn de persrechter en desgewenst de persofficier van justitie, die de media over het verloop van de behandeling kunnen berichten. Daarnaast zal de rechtbank uiteraard in haar te zijner tijd te wijzen vonnis zo uitgebreid mogelijk alle feiten en omstandigheden bespreken die tot de nog te geven beslissing in deze strafzaak zullen leiden.
Een volgende pro forma zitting is gepland op 25 mei 2010, de inhoudelijke behandeling vindt naar verwachting plaats op 1 juni 2010.
Bron: www.rechtspraak.nl
Een ongeluk bij wurgsex of moord?
Bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van moord of doodslag neemt de rechtbank in aanmerking het gedrag van verdachte (kort) vóór het wurgen van het slachtoffer en het gedrag onmiddellijk ná het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank komt tot de conclusie dat er sprake is van moord (Rechtbank Arnhem, 17 februari 2010, LJN: BL40445).
Inleiding
De vriend van verdachte wordt, na een telefoontje van de verdachte, door de politie dood aangetroffen in de door beiden bewoonde woning. Hij is overleden aan de gevolgen van verstikking/verwurging. Het lijkt op zelfmoord. Verdachte stelt later uit schaamte en paniek een zelfmoord in scène te hebben gezet. Verdachte wordt primair moord ten laste gelegd. Verdachte ontkent en schets drie andere scenario’s: er is een ongeluk gebeurd tijdens het bedrijven van wurgseks wat op twee manieren kan hebben plaatsgevonden of het slachtoffer heeft zichzelf verwurgd.
De rechtbank
Op grond van de uitkomsten van het pathologisch onderzoek komt de rechtbank tot de conclusie dat de door de verdachte geschetste scenario’s onaannemelijk zijn. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er sprake is van voorbedachte rade (moord of doodslag). Op grond van de het gedrag van verdachte (kort) vóór het wurgen van het slachtoffer en het gedrag onmiddellijk ná het overlijden van het slachtoffer komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van moord. Dat leidt de rechtbank af uit de volgende gedragingen:
Gedragingen verdachte vlak vóór de dood van het slachtoffer.
- Uit onderzoek naar de internethistorie van de harde schijven van de laptop blijkt dat verdachte heeft gezocht op zoektermen gerelateerd aan het onderwerp ‘zelfmoord’ zoals ‘tramadol zelfmoord’, ‘poeder geheel oplossen in water zonder residu’, ‘choke’.
- Slachtoffer en verdachte gaan op bezoek bij getuige waar volgens verdachte door het slachtoffer een opmerking wordt gemaakt over zelfmoord, waar ze vervolgens alle drie om moesten lachen. De getuige heeft echter verklaard dat er die avond perse niet is gesproken over zelfmoord.
- Verdachte zoekt op internet met onder andere de volgende zoektermen:‘zelfmoord ophangen’, ‘depronal zelfmoord’ en ‘jezelf ophangen’.
- Het slachtoffer heeft in een telefonisch gesprek tegen zijn moeder gezegd dat hij mogelijk bij verdachte zou weg gaan “als het zo zou doorgaan”.
Gedragingen verdachte ná de dood van het slachtoffer
Verdachte heeft op de volgende wijze een zelfmoord in scène gezet.
- Verdachte tilde met zijn armen het slachtoffer onder diens oksels van het bed en heeft het lichaam naar de badkamer gesleept en in de hoek onder de douche tegen de muur neergezet/gelegd.
- De riem die het slachtoffer om zijn nek had bleek te kort om aan de douchekraan vast te maken. Daarop heeft verdachte een tweede soortgelijke riem gehaald, deze aan de douchekraan vastgeknoopt, een mes gehaald, en vervolgens die riem die hij aan de douchekraan had geknoopt doorgesneden. Het afgesneden stuk van de riem heeft hij vervolgens vastgeknoopt aan de riem die het slachtoffer om zijn nek had om zo het te doen voorkomen dat hij het nog hangende slachtoffer had losgesneden.
- Verdachte heeft de bril van het slachtoffer van het nachtkastje uit de slaapkamer gepakt en deze vlak naast het lichaam van het slachtoffer gelegd, alsof deze zijn bril op had toen hij zich verhing.
- Verdachte heeft het bebloede beddengoed van het bed gehaald, in een vuilniszak gestopt en vanuit het appartement op de achtste verdieping naar de berging gebracht die zich buiten de woning beneden in het flatgebouw bevindt.
- Verdachte heeft op de logeerkamer het pak van het slachtoffer neergelegd. De bedoeling was dat zou worden gedacht dat het slachtoffer dat klaar gelegd had om aan te geven dat hij dat aan zou willen bij de uitvaart.
- Daarna logde verdachte in op internet en maakte door middel van een internetoverschrijving € 1.000,00 over van een bankrekening van het slachtoffer naar zijn eigen rekening. Hij vermeldt hierbij de tekst: ‘Love you voor altijd, Pas xxx’;
Nadat verdachte de hiervoor omschreven handelingen had verricht, belde hij rond 06.00 uur met 112 en meldde dat hij zijn vriend in de badkamer had gevonden en dat deze zich had verhangen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen. Zijn handelingen als bovenomschreven getuigen daar ook van. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft vermoord.
Jurisprudentie Rechtbank Arnhem, 17 februari 2010, LJN: BL40445 meer >
Nieuwe vacaturebank voor juristen
Den Haag, 24 februari 2010 – Sdu Uitgevers lanceert vandaag Juristopmaat.nl, een vacaturebank voor alle juristen in Nederland. De uitgever zet op deze wijze een eerste stap naar een belangrijke positie binnen het carrièredomein van juristen.
Sdu Uitgevers is uitgever van vakbladen als Advocatenblad voor advocaten, WPNR en Notariaat Magazine voor notarissen, NTFR voor fiscalisten, Trema voor leden van de rechtelijke macht, Tijdschrift Conflicthantering voor mediators en De Gerechtsdeurwaarder voor de gelijknamige beroepsgroep. Met onder andere deze doelgroeptijdschriften bereikt Sdu Uitgevers reeds alle juristen met belangrijke vakinformatie en biedt het adverteerders een totaal bereik van deze doelgroep in Nederland. ‘De oriëntatie op de arbeidsmarkt vindt voor deze doelgroepen natuurlijk sinds jaar en dag via deze tijdschriften plaats. Met Juristopmaat.nl breiden we het aanbod voor juristen met een vacaturebank uit’, aldus uitgever Marc Dooijes.‘
Eerst een bètaversie
Wie rondkijkt op Juristopmaat.nl, ziet een gebruiksvriendelijke vacaturebank waar kandidaten kunnen zoeken op beroepsveld, hun profiel en CV kunnen beheren en zich kunnen inschrijven op de jobmailservice die volledig naar eigen wens kan worden ingesteld. Werkgevers kunnen naast het plaatsen van vacatures ook een eigen minisite beheren. ‘Via de beheermodule ’RecruitCenter’ van JobsRepublic is het voor werkgevers mogelijk het totale wervingsproces te monitoren, van de eerste plaatsing van een vacature tot en met het doorlopen van meerdere sollicitatieprocedures tegelijk. We hebben gekozen voor JobsRepublic omdat zij de ‘basics’ van een vacaturesite op orde hebben en ruime ervaring hebben met onder andere Gemeentebanen.nl’, aldus Dooijes.
Van vacaturebank naar carrièresite
Sdu Uitgevers zal met de lancering van Juristopmaat.nl de komende maanden veel onderzoek doen naar de beleving en performance van de site bij zowel kandidaten als werkgevers. ‘Er is ons alles aan gelegen om eerst de beste vacaturebank voor juristen te hebben, alvorens we de site verder doorontwikkelen. De plannen en contentideeën voor een nieuwe release van Juristopmaat liggen al klaar, het tempo hiervoor wordt bepaald door goed naar onze doelgroep te luisteren en deze feedback te verwerken ’, aldus Huub van der Meulen, plaatsvervangend uitgeefdirecteur.
Zie: www.juristopmaat.nl
Vreemdelingenwet aangepast aan Europese richtlijn
De ministerraad heeft er op voorstel van minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak mee ingestemd om de Vreemdelingenwet 2000 aan te passen aan de Europese Terugkeerrichtlijn. In deze richtlijn staan gemeenschappelijke normen en procedures om de terugkeer van illegale vreemdelingen te bevorderen.
Inreisverbod voor gehele Schengengebied
Ongewenst verklaarde vreemdelingen krijgen voortaan een inreisverbod dat geldt voor het hele Schengengebied. Verder mogen illegalen die niet vrijwillig vertrekken, straks maximaal zes maanden in bewaring worden gehouden.
Vreemdelingen die Nederland onmiddellijk moeten verlaten, bijvoorbeeld omdat zij illegaal in Nederland zijn of de vreemdelingenwet hebben overtreden, krijgen voortaan een terugkeerbesluit uitgereikt met daarin een Europees inreisverbod.
Volgens de richtlijn mogen illegale vreemdelingen, die een terugkeerbesluit hebben gehad en niet uit eigen beweging vertrekken, maximaal zes maanden worden vastgehouden in vreemdelingenbewaring. Vreemdelingenbewaring kan worden toegepast als er risico bestaat dat een vreemdeling zich aan het toezicht onttrekt of de voorbereiding van de terugkeer ontwijkt of belemmert. Als er zicht bestaat op uitzetting, mag de termijn worden verlengd met twaalf maanden. De verlenging moet door de rechter worden beoordeeld.
Maximaal zes maanden vreemdelingenbewaring
In Nederland geldt op dit moment geen wettelijke maximumtermijn voor vreemdelingenbewaring, maar wordt deze bewaring op grond van jurisprudentie doorgaans na zes maanden door de rechter opgeheven. Het opnemen van de maximumtermijn van zes maanden in de vreemdelingenwet sluit aan op deze praktijk. Net als in de huidige situatie zal de vreemdeling op elk moment beroep in kunnen stellen tegen het voortduren van de bewaring. Vreemdelingen kunnen ook ongewenst worden verklaard wanneer er sprake is van criminele antecedenten, of wanneer zij herhaaldelijk de vreemdelingenwet hebben overtreden. De ongewenstverklaring wordt in het voorstel gezien als een bijzondere vorm van het Europees inreisverbod en geldt daarmee voor het hele Schengengebied. Het overtreden van een inreisverbod in Nederland is niet strafbaar, behalve wanneer het inreisverbod is gegeven in de vorm van een ongewenstverklaring. Wie ondanks een ongewenstverklaring toch in Nederland verblijft, is nu al strafbaar en blijft dat ook. De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.
Bron: www.justitie.nl
OM blundert met privacy
Op zoek naar getuigen van de rellen in Culemborg, blundert het Openbaar Ministerie in Arnhem.
Gewoon contact leggen met wat ‘getuigen’ van de rellen in Culemborg. Dat wilde het Openbaar Ministerie in Arnhem. Die getuigen hoopte het OM te vinden via de site van de lokale Culemborgse Courant. En inderdaad, Molukkers en Marokkanen reageerden zeer heftig onder artikelen over de rellen op de site van de krant. ‘Daar zaten wel wat interessante reacties tussen’, zegt het OM.
Maar toen ging het OM de fout in. Het wilde van de Culemborgse Courantálle verkeersgegevens van de site tussen 1 en 4 januari. Zodat het van iedereen die een berichtje had achtergelaten op de site de persoonlijke gegevens te zien kreeg. Ja, het OM heeft de wettelijke bevoegdheid om zulke gegevens te vorderen, ‘als dat voor het onderzoek nodig is’, zegt privacyjurist Bart Schermer. Maar er is een grote maar. In de wet staat dat politie of OM alleen internetgegevens van een beperkt aantal personen mogen opvragen van mensen waar ze specifiek ‘iets mee willen’ (verdachten of getuigen). De gegevens van duizenden bezoekers opvragen, dat mag dus niet volgens de wet. Het zou een te grove inbreuk op de privacy zijn, was de redenatie toen de wet over het vorderen van telecomgegevens werd ingesteld.
Ondoordacht of lui
‘Deze vordering is daarom nogal ondoordacht van het OM’, zegt Schermer. ‘Of misschien was het gewoon luiheid’. Hoe dan ook. ‘Het opvragen van deze gegevens is een grote inbreuk op de privacy. Daarom is deze wet met veel extra regels omgeven.’
Dat de Culemborger Courant en de provider weigeren internetgegevens door te geven, is volgens Schermer redelijk bijzonder. ‘De meeste organisaties spelen vrij makkelijk gegevens door aan politie of justitie.’
Maar waarom was het OM niet gewoon wat zorgvuldiger? In een reactie blijkt het dat zelf ook niet goed te weten: ‘We hadden om specifieke gegevens kunnen vragen, maar dat is niet gebeurd.’ En: ‘Voor ons onderzoek waren de gegevens nuttig geweest. Maar nu is het voor ons klaar. Dat is zonde. Maar we respecteren de reactie van de Courant.’
Bron: www.depers.nl
Hof Den Haag doet uitspraak in zaak van ‘de behekste baby’
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft op 19 januari 2010 de ouders van het destijds bijna twee jaar oude slachtoffer, de vrouw bij wie zij inwoonden en de huishoudelijke hulp, veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de dood van het kind op 28 januari 2006 en het mishandelen van het slachtoffer vanaf januari 2005 tot eind januari 2006.
De echtgenoot van de vrouw is hiervan vrijgesproken. De vrouw en haar echtgenoot zijn daarnaast veroordeeld voor mensenhandel van de ouders en de huishoudelijke hulp en voor het beïnvloeden van getuigen in deze strafzaak. De huishoudelijke hulp is ook veroordeeld voor meineed. Alle betrokkenen zijn afkomstig uit India en woonden bij elkaar in huis.
Feiten
Om een vermeende kwade geest in het jonge slachtoffer te beheersen/verdrijven is het meisje door de verdachten ruim een jaar meermalen en ernstig mishandeld. Daarbij is zij vastgebonden en geslagen, onder andere met (één of meer) stokken. Op 28 januari 2006 heeft de vrouw, in het kader van de vermeende beheksing, de ouders en de huishoudelijke hulp meermalen de (telefonische) opdracht gegeven het slachtoffer onder meer vast te binden en te mishandelen, waaraan door hen uitvoering is gegeven. Die dag is het slachtoffer bezweken aan het haar toegebrachte letsel.
Voorts hebben de vrouw en haar echtgenoot de ouders en de huishoudelijke hulp ruim een jaar uitgebuit (mensenhandel). Zij hebben de slachtoffers in hun woning gehuisvest en tegen geen en/of geringe betaling lange dagen als huishoudelijke hulp in hun woning tewerkgesteld. De slachtoffers bevonden zich in een volstrekt afhankelijke positie ten opzichte van de verdachten; zij waren illegaal, spraken de Nederlandse taal niet, hadden geen eigen financiële middelen en hadden beperkt contact met de buitenwereld. Bovendien is de uitbuiting gepaard gegaan met geweld en dreiging met geweld.
Straffen
Het hof heeft de moeder en vader schuldig bevonden aan mishandeling met voorbedachten rade en medeplegen van doodslag van het slachtoffer en heeft hen beiden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar. De huishoudelijke hulp is schuldig bevonden aan mishandeling met voorbedachten rade, medeplegen van doodslag en meineed en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar. De vrouw is veroordeeld voor mishandeling met voorbedachten rade, zware mishandeling met voorbedachten rade met de dood tengevolge, medeplegen van mensenhandel en het beïnvloeden van getuigen tot een gevangenisstraf van 8 jaar. De echtgenoot van de vrouw is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel en het beïnvloeden van getuigen tot een gevangenisstraf van 2 jaar.
LJ Nummers
BK9367
BK9356
BK9406
BK9410
BK9372
Bron:www.rechtspraak.nl
Politieagente schiet ex-partner door het hoofd
Verdachte is voor de moord op haar ex-partner veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Verdachte is politieagente en heeft met haar dienstwapen haar ex-partner in het hoofd geschoten. Tijdens de moord bevond verdachte zich in een dissociatieve toestand. Deze had echter niet een zodanige diepgang dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Zij was wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.
Standpunt raadsman
De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de omstandigheden waaronder verdachte tot het fatale schot is gekomen, zodanig waren dat niet van opzet kan of mag worden gesproken. Volgens de raadsman verkeerde verdachte- doordat zij gedurende maanden bedreigd, mishandeld, verkracht en vernederd was door het slachtoffer- in een toestand waarin zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Deze gemoedstoestand stond ook in de weg aan het kalm beraad, zonder welk niet voor moord kan worden gekwalificeerd, aldus de raadsman.
Standpunt Hof
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat het dodelijk verwonden van het slachtoffer door verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit daartoe. Het Hof heeft hier niet alleen grond gevonden in de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte vanaf het moment dat zij op de parkeerplaats bij de Gamma het laatste sms-bericht van het slachtoffer heeft gelezen, maar ook in het feit dat verdachte heeft verklaard dat zij wilde dat het slachtoffer stopte met haar pijn te doen.
Dissociatieve toestand
Op grond van de bevindingen van een psychiater en een psycholoog heeft het Hof aangenomen dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, sprake is geweest van een dissociatieve toestand. Hetgeen ertoe heeft geleid dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Gelet echter op de conclusie van de deskundigen dat het voor verdachte – na haar besluit om haar dienstwapen op te halen- onderweg nog steeds mogelijk was om keuzes te maken, is het Hof tot het oordeel gekomen dat die dissociatieve toestand niet een zodanige diepgang heeft gehad dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen.
Er heeft voor verdachte de tijd en gelegenheid bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op basis hiervan is het Hof tot het oordeel gekomen, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het Hof heeft het verweer van de raadsman dan ook verworpen.
Gerechtshof Leeuwarden 8 februari 2010 (LJN BL2868)
Arrestant komt om na worsteling in cel
Een arrestant is na een worsteling met arrestantverzorgers in de cel omgekomen. De rechtbank Amsterdam heeft geen causaal verband kunnen aanwijzen tussen het handelen van verdachten en het intreden van de dood bij het slachtoffer.
Feiten
Slachtoffer is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Omdat hij een verwarde indruk maakte is hij in een isolatiecel geplaatst. Wanneer verdachte wordt meegenomen voor verhoor is er een worsteling ontstaan om verdachte onder controle te krijgen. Deze worsteling is verdachte uiteindelijk fataal geworden.
Causaal verband
De vraag waarvoor de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld ziet is of de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan het handelen van verdachten kan worden toegerekend. Met andere woorden: heeft het door de verdachten naar de grond duwen en op de grond gedrukt houden van het slachtoffer tot zijn dood geleid?
Voor deze vraag zijn twee medische theorieën voorhanden die gerapporteerd zijn door twee deskundigen. Beide deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat een hartritmestoornis en daarna een hartstilstand heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.
Over de oorzaak van het ontstaan van de hartritmestoornis lopen de meningen echter uiteen. Beiden deskundigen hebben hun bevindingen als meest waarschijnlijk geacht. Beiden laten echter ook ruimte voor twijfel, nu zij aan de hand van de gegevens niet definitief hebben kunnen vaststellen dat de doodsoorzaak is.
Ten aanzien hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen, dat er onvoldoende objectief bewijsmateriaal in het dossier aanwezig is om tot een keuze te komen voor één van beide theorieën. De rechtbank heeft bij gebreke aan overige aanwijzingen door een aanmerkelijk verdergaande geweldsuitoefening op het slachtoffer, geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van verdachte.
Slotsom
Een spontane acute hartritmestoornis, kan als doodsoorzaak niet met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten en dooddrukken kan eveneens niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Er kan dus door de rechtbank geen causaal verband worden vastgesteld tussen het door verdachten uitgeoefende geweld en het intreden van de dood, hetgeen tot gevolg heeft dat de rechtbank aan een verdere beoordeling van de strafbaarheid van de gedragingen van verdachten niet meer toekomt. Verdachten zijn dan ook vrijgesproken.
Rechtbank Amsterdam 9 februari 2010 (LJN BL3168)
Criminelen maken steeds meer gebruik van computers en internet. Hackers of moordenaars, de digitale recherche jaagt op ze
Kabels, usb-stekkers, 46 computerschermen, 16 rechercheurs die gespecialiseerd zijn in digitale opsporing, stapels computerbladen en een werkbank met in beslag genomen pc’s. Een miniatuurkerstboom doet dienst als ophangrekje voor cd-roms. Netjes is anders, maar je ziet dat er gewerkt wordt op de afdeling digitale recherche van de politie Haaglanden.
De rechercheurs hebben het druk. In 2007 kregen ze nog 800 onderzoeksaanvragen, dat aantal verdubbelde vorig jaar tot 1.600. En omdat het hoofdkwartier bijna letterlijk uit zijn voegen barst, verhuizen ze later dit jaar. ‘We zijn een van de weinige clubs die de komende tijd nog gaan uitbreiden’, zegt afdelingschef Ruud. ‘De hele maatschappij digitaliseert, van kinderen tot ouderen: iedereen heeft tegenwoordig een computer thuis staan en aan vrijwel elk onderzoek waar je als rechercheur tegenaan loopt zit een digitale component.’
Digitaal rechercheren is dus veel meer dan op hackers jagen. Voor een moord zou de cruciale aanwijzing zomaar ergens in een gewiste e-mail kunnen staan. Criminelen kunnen wel op delete drukken, ‘maar zelfs daarvan halen we 90 procent terug’, zegt rechercheur Ton mysterieus.
Pc’s, mobieltjes, computernetwerken, video-opnames en zelfs auto’s, ze kunnen zomaar de ontbrekende schakel zijn om de zaak opgelost te krijgen. En voor al die zaken wordt aangeklopt bij de digitale recherche.
Lege doos
‘We moeten nu zelfs prioriteit aan een prioriteit geven. Zoveel zaken krijgen we binnen’, zegt Ruud. Dus moeten er keuzes gemaakt worden. ‘Als iemand op Marktplaats een dvd-speler bestelt en een lege doos krijgt is dat voor de betrokkene best een belangrijk onderzoek, maar als wij op dat moment onderzoek doen naar een moord gaat dat voor.’ De digitale rechercheurs hebben het drukker met zaken waarbij de computer als middel is gebruikt bij een misdrijf, dan met zaken die zich puur en alleen in de digitale wereld afspelen zoals hackers die ergens inbreken.
Op de afdeling is het een komen en gaan van agenten. Twee komen videobeelden halen die door videorechercheurs scherper zijn gemaakt. In een hoek zitten drie ‘gewone’ rechercheurs met een digitale rechercheur om te beoordelen of informatie die ze van een pc hebben gehaald relevant is voor het onderzoek. Verder werkt rechercheur Ton, verstopt achter drie schermen, aan een fraudezaak. ‘Ik ben een zoekslag aan het draaien om te kijken of ik bepaalde informatie van de harde schijf kan halen.’
De afdeling maakt deel uit van de Forensische Opsporing: de mannen in witte pakken. Maar die zie je er niet. Hun digitale broers lopen in hun dagelijkse kloffie: geen politiepetten, wapens of blauwe uniformen. Ook geen nerds met puistjes en brillen met jampotglazen. ’We zijn gewoon politiemensen die gespecialiseerd zijn in cybercriminaliteit’, lacht Ruud.
Neem Ton die ‘een digitale bloedgroep’ heeft en al sinds de jaren negentig bij de digitale recherche zit. ‘Binnen het korps ben je toch wel de vreemde eend in de bijt omdat het voor veel mensen toch een beetje abracadabra is.’
Hij is gespecialiseerd in het vertalen van digitale gegevens voor de tactische recherche. Neem vorig jaar toen een oud-leerling van een Haagse school: ‘een malloot’, op een Amerikaans internetforum had geschreven dat hij de leraren en leerlingen van zijn school wel even mores zou gaan leren. Het was vlak na de schietpartij op de Duitse school in Winnenden waarbij zeventien doden vielen.
‘Ik werd op vrijdagavond uit mijn bed gebeld omdat Amerikaanse collega’s hadden doorgegeven van welk IP-adres de bedreiging was gedaan.’ Met collega’s toog Ton naar het huis waaraan het IP-adres gekoppeld was, ‘maar daar deed een keurige dame open die verbaasd was dat er zoveel mannen op haar stoep stonden.’ Bleek dat buren op haar onbeveiligde router hadden ingelogd. ‘Dus wij naar die buren in een studentenhuis en die hadden op hun X-box gewoon de inlogcodes van die vrouw geplakt, maar zij hadden het ook niet gedaan.’ Nadat was uitgezocht welke oud-leerlingen nog meer in de buurt woonden kwamen de rechercheurs uit bij een buurman die zijn Macbook nog open had staan. In die computer trof Ton de unieke hashcode aan waarmee die op dat forum had ingelogd en daarmee konden ze dus aantonen dat de bedreiging vanaf die pc kwam.
‘De grootste kick is als wij met ons digitale werk het ontbrekende puzzelstukje kunnen aanleveren waarmee een zaak kan worden opgelost.’ zegt Ton.
Bron: www.depers.nl
Datum publicatie: 9 februari 2010
Uitspraken eerste vier zaken rellen Hoek van Holland
Op 2 februari 2010 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de eerste vier zaken die aan de rechtbank waren voorgelegd.
Drie verdachten zijn veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tegen en bedreiging van politieagenten op het Strandfeest Veronica’s Sunset Grooves dat in de avond/nacht van 22 op 23 augustus 2009 plaatsvond op het strand van Hoek van Holland. De vierde verdachte is veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tegen op dat feest aanwezige onbekende personen.
Straf
Aan de twee verdachten die in de groep hebben meegelopen, leuzen hebben gescandeerd en vooraan hebben gestaan, maar zelf geen flessen met zand e.d. hebben gegooid, geen hekken omver hebben getrokken en ook niemand hebben geslagen heeft de rechtbank een gevangenisstraf(/jeugddetentie voor de minderjarige) opgelegd van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Omdat deze verdachten op 1 dag na 4 maanden in voorarrest hebben gezeten, zijn zij onmiddellijk in vrijheid gesteld.
Het aandeel van de derde verdachte heeft er met name daarin bestaan dat hij, toen de politie zich in linie had teruggetrokken achter hekken en zich daar veilig waande, een hek omver heeft getrokken, waardoor het mogelijk werd voor de groep om in de richting van de politie te stormen, hetgeen ook is gebeurd. Aan dat naar voren stormen heeft deze verdachte overigens zelf niet meegedaan. Aan hem wordt, gelet op zijn aandeel, een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opgelegd.
De vierde verdachte heeft geen geweld tegen de politie gepleegd, maar wel tegen onbekend gebleven feestgangers, die zich bij de bar bevonden. Zonder aanleiding begon hij op die onbekende mensen in te slaan en is hij vervolgens met de groep scanderende personen meegetrokken. Ook aan hem is een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Hij is vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld en bedreiging tegen de politieagenten, omdat op de beelden niet is te zien dat hij heeft meegedaan met het plegen van dat geweld en dat zelf ook heeft ontkend.
Motivering
In deze zaken is door meer dan veertig politiefunctionarissen aangifte gedaan tegen plegers van openlijk geweld, waarbij geen van de nu berechte personen door de politie is herkend.
In deze vier strafzaken zijn bijna geen getuigenverklaringen afgelegd (Hoewel in twee van de vier zaken de verdachten wel over elkaar hebben verklaard, omdat zij met elkaar aanwezig waren op het feest).
Om te beoordelen wat de rol van deze verdachten is geweest moest de rechtbank daarom voornamelijk afgaan op het beschikbare beeldmateriaal, dat zich in het dossier bevindt en ter terechtzitting is getoond en hetgeen de verdachten zelf hebben verklaard.
Bij het opleggen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met ieders aandeel in het openlijk geweld. Over deze vier verdachten kan daarover worden opgemerkt dat zij meer als meelopers moeten worden aangemeld dan als degenen die op de bewuste avond een hoofdrol hebben gespeeld.
In alle vier de zaken heeft de Officier van Justitie geëist, dat als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een verbod zou moeten worden opgelegd om gedurende de proeftijd risicovolle evenementen te bezoeken. Tijdens die evenementen zouden zij zich dan moeten melden bij politie of reclassering en gedurende die evenementen geen alcohol of drugs mogen gebruiken.
De rechtbank stelt voorop het niet onbegrijpelijk te achten dat het openbaar ministerie in het kader van de bestrijding en preventie van geweld en vandalisme bij grote evenementen voorstander is van oplegging van dergelijke voorwaarden aan ordeverstoorders.
Zo’n meldingsplicht heeft aanmerkelijke gevolgen voor de bewegingsvrijheid en valt dus aan te merken als een sanctie. Daarom moet er steeds een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen de noodzaak van zo’n maatregel en het belang van bewegingsvrijheid.
De rechtbank heeft in deze vier zaken die afweging gemaakt en in geen van deze vier strafzaken (waarbij met name is gelet op het al dan niet aanwezig zijn van een strafblad, het al dan niet gebruiken van alcohol of drugs en het door de reclassering ingeschatte recidiverisico) aanleiding gezien dergelijke voorwaarden op te leggen. Daarbij is voorts overwogen, dat de officier van justitie ter zitting ook niet kon aangeven om welke (risicovolle) evenementen het zou gaan en het aantal van die evenementen. Dit laatste maakt dat het locatieverbod zoals voorgesteld te onbepaald is.
Tot slot geldt nog dat 37 aangevers zich hebben gesteld als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend. Zij hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door 1 raadsman, die per benadeelde partij een bedrag van 200 euro als voorschot op de immateriële schade heeft gevorderd.
In de zaken tegen de verdachten waarbij is bewezen verklaard dat er openlijk geweld tegen/bedreiging van die politiefunctionarissen heeft plaatsgevonden, zijn deze vorderingen toegewezen.
LJ Nummers:
BL1680
BL1681
BL1682
BL1683
Bron: www.rechtspraak.nl
Levenslang voor moord op bejaarde vrouw
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft vandaag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte van de moord op een 78-jarige vrouw in haar woning aan de Laakkade op 6 maart 2009. De verdachte is voor deze moord veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 18 jaar geëist.
Misbruik
Verdachte was werkzaam in de thuiszorg en heeft in het verleden ook aan het slachtoffer thuishulp verleend. Zij heeft volgens de rechtbank misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hulpverleners moet kunnen worden gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat dit vertrouwen het slachtoffer er waarschijnlijk toe heeft gebracht verdachte op de dag van haar dood toegang tot haar woning te verlenen.
Zwijgrecht
Het zwijgrecht is een van de elementaire rechten van de verdachte in een strafproces. Een beroep op dit recht kan dan ook nooit aan verdachte worden tegengeworpen. In deze zaak heeft verdachte ervoor gekozen gedurende het hele proces te zwijgen en aan geen enkel onderzoek te willen meewerken. Om deze reden heeft de rechtbank dan ook geen inzicht gekregen in haar motieven en beweegredenen en evenmin antwoord op de vraag of er sprake is geweest van een geestelijke stoornis.
Voorbedachte rade
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte naar de supermarkt heeft gebeld om te vragen waar de boodschappen bleven die het slachtoffer daar altijd bestelde en liet thuis bezorgen. Zij heeft uit dit telefoontje afgeleidt dat verdachte er zich van heeft willen verzekeren dat zij bij een bezoek aan het slachtoffer niet verrast zou worden door de medewerker van de supermarkt die de boodschappen zou komen afleveren. Voorts heeft verdachte duidelijk gemaakt dat mogelijk de komende week geen boodschappen besteld zouden worden. Volgens de rechtbank geeft dit aan dat verdachte voornemens was het slachtoffer om het leven te brengen.
Geen impulsieve daad
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het niet relevant is dat verdachte het mes al bij zich had of dat zij het heeft gepakt in de woning van het slachtoffer. In beide gevallen heeft verdachte namelijk de keus gemaakt het mes ter hand te nemen dan wel een mes te pakken om op het slachtoffer in te steken. Er is dus van een impulsieve actie geen sprake geweest. Ten aanzien van de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte rade, heeft de rechtbank het dan ook in het midden gelaten of verdachte het mes al bij zich had of in huis gepakt heeft. De rechtbank is in beide gevallen tot de conclusie gekomen dat er voor verdachte de gelegenheid is geweest om zicht te beraden over de betekenis en de gevolgen van haar besluit.
Ten slotte heeft de rechtbank ten aanzien van deze vraag nog meegewogen dat verdachte na het plegen van het feit de woning heeft doorzocht, kennelijk op zoek naar geld of andere waardevolle goederen. Dit wijst dus ook niet op een impulsieve daad waaraan geen besluitvorming aan vooraf is gegaan, aldus de rechtbank.
Standpunt rechtbank
De rechtbank heeft verder bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer niet in een opwelling heeft gedood, maar dat verdachte bewust de beslissing had genomen haar om het leven te brengen, wat betekent dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die de strafwet kent. Daarbij geldt dat het hier niet om een tamelijk kort moment van bezinning -dat ook reeds het misdrijf moord kan opleveren- is gegaan, maar om een koelbloedige beraming die zich, gelet op het door verdachte gevoerde telefoongesprek met de supermarkt, ten minste een aantal minuten vóór het moment waarop verdachte de woning van het slachtoffer betrad in het brein van verdachte moet hebben genesteld. Nu verdachte daaromtrent geen enkele informatie wenst te geven kan zelfs niet worden uitgesloten dat zij het plan om het slachtoffer te doden al veel eerder heeft opgevat. De omstandigheid dat zij de dag tevoren het slachtoffer heeft bezocht, zonder dat -alweer gelet op het zwijgen van verdachte daarover- daarvoor een duidelijke reden is gebleken wijst in die richting.
Straf
Voorkomen dient te worden dat verdachte de gelegenheid krijgt nogmaals een dergelijk feit te plegen. Om dat te bereiken staat aan de rechtbank geen ander middel ten dienste dan het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. Met name nu de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf in combinatie met een last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging bij gebrek aan concrete indicaties voor dat laatste niet in aanmerking komt.
Rechtbank ’s-Gravenhage 2 februari 2010 (LJN BL1698)
Zie ook nu.nl
Opheffing nevenlocatie Schiedam
Op 29 januari 2010 is in Staatsblad 2010-22 de wet gepubliceerd, waarmee besloten wordt de nevenlocatie Schiedam van de sector kanton van de rechtbank te Rotterdam op te heffen. Daarmee komt na ruim 100 jaar een einde aan de rechtspraak in Schiedam. De exacte datum van de sluiting dient nog in een afzonderlijk Koninklijk Besluit te worden vastgesteld. Het is zo goed als zeker dat het 1 april 2010 zal zijn.
Dit betekent dat alle ‘Schiedamse’ zaken met ingang van 1 april 2010 moeten worden aangebracht te Rotterdam. De op 1 april 2010 nog lopende ‘Schiedamse’zaken zullen verder in Rotterdam worden behandeld.
De opheffing van de nevenlocatie Schiedam brengt ook diverse wijzigingen met zich mee in de hoofdlocatie in Rotterdam die van belang zijn.
Dagvaardingszaken
In de eerste plaats zal het aantal teams in de sector kanton in Rotterdam worden uitgebreid van 2 naar 3. Ieder team zal worden belast met een deel van de dagvaardingszaken volgens een nieuwe letterverdeling en wel als volgt:
Team A: nieuwe zakenrol op dinsdag voor de letters A t/m G
Team B: nieuwe zakenrol op woensdag voor de letters H t/m O
Team C: nieuwe zakenrol op donderdag voor de letters P t/m Z
Voor de nieuwe zaken geldt dat de rolzitting in beginsel vanaf 10.00 uur wordt gehouden. Om de wachttijden voor verschijnende partijen te beperken, zullen tevens rolzittingen om 11.00 uur en 12.00 uur aanvangen. Op de laatste twee tijdstippen zullen alleen de zaken die worden aangebracht door één of meer specifieke deurwaarderskantoren worden behandeld.
De lopende zaken zullen vanaf 1 april 2010 niet meer op dezelfde dag worden behandeld als de nieuwe zaken. Voor lopende zaken geldt dat deze vanaf 1 april 2010 als volgt zullen worden behandeld:
Team A op donderdag
Team B op dinsdag
Team C op woensdag
Voor de lopende zaken blijft gelden dat in beginsel een cyclus van 4 weken wordt gehanteerd. De aanvangstijdstippen van deze zittingen zullen nog bekend worden gemaakt.
Voor alle teams geldt voorts dat de vonnissen vanaf 1 april 2010 op vrijdag om 9.30 uur worden uitgesproken.
Verzoekschriften en voorlopige voorzieningen
Deze zaken worden vanaf 1 april 2010 als volgt over de diverse teams verdeeld:
- Team A behandelt alle verzoekschriften en voorlopige voorzieningen
- Team B behandelt alle zaken die het meerderjarigenbewind, de
curatele en het erfrecht betreffen en
- Team C behandelt de Mulderzaken.
Ten slotte
Voor de nevenlocaties Brielle en Middelharnis verandert er vooralsnog niets. Op dinsdag 23 maart en dinsdag 30 maart 2010 zullen de rolzittingen te Schiedam voor nieuwe zaken geen doorgang vinden. De nieuwe fax- en telefoonnummers van de teams worden nog bekend gemaakt.
Gemeente Rozenburg
Op 29 oktober 2009 is besloten tot een gemeentelijke herindeling waarbij de gemeente Rozenburg zal worden opgeheven. Het grondgebied van deze gemeente wordt gevoegd bij dat van de gemeente Rotterdam. De herindeling wordt geëffectueerd met ingang van 18 maart 2010. Vanaf deze datum is de Rotterdamse locatie van de sector kanton van de rechtbank bevoegd voor ‘Rozenburgse’ zaken.
Bron:www.rechtspraak.nl
OM seponeert aangifte tegen Harry van Bommel
Het Openbaar Ministerie Amsterdam stelt geen vervolging in tegen de 2e Kamerleden Van Bommel, Karabulut en tegen mevrouw Duisenberg voor aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het OM vindt hun optreden bij een demonstratie op 3 januari 2009 tegen de inval van het Israëlische leger in de Gazastrook niet strafbaar. Ook van opruiing is volgens het OM geen sprake.
Advocaat mr. A. Moszkowicz deed aangifte tegen de twee Kamerleden en mevrouw Duisenberg omdat zij tijdens de demonstratie op het Museumplein ‘Intifada, Intifada, Palestina vrij’ hadden geroepen. Daarnaast deed de advocaat aangifte tegen onbekende personen die ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ riepen. Door de combinatie van beide leuzen maakten volgens Moszkowicz de Kamerleden en mevrouw Duisenberg zich schuldig aan het in het openbaar mondeling aanzetten tot haat, geweld of discriminatie van mensen.
Het OM is van mening dat de Kamerleden Van Bommel en Karabulut en mevrouw Duisenberg niet kan worden verweten dat zij niet onmiddellijk afstand hebben genomen van de leus ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’. Zij kunnen volgens het OM in dit geval niet verantwoordelijk worden gehouden voor wat willekeurige anderen hebben geroepen. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van het filmpje op Youtube dat het onwaarschijnlijk is dat de Kamerleden en mevrouw Duisenberg de Hamas-leus hebben gehoord. Zij riepen op dat moment zelf een andere leus (‘Intifada, Palestina vrij’) of waren aan het praten.
Van de demonstratie op 3 februari 2009 verscheen een filmpje op YouTube, waarin is te horen en te zien hoe door Van Bommel, Karabulut en Duisenberg wordt geroepen: ‘Intifada, Intifada, Palestina vrij’, terwijl op de achtergrond de kreet ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ is te horen. Dit wordt geroepen door andere deelnemers aan de demonstratie.
Het in het openbaar roepen van ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ is strafbaar. Voor de demonstratie heeft de politie met de organisatie en de ordedienst van de demonstratie besproken dat het roepen van deze kreet een reden zou kunnen zijn voor aanhouding. De kreet is echter tijdens de demonstratie zelf noch door de politie noch door de ordediensten waargenomen. Voor het roepen van deze kreet zijn tijdens de demonstratie daarom geen aanhoudingen verricht.
Het originele beeldmateriaal van het filmpje van YouTube is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit onderzoek blijkt blijkt dat de leus ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ op de achtergrond wordt gescandeerd door meerdere personen. Van twee personen op het filmpje is aannemelijk dat zij de Hamasleus hebben geroepen. Mogelijk hebben ook andere sprekers buiten beeld de leus geroepen. Omdat de beelden van de twee personen redelijk vaag zijn, kan hun identiteit niet worden achterhaald. Ze kunnen dus niet worden gehoord over dit strafbare feit. De beelden kunnen ook niet dienen als bewijs in een strafzaak.
Het roepen van de leus ‘Intifada, Intifada, Palestina vrij’ vindt het OM evenmin strafbaar. Aanzetten tot haat, discriminatie of geweld is strafbaar als dat wat wordt geroepen betrekking heeft op mensen wegens hun ras en/of godsdienst. In dit geval zou de kreet gericht moeten zijn tegen Joden. De kreet ‘Intifada, Intifada, Palestina vrij’ heeft echter geen betrekking op Joden in het algemeen. De kreet is hooguit gericht tegen Israel als staat. Er worden geen conclusies ten aanzien van Joden getrokken, noch wordt er aangezet of aangespoord tot enig gevoel (haat) of enige handeling (discriminatie of geweld) tegen Joden in het algemeen.
Omdat de uitlating ‘Intifada, Intifada, Palestina vrij‘ geen betrekking heeft op mensen wegens hun ras en/of godsdienst, is er ook geen sprake van belediging van een groep mensen. Van opruiing is evenmin sprake. De leus is in dit geval te onbepaald om te kunnen concluderen dat door dit te roepen wordt opgeruit tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Met ‘Intifada’ kan zowel een geweldloze als een gewelddadige opstand bedoeld worden. Van Bommel heeft in de media aangegeven dat hij de geweldloze Intifada bedoelde.
Bron: www.om.nl
Nieuwsbrief Strafrecht 19 januari 2010, afl. 1
Het strafrecht is altijd in beweging: de rol van de media in strafzaken, de reikwijdte van artikel 591a Sv en de evaluatie van bijzondere opsporingsmethoden, nieuwe regelgeving en veel nieuwe jurisprudentie.
Het tijdschrift Nieuwsbrief Strafrecht biedt u een betrouwbaar overzicht van alle recente ontwikkelingen op het gebied van het strafrecht. U ontvangt 14 maal per jaar actuele informatie over wetgeving, beleid en jurisprudentie. De informatie is beknopt en volledig: precies de informatie die u nodig heeft.
Inhoud
Om vast een idee te krijgen van de inhoud van Nieuwsbrief Strafrecht kunt u hier de inhoudsopgaven bekijken:
Nieuwsbrief Strafrecht 19 januari 2010, afl. 1
Hof Den Haag doet uitspraak in zaak van ‘de behekste baby’
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft op 19 januari 2010 de ouders van het destijds bijna twee jaar oude slachtoffer, de vrouw bij wie zij inwoonden en de huishoudelijke hulp, veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de dood van het kind op 28 januari 2006 en het mishandelen van het slachtoffer vanaf januari 2005 tot eind januari 2006.
De echtgenoot van de vrouw is hiervan vrijgesproken. De vrouw en haar echtgenoot zijn daarnaast veroordeeld voor mensenhandel van de ouders en de huishoudelijke hulp en voor het beïnvloeden van getuigen in deze strafzaak. De huishoudelijke hulp is ook veroordeeld voor meineed. Alle betrokkenen zijn afkomstig uit India en woonden bij elkaar in huis.
Feiten
Om een vermeende kwade geest in het jonge slachtoffer te beheersen/verdrijven is het meisje door de verdachten ruim een jaar meermalen en ernstig mishandeld. Daarbij is zij vastgebonden en geslagen, onder andere met (één of meer) stokken. Op 28 januari 2006 heeft de vrouw, in het kader van de vermeende beheksing, de ouders en de huishoudelijke hulp meermalen de (telefonische) opdracht gegeven het slachtoffer onder meer vast te binden en te mishandelen, waaraan door hen uitvoering is gegeven. Die dag is het slachtoffer bezweken aan het haar toegebrachte letsel.
Voorts hebben de vrouw en haar echtgenoot de ouders en de huishoudelijke hulp ruim een jaar uitgebuit (mensenhandel). Zij hebben de slachtoffers in hun woning gehuisvest en tegen geen en/of geringe betaling lange dagen als huishoudelijke hulp in hun woning tewerkgesteld. De slachtoffers bevonden zich in een volstrekt afhankelijke positie ten opzichte van de verdachten; zij waren illegaal, spraken de Nederlandse taal niet, hadden geen eigen financiële middelen en hadden beperkt contact met de buitenwereld. Bovendien is de uitbuiting gepaard gegaan met geweld en dreiging met geweld.
Straffen
Het hof heeft de moeder en vader schuldig bevonden aan mishandeling met voorbedachten rade en medeplegen van doodslag van het slachtoffer en heeft hen beiden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar. De huishoudelijke hulp is schuldig bevonden aan mishandeling met voorbedachten rade, medeplegen van doodslag en meineed en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar. De vrouw is veroordeeld voor mishandeling met voorbedachten rade, zware mishandeling met voorbedachten rade met de dood tengevolge, medeplegen van mensenhandel en het beïnvloeden van getuigen tot een gevangenisstraf van 8 jaar. De echtgenoot van de vrouw is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel en het beïnvloeden van getuigen tot een gevangenisstraf van 2 jaar.
LJ Nummers:
BK9367
BK9356
BK9406
BK9410
BK9372
Nieuwe richtlijnen voor vervolging van fiscale, douane - en toeslagendelicten
De Belastingdienst en het Openbaar Ministerie hebben op 11 december 2009 nieuwe afspraken gemaakt over welke belastingzaken in aanmerking komen voor strafrechtelijke aanpak. Voorheen leek strafrechtelijke aanpak het uitgangspunt te zijn. Met ingang van 1 januari 2010 komt de nadruk te liggen op inzet van het strafrecht in zaken die een maatschappelijk effect hebben (zie Staatscourant 2009, 20351).
Inleiding
De Belastingdienst is belast met de handhaving van de fiscale , toeslagen- en douanewetgeving. Daarbij wordt gewerkt vanuit de compliancegedachte, welke er op is gericht belanghebbenden vrijwillig aan hun verplichtingen te laten voldoen. Bij niet naleving wordt compliance bevordert door het opleggen van bestuurlijke boeten of strafrechtelijke aanpak. De strafrechtelijke aanpak concentreert zich op zaken die een maatschappelijk effect hebben. In de richtlijnen wordt op grond van de omvang van het fiscaal nadeel aangegeven of in beginsel voor bestuurlijke, dan wel strafrechtelijke afdoening wordt gekozen. Van de richtlijnen kan worden afgeweken in geval van bestuursondersteunende inzet van het strafrecht. Daarbij valt te denken aan bijzondere acties van de Belastingdienst zoals het project ‘buitenlands vermogen’.
Aanmelding
Aanmelding bij de boete-fraudecoördinator vindt plaats als het drempelbedrag aan fiscaal nadeel van € 10.000 voor particulieren (was tot 1 januari 2010 € 6.000) en € 15.000 voor ondernemingen (was tot 1 januari 2010 € 12.500) per rechtsgebied (belastingen, toeslagen of douane ) overschrijdt. Onder nadeel wordt verstaan het bedrag aan belasting dat vermoedelijk door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven (of het bedrag aan toeslagen dat teveel is betaald) indien de Belastingdienst de aangifte (of aanvraag) had gevolgd. Ook het bedrag aan belasting dat bij derden ten gevolge van het fiscale , douane - of toeslagendelict vermoedelijk te weinig is geheven, valt onder het bedoelde fiscaal nadeel (zie gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, (LJN BJ9997). Voor ten minste het drempelbedrag moet sprake zijn van ‘opzet’. Dit beoordeelt de boete-fraudecoördinator. Is geen sprake van opzet of het aan opzet te wijten nadeel blijft onder het drempelbedrag, dan wordt de zaak teruggegeven aan de Belastingdienst om bestuurlijk te worden afgedaan.
Een omissiedelict wordt aangemeld indien voor het voorafgaande tijdvak, bij hetzelfde belastingmiddel of toeslag, ook sprake is geweest van dezelfde overtreding en deze is bestraft met een bestuurlijke vergrijpboete. Nieuw in de richtlijnen is dat ingeval het nadeel niet of onvoldoende te kwantificeren is, strafrechtelijke aanpak van een omissiedelict uitgangspunt is indien de Belastingdienst voldoende actie (zoals schriftelijke aanmaning) heeft ondernomen om belanghebbende aan te zetten tot naleving van zijn verplichtingen en deze actie niet tot naleving heeft geleid. De delictsomschrijvingen van de artikelen 68 en 69 AWR verlangen een dergelijke actie overigens niet.
Selectie
Het selectieoverleg (FIOD-ECD, de contactambtenaar formeel recht en de boete-fraudecoördinatoren) adviseert of op basis van bewijsbaarheid een aangemelde zaak in aanmerking komt voor opsporing. Het selectieoverleg verdeelt vervolgingswaardige zaken in twee categoriën:
- Categorie I (belastingnadeel minder dan € 125.000)
Geen vervolging en terugverwijzing naar Belastingdienst indien geen van de overige aspecten (zie hierna) aan de orde is.
- Categorie II (belastingnadee meer dan € 125.000)
In beginsel vervolging en beslissing vereist in tripartiete overleg.
Tripartiete overleg
Het tripartieteoverleg (officier van justitie, contactambtenaar formeel recht, FIOD-ECD) beslist of tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek wordt overgegaan, dan wel de zaak voor bestuurlijke afdoening wordt teruggegeven aan de Belastingdienst. Daarbij spelen de overige aspecten een belangrijke rol. Categorie I-zaken waarbij ten minste één van de overige aspecten aan de orde is kunnen worden terugverwezen naar de Belastingdienst indien dat in het kader van een evenwichtige rechtsbedeling beter is. Categorie II-zaken worden in beginsel strafrechtelijk aangepakt, maar uitzonderingen zijn toegestaan. Een transactie kan worden aangeboden indien dat op grond van de resultaten van het onderzoek de gewenste afdoeningmodaliteit is.
Overige aspecten
- Status verdachte/voorbeeldfunctie
Als een betrokkene regionaal of landelijk een maatschappelijk aansprekende of bekende persoon is, of een openbaar ambt bekleedt, dan wel beroepsmatig invloed heeft op het handelen van derden of de financiële integriteit van geldstromen, heeft hij volgens de richtlijnen status of een voorbeeldfunctie.
- Recidive
Van recidive is sprake indien de verdachte in de voorafgaande vijf jaar wegen een – onherroepelijk geworden - fiscaal, toeslag- of douanedelict, dan wel een niet fiscaal, financieel, delict, is veroordeeld, een transactie heeft aanvaard of een vergrijpboete heeft gekregen.
- Verhaal onmogelijk
- Combinatie fiscaal delict met niet-fiscale delicten
Geen sprake is van combinatie van artikel 69 AWR en artikel 225 Sr als valse facturen ten behoeve van de aangifte worden overgelegd, maar wel als bij boekencontrole valse facturen in de administratie worden aangetroffen. Deze in de richtlijnen voorgestane interpretatie van samenloop lijkt niet te corresponderen met de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 september 2006, LJN AY8252
- Medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur
De medewerking of het medeweten van (belasting)adviseur of accountant kan de doorslag geven om strafrechtelijk in te grijpen. Deze factor is volgens de richtlijnen van groot belang omdat het gaat om een situatie waarin het vertrouwen van de overheid wordt misbruikt. Een extra reden om dit misbruik aan te pakken, is dat de Belastingdienst adviseurs faciliteiten - zoals de uitstelregeling voor het doen van belastingaangiften - toekent. Om te voorkomen dat te lichtvaardig wordt geoordeeld dat van dit aspect sprake is, moet de Belastingdienst onderbouwen op grond waarvan wordt gemeend dat de adviseur van de fraude op de hoogte was én daar zijn medewerking aan heeft verleend. Als sprake is van samenloop tussen de aspecten “status/voorbeeldfunctie” als adviseur en “medewerking adviseur” wordt slechts één aspect meegewogen.
- Evenwichtige rechtshandhaving
- Geen bestuurlijke boete mogelijk
Indien geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt eerder gekozen voor strafrechtelijke afhandeling. Dat is ook het geval wanneer een (mede)dader niet met een bestuurlijke boete kan worden gestraft, terwijl het wenselijk is om deze dader een sanctie op te leggen.
- Waarheidsvinding
- Slagvaardigheid
Soms is te voorzien dat een strafrechtelijk onderzoek dermate lang zal duren, dat in het kader van een evenwichtige rechtsbedeling beter een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Bestuurlijke beboeting is ook een adequate wijze van sanctioneren indien de verdachte een rechtspersoon is die deze sanctie ook kan voldoen. Een dergelijke beslissing moet wel altijd worden gemotiveerd.
M.J.A. Castelijn, advocaat te Breda
Wetgeving :
art 68 Awr
art 69 Awr
Soort nieuws Uitspraak
Publicatiedatum 06-01-2010
Nummer 2010/7
Zie ook: Staatscourant 2009, 20351
Wie is beter op de hoogte.. een collega of u?
Speel de eindejaarsquiz van Juristopmaat en laat zien wat u waard bent. Wie weet... misschien wint u niet alleen eeuwige roem en lof, maar ook een E-book reader van Sony (Touch Edition) of een product pakket naar eigen keuze!
U start de quiz via www.juristopmaat.nl/eindejaarsquiz
De quiz is een online game, waarmee u uw kennis van het recht kunt meten met kantoor- en vakgenoten. De Eindejaarsquiz stelt u 10 vragen en laat daarna uw score zien. Hoe goed bent u op de hoogte van de actuele juridische thema's? Weet u inderdaad alles?
Na deelname krijgt u de gelegenheid om een kijkje te nemen op Juristopmaat – de carrièresite voor Juristen – welke Sdu Uitgevers officieel lanceert in februari 2010. Ook kunt u klikken op www.juristopmaat.nl om direct een preview te bekijken. Laat ons weten wat u ervan denkt! Vul het feedbackformulier in of stuur een mail naar Fleur Stigter (marketeer Juristopmaat) via f.stigter@sdu.nl. We stellen uw mening zeer op prijs!
Veel plezier, en succes!
www.juristopmaat.nl/eindejaarsquiz
Column Prof. mr. G.P.M.F. Mols
Onlangs berichtte NRC over Promis, het project dat moet leiden tot verbetering van de motivering in strafvonnissen. Een ambitieus project dat een ingroeitraject kent want het is nu eenmaal kennelijk ondoenlijk om alle uitspraken verbeterd te motiveren. Dat is op zich vreemd aangezien alle verdachten recht hebben op een motivering die uitstijgt boven formules en andere bezweringen. Maar een promisvonnis is nog niet zo eenvoudig, zeker niet wanneer er serieuze verweren zijn gevoerd. Nu was de strekking van het bericht dat de rechterlijke colleges de doelstelling in termen van aantallen promisuitspraken niet halen. Deels door gebrek aan tijd, een motivering kost tijd, laat staan een verbeterde, deels door gebrek aan kwaliteit. Daarbij werd met name naar de ondersteuning van de zittende magistratuur verwezen, meer in het bijzonder naar de griffiers. Ik heb altijd geleerd dat de rechter verantwoordelijk is voor zijn uitspraak en men zou verwachten dat promisuitspraken uitgebreid in raadkamer aan de orde komen uit welke beraadslaging legostenen voortkomen die door de griffier nog slechts op elkaar hoeven te worden geklikt op een wijze die in raadkamer is vastgesteld. De griffier schrijft op wat anderen bedenken. Het kan aan de journalist liggen die deze taakverdeling niet helder heeft, maar ik sluit ook niet uit dat de griffier niet zelden wordt opgezadeld met de mededeling van deze zaak een promisuitspraak te maken. De rechter maar evenmin de griffier is geschoold in het verzorgen van verbeterde motiveringen. Wanneer promis daadwerkelijk serieus wordt genomen dan zal er ook meer tijd voor moeten worden vrijgemaakt, niet zozeer door de griffier maar vooral door het college in raadkamer.
Lees verder >>
Albayrak wil staan advocaat afdwingen
Den Haag, 15 dec. Staatssecretaris Nebahat Albayrak (Justitie, PvdA) overweegt wettelijke maatregelen te treffen als de Nederlandse Orde van Advocaten geen nieuwe regels opstelt die advocaten dwingen op te staan voor de rechter. Dat heeft de staatssecretaris gisteravond aan de Tweede Kamer geschreven.
In de brief reageert Albayrak op een uitspraak van het Hof van Discipline van afgelopen vrijdag waarin werd bepaald dat advocaat Mohammed Enait niet hoeft op te staan voor de rechter. Enait wil dat niet omdat zijn orthodoxe moslimgeloof hem dat zou verbieden. Volgens het hof heeft de advocaat met het blijven zitten niet de „intentie” om minachting voor de rechters te uiten.
Wij zijn benieuwd naar uw mening, dus stem vooral even op de poll hier rechts in de balk.
Lees verder op:
de site van Justitie
nrc.nl
Of lees hier de brief van de staatssecretaris
Recidive daders criminaliteit daalt
Daders van criminaliteit gaan minder snel opnieuw in de fout. De recidive is voor het eerst sinds 1997 over een breed front gedaald. Zowel bij de volwassenen als bij de minderjarigen is het percentage bestrafte daders dat binnen twee jaar opnieuw met justitie in aanraking kwam, afgenomen.
Dat heeft minister Hirsch Ballin van Justitie vandaag bekend gemaakt bij de conferentie over het behalen van een landelijk dekkend netwerk van veiligheidshuizen. Het terugdringen van de recidive is een belangrijke doelstelling in het beleidsprogramma van het kabinet. In het project ‘Veiligheid begint bij voorkomen’ is vastgelegd dat de 7 jaar-recidive met 10 procent moet dalen.
Het ministerie van Justitie houdt de ontwikkelingen in de recidive bij via de recidivemonitor van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum. Uit de vandaag verschenen cijfers blijkt dat voor het eerst sinds 1997 de strafrechtelijke recidive over een breed front is gedaald. Met name de terugval onder gedetineerden is gedaald. Van alle volwassenen die in 2006 een penitentiaire inrichting verlieten, had rond de 54 % binnen twee jaar een nieuw justitiecontact. In 2002 was dit nog 59%. Van de volwassenen die in 2006 een straf kregen opgelegd, viel rond de 28 % binnen twee terug in het oude gedrag. In 2004 was dat nog bijna 30%. Ook het aantal nieuwe justitiecontacten is gedaald.
Minister Hirsch Ballin spreekt van een omslag in de recidivecijfers. De percentages lijken welliswaar niet spectaculair, maar het is voor het eerst in twaalf jaar dat de recidive afneemt. De aanpak van recidive bestaat uit een combinatie van repressie en preventie. Met name in de 45 veiligheidshuizen heeft het terugdringen van de recidive bijzondere aandacht. Door een persoonsgerichte aanpak waarbij er veel aandacht is voor nazorg in de gemeente en toezicht vanuit onder meer de reclassering daalt het aantal veelplegers in die gemeenten aanzienlijk.
De lokale resultaten van de veiligheidshuizen kunnen nog niet worden vergeleken met de cijfers uit de vandaag gepresenteerde landelijke recidivemonitor. Maar zij zeggen wel iets van het potentiële effect dat het landelijk dekkende netwerk van veiligheidshuizen heeft op de terugval van daders van criminaliteit.
Bron:www.justitie.nl
Eenduidige verlofregeling voor gedetineerde
Voorlopig gehechte gedetineerden kunnen straks alleen op grond van het penitentiaire recht tijdelijk de inrichting verlaten. Het via de rechter tijdelijk laten schorsen van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis wegens persoonlijke omstandigheden is dan niet meer mogelijk. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat minister Hirsch Ballin van Justitie vandaag voor advies naar verschillende instanties heeft gestuurd.
De bewindsman wil voorkomen dat nog gebruik kan worden gemaakt van twee regelingen zoals dat bij Saban B. gebeurde. Bij de verlening van het verlof kunnen ook regels over de beveiliging, begeleiding of elektronisch toezicht worden gesteld. Het wetsvoorstel geldt voor volwassenen en jeugd. In de nieuwe regeling staat ook dat de voorlopige hechtenis van ongewenstverklaarde vreemdelingen niet kan worden geschorst.
Op dit moment kan een gedetineerde tegen wie een voorlopige hechtenis is uitgesproken op twee manieren toestemming vragen om tijdelijk de inrichting te verlaten wegens persoonlijke omstandigheden. Dat kan via de rechter (art 80, Wetboek van Strafvordering (Sv)) waarbij er een tijdelijke schorsing van de voorlopige hechtenis wordt verzocht, of via de directeur (i.c de minister) van de inrichting (art 26, Penitentiaire beginselenwet (Pbw)) waarbij er verlof wordt aangevraagd. De minister vindt het naast elkaar bestaan van deze mogelijkheden onwenselijk, er moet een betere afbakening komen.
De bewindsman stelt voor om de beslissingen over het tijdelijk verlaten van de inrichting vanwege persoonlijke omstandigheden via het penitentiaire recht te laten lopen. Een dergelijke beslissing hoort ook thuis in het penitentiaire recht. Volgens dit recht is het in principe alleen mogelijk voor de periode van één dag de inrichting te verlaten en alleen in die gevallen, waar het gaat om persoonlijke omstandigheden zoals kraambezoek, levensgevaar voor de partners of naaste familie of het bijwonen van een uitvaart. Daarnaast gaat het om gevallen waarin verlof moet worden geweigerd. Bijvoorbeeld de ongewenstverklaarde vreemdelingen, vluchtgevaar, het risico van ongewenste confrontaties met slachtoffers, het risico op verstoring van de openbare orde of mogelijke maatschappelijke onrust.
De mogelijkheid tot het schorsen (onder voorwaarden) van de voorlopige hechtenis als zodanig blijft bestaan. De schorsingsbevoegdheid is een strafvorderlijk middel, dat de rechter nodig heeft om zijn taak in het strafproces bij de waarheidsvinding en de strafoplegging, uit te oefenen. Het voorstel van de minister heeft alleen betrekking op een betere afbakening van de twee regelingen.
Bron:www.justitie.nl
Inhoud Nieuwsbrief Strafrecht 2009 - 14
Het strafrecht is altijd in beweging: de rol van de media in strafzaken, de reikwijdte van artikel 591a Sv en de evaluatie van bijzondere opsporingsmethoden, nieuwe regelgeving en veel nieuwe jurisprudentie, Het tijdschrift Nieuwsbrief Strafrecht biedt u een betrouwbaar overzicht van alle recente ontwikkelingen op het gebied van het strafrecht. 14 maal per jaar actuele informatie over wetgeving, beleid en jurisprudentie. De informatie is beknopt en volledig: precies de informatie die u nodig heeft.
Inhoudsopgave editie 2009 - 14
Staat wil garantieregeling verlengen
De Nederlandse Staat wil de garantieregeling van € 200 miljard voor de uitgifte van middellang schuldpapier van banken verlengen. De kapitaalmarkt heeft zich gedeeltelijk hersteld maar blijft fragiel. De Europese lidstaten vinden het nu te vroeg om tot een algehele exit van de garantieregeling te komen.
In oktober 2008 is de garantieregeling in het leven geroepen voor banken vanwege een gebrekkig functioneren van de kapitaalmarkt voor middellangetermijnfinanciering. Doel van de garantieregeling is de financiering van financiële instellingen weer op gang te brengen, zodat de kredietverlening aan bedrijven en particulieren wordt gewaarborgd. De garantieregeling strekt zich uit tot leningen met looptijden van minimaal 3 en maximaal 60 maanden.
De Staat wil de banken wel stimuleren zich op alternatieve wijzen te financieren. Om dit te bereiken zal het gebruik van de garantieregeling minder aantrekkelijk worden gemaakt door de garantiepremie per 1 januari 2010 te verhogen. Zo zal de premie voor leningen met looptijden tot en met één jaar verhoogd worden met 20 basispunten tot 70 basispunten. De premie voor leningen met looptijden langer dan 1 jaar zal worden verhoogd met 50 basispunten.
De verlenging loopt tot en met 30 juni 2010 onder voorbehoud van goedkeuring van de Tweede Kamer en de Europese Commissie.
Meer informatie over dit onderwerp is opgenomen in de Kamerbrief Verlenging garantieregeling.
Bron: persbericht Ministerie van Financiën 7 december 2009
Aanwijzing en Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking overlastfeiten
De Aanwijzing en Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking (2009A020 en 2009R010) afkomstig van het College van procureurs-generaal, treden op 1 januari 2010 in werking en zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder de nummers 2009, 18416 respectievelijk 2009, 18415.
Aanwijzing
In deze aanwijzing worden de regels geformuleerd inzake overlastfeiten waarvoor het Openbaar Ministerie (OM) een strafbeschikking kan doen uitvaardigen op basis van artikel 257a Sv, in samenhang met en ten behoeve van het gemeentelijk beleid om overlast veroorzakende gedragingen te bestrijden. Ook worden enkele randvoorwaarden geformuleerd waaraan het bestuur zich dient te houden als het gebruik wil maken van de strafbeschikkingsbevoegdheid. In de aanwijzing wordt achtereenvolgens behandeld:
- de achtergrond van de strafbeschikkingsbevoegdheid voor overlastfeiten;
- de opsporing, waaronder het beslag;
- de vervolging, waaronder het sepotbeleid;
- de relatie OM en bestuur.
Richtlijn
De richtlijn heeft als doel eenheid te brengen in de wijze van het afdoen van de overlastfeiten door middel van een strafbeschikking die door het OM wordt uitgevaardigd nadat een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) van een gemeente een aankondiging van strafbeschikking heeft opgemaakt (art. 257a Sv). In deze richtlijn is per overlastfeit aangegeven welk geldboetebedrag het OM in de strafbeschikking zal opleggen. De tarieven voor de strafbeschikking overlastfeiten liggen daarmee vast. Zij zijn afgestemd op de doorsnee, voor buitengerechtelijke afdoening vatbare overtredingen. Als het vermelde bedrag in de gegeven situatie als niet passend wordt ervaren, kan het bestuur respectievelijk de BOA afzien van het gebruik maken van de mogelijkheid een verkorte kennisgeving van bekeuring op te maken. De BOA moet in die gevallen een uitgebreid proces-verbaal met betrekking tot de geconstateerde overtreding opmaken. Dit proces-verbaal wordt – onder vermelding van de omstandigheden waarom is afgezien van een verkorte feitgecodeerde afdoening – ter beoordeling ingezonden aan de officier van justitie.
Het bestuursorgaan dient erop toe te zien dat de strafbeschikkingsbevoegdheid in gelijke gevallen op gelijke wijze conform deze richtlijn wordt toegepast.
Nieuw in de aanwijzing en richtlijn
De vorige versies van de aanwijzing en richtlijn zijn op 1 januari 2009 in werking getreden. Deze moesten aangepast worden, omdat daarin de steden die op 1 januari 2009 gestart zijn met de bestuurlijke strafbeschikking (BSB) met name genoemd zijn. Per 1 januari 2010 gaat de verdere inwerkingtreding van de BSB plaatsvinden; de betreffende deelnemende arrondissementen zijn weer met name benoemd. Naast de vier grote steden zullen nu ook de gemeenten in de arrondissementen Zwolle/Lelystad en Almelo met de BSB gaan werken. De richtlijn moest ook aangepast worden omdat de tarieven van sommige feiten per 1 januari 2010 zullen wijzigen.
De Aanwijzing en Richtlijn BSB zullen nog maar een beperkte geldigheidsduur hebben. Naar verwachting treedt de nieuwe Aanwijzing OM-afdoening vanaf 1 april 2010 gefaseerd in werking voor de arrondissementen en gemeenten die starten met de BSB.
In de nieuwe Aanwijzing OM-afdoening wordt de huidige term BSB vervangen door “politiestrafbeschikkingen voor overlastfeiten”. Dit sluit aan bij de terminologie zoals die door de wetgever wordt gehanteerd: OM-strafbeschikking bij artikel 257a Sv, politiestrafbeschikking bij artikel 257b Sv en bestuurlijke strafbeschikking bij artikel 257ba Sv.
Zie ook: de StaatCourant
Ondeugdelijke poging tot skimmen?
De onderhavige gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht op en ook geëigend voor de voltooiing van het misdrijf skimmen. Dit is niet anders indien de aangebrachte apparatuur om enige reden niet naar behoren zou functioneren en om die reden de uitvoering van bedoeld voornemen onmogelijk maakt. Rechtbank Alkmaar 10 november 2009 (LJN BK3093)
Verdediging
Verdachte wordt een poging tot skimmen ten laste gelegd. De raadsman heeft bepleit dat sprake is van een ondeugdelijke poging omdat niet is komen vast te staan dat de door de verdachte geplaatste apparatuur ook daadwerkelijk geschikt is om pinpassen te skimmen.
Rechtbank
Skimmen, is aldus de rechtbank, een vorm van vermogenscriminaliteit die in verschillende fasen wordt uitgevoerd en waarbij specifieke technische kennis en apparatuur vereist is. Het skimmen en uiteindelijk het innen van gelden vereist meerdere handelingen en doorgaans ook een nauwe samenwerking met anderen. Om dus een betaalpas valselijk te kunnen opmaken, moeten eerst handelingen worden verricht, gericht op het verkrijgen van de daarvoor benodigde gegevens. Eén van die handelingen kan bestaan uit het manipuleren van een pinautomaat en deze te voorzien van apparatuur om de gegevens van andere betaalpassen – zoals rekeningnummer en pincode – te verkrijgen.
Verdachte is naar de winkel gegaan en heeft zich na sluitingstijd in laten insluiten. Verdachte heeft van een of meer van zijn mededaders telefonisch aanwijzingen gekregen over de manier waarop de aanwezige pinautomaten dienden te worden gemanipuleerd. Verdachte heeft vervolgens deze pinautomaten opengemaakt en een geheugendrager in één van die pinautomaten bijgeplaatst,
De gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht op en ook geëigend voor de voltooiing van het misdrijf. Dit is niet anders indien de aangebrachte apparatuur om enige reden niet naar behoren zou functioneren en om die reden de uitvoering van bedoeld voornemen onmogelijk maakt.
Van een straffeloze, absoluut ondeugdelijke poging is sprake, indien een middel wordt aangewend, dat in geen geval tot succes kan leiden. Niet aannemelijk is geworden dat de door verdachte aangebrachte skim-apparatuur ondeugdelijk was.
Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof over moord op een 8 jarige scholier
De kern van de uitspraak is dat de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch wordt vernietigd.
Het hof Arnhem zal de zaak opnieuw moeten berechten met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Achtergrond
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor de moord op een 8-jarige scholier in Hoogerheide op 1 december 2006 (hof ’s-Hertogenbosch, 26.2.08, LJN BC5105). Hij voerde tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn eigen verdediging. Eerder achtte de rechtbank moord niet bewezen en was de verdachte voor doodslag veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf en TBS (rechtbank Breda, 6.9.07, LJN BB3032).
De procedure bij de Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch . Volgens de advocaten van de verdachte, wijlen mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer in Amsterdam, is bij de berechting in hoger beroep het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) geschonden. De advocaten stellen onder meer dat het hof niet zonder nader onderzoek had mogen aannemen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
Advocaat-generaal mr. N. Jörg heeft op 21 april 2009 de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander hof om de zaak opnieuw te behandelen.
De uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat een verdachte het recht heeft om zichzelf te verdedigen en af te zien van de bijstand van een advocaat. De rechter zal er dan wel op moeten toezien dat aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet te kort wordt gedaan. Dat betekent dat de rechter moet onderzoeken of de verdachte ondubbelzinnig, bewust en vrijwillig afstand van zijn recht op rechtsbijstand heeft gedaan.
Vervolgens zal de rechter erop moeten letten dat aan de verdachte die geen rechtsbijstand heeft, de informatie wordt gegeven die deze nodig heeft voor zijn verdediging.
In de onderhavige zaak waarin sprake is van moord, waarvoor levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, en waarin ingewikkelde juridische vragen aan de orde waren en veel voor de verdachte op het spel stond, had het hof indringend moeten onderzoeken of de verdachte bewust afstand van rechtsbijstand deed. Het hof had hem daarbij in overweging moeten geven zich nader te beraden over zijn keuze, zonodig na schorsing van de behandeling en in overleg met de aan hem toegevoegde raadsman.
Het hof heeft er geen blijk van gegeven dat het de motieven van de verdachte voor zijn keuze heeft onderzocht hoewel aanwijzingen bestonden dat hij de reikwijdte daarvan niet ten volle overzag. Evenmin blijkt dat het hof de verdachte op cruciale momenten, bijvoorbeeld na het requisitoir van de advocaat-generaal die moord bewezen achtte en de mogelijkheid van levenslange gevangenisstraf noemde, heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van zijn weigering zich door een advocaat te laten bijstaan. Dat betekent dat de uitspraak van het hof niet in stand kan blijven.
Gevolgen van deze uitspraak
De uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch wordt vernietigd. Het hof Arnhem zal de zaak opnieuw moeten berechten met inachtneming van deze uitspraak van de Hoge Raad.
LJ Nummer: BI2315p
Bron: www.rechtspraak.nl
Diefstal van virtuele voorwerpen -> RunScape zaak
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat er in deze zaak sprake is geweest van diefstal als bedoeld in artikel 310 Sr. Als gevolg van de digitalisering van de maatschappij is een virtuele realiteit ontstaan, die niet in alle opzichten kan worden afgedaan als louter illusie, ten aanzien waarvan het plegen van strafbare feiten niet mogelijk zou zijn. Gerechtshof Leeuwarden 10 november 2009 (LJN BK2773)
Is een virtueel voorwerp een goed?
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij en zijn mededader, als speler van een online computerspel ‘RunScape’, een door aangever in dat spel verworven amulet en masker wederrechtelijk heeft toegeëigend. De raadsman heeft aangevoerd dat een virtueel amulet en een virtueel masker niet kunnen worden beschouwd als ‘een goed’ in de zin van art 310 Sr. Het goed is niet alleen tastbaar, noch stoffelijk, maar heeft – in tegenstelling tot bijvoorbeeld elektriciteit- ook geen waarde in het economisch verkeer. Nu het bestanddeel ‘een goed’ volgens de raadsman niet kan worden bewezen, moet verdachte worden vrijgesproken.
Beoordeling Hof
Het Hof dient de vraag te beantwoorden of een virtueel voorwerp een goed is in de zin van artikel 310 Sr. De gedachte dat aan de eis van stoffelijkheid moet zijn voldaan wil een goed binnen de reikwijdte van dit artikel vallen is reeds sedert het Elektriciteitsarrest uit 1921 verlaten. Gaandeweg is in de jurisprudentie ook het economisch waardebegrip steeds verder gerelativeerd en gesubjectiveerd. Relevant is voornamelijk of het goed voor de bezitter ervan waarde heeft, aldus het Hof. In deze zaak is evident dat het bezit van de virtuele goederen en te behalen punten uiterst begerenswaardig is voor het slachtoffer, verdachte en de medeverdachte.
Goed in de zin van artikel 310 Sr
Het slachtoffer heeft aangegeven dat hij erg rijk en sterk was op RunScape. Vanwege zijn grote bezit en de vrees dat hij zou worden gehackt op RunScape veranderde verdachte bijna iedere drie dagen zijn wachtwoord. De medeverdachte heeft verklaard dat hij jaloers zou zijn geweest op het slachtoffer vanwege zijn grote bezit. Uit deze verklaringen kan worden opgemaakt dat voor het slachtoffer, verdachte en diens medeverdachte hun in het spel opgebouwde bezittingen een reële waarde hebben, die hen kan worden afgenomen. Het Hof heeft vastgesteld dat het hier gaat om in de loop van het spel ontstane waarden, die door inspanning en tijdsinvestering zijn verworven of zijn te verwerven.
Het Hof is tot de conclusie gekomen dat redelijke wetsuitleg meebrengt, dat de hier bedoelde virtuele voorwerpen worden aangemerkt als een goed in de zin van artikel 310 Sr. Relevant is voorts dat de spelregels van RunScape niet voorzien in een wijze van verwerving van deze goederen als in casu is geschied. De wegnemingshandeling is gepleegd buiten de context van het spel. Het gaat volgens het Hof niet om virtuele handelingen binnen een virtuele wereld, maar om feitelijke handelingen waardoor een virtuele wereld wordt beïnvloed.
Gebruikersrecht
Een volgende stelling van de verdediging is dat er geen sprake is van eigendom noch van bezit van de betreffende virtuele goederen. Er zou slechts sprake zijn van een gebruikersrecht van het spel RunSpace. Het veranderen van virtuele eigenaar brengt geen verandering in eigendomsrechten in de fysieke wereld. Het spel en alles wat daarbinnen gebeurt, behoort toe en blijft toebehoren aan de eigenaar ervan (Jagex Ltd. UK), aldus de raadsman.
Volgens het Hof geeft de verdediging op deze manier een te beperkte invulling aan het begrip ‘toebehoren’ in artikel 310 Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer binnen het spel de feitelijke en heerschappij had over de goederen. Alleen hij kon, door in te loggen op zijn RunScape- account, bij de door hem verworven amulet en het masker en daarover te beschikken. In strafrechtelijke zin behoorden de in het geding zijnde goederen toe aan het slachtoffer. Hij is door de diefstal getroffen in het ongestoorde genot van de beschikkingsmacht die hij bij uitsluiting van een ander over die goederen had.
Andere jurisprudentiële voorwaarden
Voorts heeft het Hof vastgesteld dat in deze zaak is voldaan aan een andere jurisprudentiele voorwaarde voor diefstal, inhoudende dat de goederen door toedoen van verdachte uit de beschikkingsmacht van aangever moeten zijn geraakt en in die van verdachte zijn gekomen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat dit anders ligt, ten aanzien van het ontvreemden van –bijvoorbeeld- software, computergegevens en een pincode, aangezien het goed daarbij niet uit de beschikkingsmacht van de aangever raakt doch ongewenst ook in die van de ontvreemder. In die gevallen kan er dan ook niet worden gesproken van diefstal.
Straf
Alles overziend is het Hof van oordeel dat er in deze zaak sprake is van diefstal als bedoeld in artikel 310 Sr en heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Wetgeving art 310 Sr
Jurisprudentie Gerechtshof Leeuwarden 10 november 2009 (LJN BK2773)
88% vindt telefoontaps noodzakelijk
Van de bezoekers van ScherpinStrafrecht vindt het meerendeel dat het Nederlandse opsporingsbeleid zo is ingericht dat telefoontaps noodzakelijk zijn.
Begin vorige maand maakte justitie bekend dat in 2008 in totaal 26.425 telefoonnummers zijn afgetapt. Een gemiddelde van 1946 per dag. Dit aantal is ruim tien keer hoger dan in de Verenigde Staten. In de eerste helft van het jaar 2009 is op 13.223 telefoonnummers een bevel tot aftappen afgegeven door het Openbaar Ministerie.
Behalve dat het aantal taps hoog is, heerst er ook nogal wat onduidelijkheid wat er wel en niet mag, en vooral hoe om te gaan met de taps. Voor de advocaten in Nederland geldt dat het grootste gedeelte van hun gesprekken met hun cliënten vertrouwelijk is. Daarom zouden afgeluisterde telefoongesprekken tussen advocaten en hun cliënten moeten worden vernietigd. Maar de Nederlandse overheid heeft jarenlang verzwegen dat niemand wist hoe dat in de praktijk werkte. Uit een e-mail van een deskundige van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) blijkt dat de gebruikte techniek „bedrijfsgeheim” is van de Israëlische leverancier van het computersysteem.
Dit gegeven maakt het extra opvallend dat toch 88%, van de bezoekers die gestemd heeft op deze site, vindt dat de telefoontaps noodzakelijk zijn.
Zie ook:
NRC Handelsblad: Nederland scoort hoog op taprabglijst
Aanmerkelijk hogere straf dan eis officier van Justitie
Verdachte heeft de dood veroorzaakt van een fietsende vrouw, doordat hij wegens grove onoplettendheid met zijn bromfiets frontaal tegen deze vrouw is opgebotst. De rechtbank legt een veel hogere straf op dan geëist door de officier van justitie en veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Feiten
Verdachte rijdt met zijn bromfiets zonder reden plotseling naar de linkerzijde van de weg. Hij rijdt daardoor frontaal tegen een fietsende vrouw aan. Deze vrouw overlijdt later aan de gevolgen van dit ongeval.
Strafmaat
De officier van justitie vordert een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank vindt deze straf te laag en veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze straf is aanzienlijk hoger dan door de officier van justitie geëist, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de strafeis volstrekt onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Ook neemt de rechtbank bij de bepaling van de duur van de werkstraf in aanmerking dat verdachte in de week voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit, reeds twee maal met de politie in aanraking was gekomen ter zake van verkeersovertredingen en hij het dus blijkbaar niet zo nauw nam met de verkeersveiligheid.
Gelet op de ernst van het feit en de mate van schuld van verdachte, is de rechtbank – mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten – primair van oordeel dat geen andere straf op zijn plaats zou zijn, dan één die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Echter, gelet op de lange tijd die is verstreken sinds het plegen van het strafbare feit, het feit dat verdachte sinds 28 oktober 2007 niet meer in aanraking is gekomen met politie en/of justitie en de nog jeugdige leeftijd van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is.
Jurisprudentie:
Rechtbank Haarlem 1 oktober 2009 (LJN BK0382)
De klacht
Zo op het oog kent Nederland een overzichtelijk stelsel als het gaat om de controle op vervolgingsbeslissingen. De officier van justitie krijgt een proces-verbaal binnen van de politie of een spontaan verzoek om vervolging van een burger of een instantie. Hij beslist daarop. Beslist hij om niet te vervolgen dan bestaan daarop twee correctiemogelijkheden: de Minister van Justitie geeft opdracht tot vervolging, eventueel schriftelijk, of het gerechtshof beslist op een klacht van de belanghebbende dat toch tot vervolging moet worden overgegaan.
Op het oog overzichtelijk dus. Waarom kost het mij dan toch telkens de grootste moeite dit aan een internationaal gezelschap van collega’s uit te leggen?
Lees de column van Mr. G.J.W. van Oven >>
Beroep van minderjarige op psychisch overmacht verworpen
De Rechtbank Haarlem heeft een minderjarige verdachte op 29 oktober 2009 vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld voor zware mishandeling. De rechtbank heeft het beroep van de verdediging op psychisch overmacht verworpen en legt verdachte een gecombineerde taakstraf en de Maatregel Hulp en Steun op (LJN BK1576).
Zware mishandeling
Verdachte wordt subsidiair verdacht van zware mishandeling (art. 302 Sr). De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft volgens de verdediging geen stekende bewegingen met het mes gemaakt, maar het slachtoffer heeft letsel opgelopen tijdens de worsteling met verdachte, waarbij het slachtoffer het mes aan het scherpe gedeelte heeft vastgepakt.
Door het vasthouden van het mes heeft verdachte naar het oordeel van de verdediging niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank heeft dit verweer verworpen, omdat uit de aangifte en een getuigenverklaring blijkt, dat verdachte met een mes in zijn hand op het slachtoffer is afgelopen en met dit mes een stekende beweging in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt. Vervolgens heeft het slachtoffer geprobeerd het mes van verdachte af te pakken door dit mes aan het scherpe gedeelte vast te houden. Tussen verdachte en het slachtoffer is een worsteling ontstaan, waarbij verdachte het mes stevig heeft vastgehouden.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door het slachtoffer allereerst te steken en vervolgens het mes stevig vast te houden terwijl het slachtoffer het mes van hem probeerde af te pakken, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer in deze worsteling zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het slachtoffer heeft ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letstel opgelopen, bestaande uit een doorgesneden pees en zenuw in zijn rechterhand.
Geen psychisch overmacht
De verdediging heeft subsidiair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens psychisch overmacht (art. 40 Sr). Verdachte is een 14-jarige, verminderd toerekeningsvatbare jongen en werd al langere tijd door het slachtoffer gepest, waardoor verdachte geen weerstand kon bieden aan zijn woede als gevolg waarvan hij het mes niet heeft losgelaten toen het slachtoffer dat probeerde af te pakken, mede ook omdat verdachte bang was zelf gestoken te worden. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Van psychische overmacht kan slechts sprake zijn indien er een van buiten komende druk bestaat die zo sterk is dat daar redelijkerwijs door verdachte geen weerstand tegen te bieden is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake was, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de pesterijen door het slachtoffer voor verdachte een dusdanige druk hebben opgeleverd dat verdachte daartegen geen weerstand kon bieden. Voorts is komen vast te staan dat verdachte eerst naar huis is gegaan en vervolgens met een mes is teruggekeerd naar het slachtoffer, dit alles binnen een tijdspanne van enkele minuten. Onder die omstandigheden en gezien het tijdsverloop was verdachte in de gelegenheid om na te denken over zijn voornemen en kon hij nog besluiten het delict niet te plegen, zodat ook op dat punt een beroep op psychische overmacht volgens de rechtbank niet opgaat.
Gecombineerde taakstraf
De rechtbank verenigt zich met de conclusie van de psychiater, dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank houdt rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank legt verdachte conform de eis van het Openbaar Ministerie een gecombineerde taakstraf op, bestaande uit een onvoorwaardelijke leerstraf van 20 uur en een werkstraf van 100 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun (art. 77aa Sr).
Wetgeving
art. 302 Sr;
art. 40 Sr;
art. 77aa Sr
Jurisprudentie
Rechtbank Haarlem 29 oktober 2009 (LJN BK1576)
Debat: 'De pers als aanjager van recht en onrecht'
Zitten in Nederland de kranten, de radio en de televisie de rechtspraak wel voldoende op de hielen? En reageert de rechtspraak van haar kant niet al te aangebrand op kritiek? Heerst er onder juristen zoiets als een ‘oestercultuur’?
Maar ook: dwalingen en missers van officieren, advocaten en rechters worden in de pers breed uitgemeten. Verzwakt dat het vertrouwen in de rechtspraak?
Over deze vragen vindt er op maandag 2 november om 20.00 uur in de Zuilenzaal van Felix Meritis, Keizersgracht 324 in Amsterdam.
Aanmelden verplicht via www.felixmeritis.nl.
Na een korte inleidingen door Folkert Jensma, commentator van NRC Handelsblad en Germ Kemper, deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten,
zal enkele journalisten en juristen het vuur na aan de schenen worden gelegd. Namens de journalistiek zullen Bert Huisjes van De Telegraaf, Bas Haan van Nova
en Merel van Leeuwen van dagblad De Pers het woord voeren. Namens de juristen komen o.a. Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, Dick van Dijk, president gerechtshof Arnhem, Gerben Kor, auteur van het boek ‘Medialisering van recht’ en advocaat Stijn Franken aan het woord. Aan het slot zullen de panelleden met elkaar in debat gaan.
Het debat vindt plaats in het kader van de Week van de Rechtspraak, en wordt georganiseerd door de Stichting Persprijs Jacques van Veen in samenwerking met Felix Meritis.
De Stichting Persprijs Jacques van Veen reikt om de drie jaar een prijs uit voor het beste artikel of de beste uitzending over een juridisch thema.
Eerdere winnaars waren een thema-avond over misdaad en straf van de VPRO, Marian Husken van Vrij Nederland samen met Joost Oranje van NRC Handelsblad,
Heikelien Verrijn Stuart voor haar berichtgeving over het Joegoslavie-tribunaal, Violet Cotterell van Het Parool en Frank Kuitenbrouwer, ook van NRC Handelsblad.
De eerstvolgende uitreiking vindt plaats in november 2010. www.persprijsvanveen.nl
Bron:www.om.nl
NFI en FBI trekken samen op in strijd tegen chemisch en biologisch terrorisme
De strijd tegen terrorisme vraagt om een internationale aanpak. Om chemisch en biologisch terrorisme tijdig op te sporen en te onderzoeken, ontmoetten deskundigen uit een tiental landen elkaar deze week in Den Haag tijdens een symposium dat georganiseerd was door het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) en de FBI.
Uitwisseling procedures, protocollen en opsporingsrechnieken
Aan de hand van verschillende scenario’s zijn procedures, protocollen, analysemethoden en opsporingstechnieken uitgewisseld en is gezocht naar verdere mogelijkheden bij het opzetten van een internationaal netwerk en het uitwisselen van kennis. Het symposium werd aangeboden door Frits Huffnagel, locoburgemeester en wethouder Internationale Zaken van Den Haag, internationale stad van vrede en veiligheid.
Problemen op een CBRN-plaats delict
De deelnemers aan het symposium bespraken de uitdagingen waarop zij stuiten bij het toepassen van klassieke forensische technieken, zoals vingerafdrukken en de opsporing van explosieven, op een plaats delict waar sprake is van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair materiaal (CBRN).
Voortbouwend op de kennis en ervaring van het NFI en de FBI, verstevigden de deelnemers hun onderlinge relaties en de mogelijkheden voor uitwisseling van technieken en informatie met betrekking tot forensisch onderzoek in een CBRN-omgeving. Door de combinatie van klassieke forensische toepassingen met krachtige, nieuwe technieken zoals DNA, profiling en digitaal bewijs uit chips en dataverkeer kunnen CBRN-daders worden achterhaald en kunnen wellicht nieuwe delicten worden voorkomen.
Het symposium is een eerste stap op weg naar verdere internationale samenwerking op forensisch CBRN-gebied en onderstreept de noodzaak van een doelgerichte gezamenlijke aanpak bij de bestrijding van internationale dreigingen.
Bilaterale inspanningen
Dit internationale symposium is een direct gevolg van de toegenomen bilaterale inspanningen van de Amerikaanse overheid en Nederland. Als een van de belangrijke spelers op dit gebied was Nederland in juni gastheer van het Global Initiative to Combat Nuclear Terrorism in Den Haag. Tijdens deze internationale conferentie pleitte het NFI al voor een internationale alliantie en kennisuitwisseling op het gebied van nucleair forensische onderzoeksmethoden, technieken en databases.
Speciale eenheden van de FBI (FBI laboratory en Weapons of Mass Destruction Directorate) namen deel aan de voorbereidingen voor het programma. Deze speciale FBI-eenheden borgen de respons van de Verenigde Staten op terroristische incidenten met CBRN of massavernietigingswapens. De experts bespraken hun ervaringen met betrekking tot de werkwijzen bij dergelijke incidenten, het identificeren en verzamelen van bewijsmateriaal en de forensische analyse. Alle deelnemende landen deelden het gemeenschappelijk doel, namelijk het gebruiken van kennis en technieken om CBRN-incidenten op te sporen en te voorkomen.
CBRN-programma
In Nederland is het NFI een van de initiatiefnemers van het programma ter bestrijding van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair terrorisme. Dit programma wordt uitgevoerd onder coördinatie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb). Een van de resultaten is de oplevering in 2010 van het NFI Field Lab waarin onder meer grootschalige CBRN-oefeningen zullen plaatsvinden.
Bron: www.nederlandsforensischinstituut.nl
Sociotherapeute veroordeeld wegens ontucht met tbs’er
Verdachte was werkzaam als sociotherapeute in de Van Mesdagkliniek. Zij heeft daar een seksuele relatie gehad met een tbs’er. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 onder 3o Sr, omdat er sprake was van vrijwillige seksuele contacten die geen verband hielden met de functionele relatie. Dit verweer is door de Rechtbank Groningen (LJN BH4852) gehonoreerd. Het Hof Leeuwarden heeft deze uitspraak vernietigd. Verdachte is door het hof wegens het plegen van ontucht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden (LJN BJ9304).
Gelijkheidsbeginsel
De verdediging heeft aangevoerd dat er binnen de kliniek meerdere onaanvaardbare seksuele relaties bekend zijn en dat het OM in die soortgelijke zaken niet tot vervolging is overgegaan. Door deze verdachte wel te vervolgen, is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en moet het OM niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de verdediging. Het hof heeft dit verweer verworpen. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Een verschil tussen de onderhavige zaak en de andere zaken is, dat er in de onderhavige zaak aangifte is gedaan.
Ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 onder 3o Sr
De verdediging heeft vrijspraak verzocht, omdat er geen sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 onder 3o Sr. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging gesteld, dat er sprake is geweest van vrijwilligheid , van wederzijdse verliefdheid, dat de initiatieven tot seks zijn uitgegaan van aangever en dat uit niets is gebleken, dat de vrijwilligheid van de kant van aangever is beïnvloed door de afhankelijkheid van verdachte als sociotherapeute. Het hof heeft dit verweer verworpen. Er is slechts dan geen sprake van “ontucht plegen”, wanneer de relatie hulpverlener-patiënt bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. In de onderhavige zaak was weliswaar bij het plegen van de seksuele handelingen sprake van vrijwilligheid van de kant van aangever, maar die vrijwilligheid is naar het oordeel van het hof wel degelijk beïnvloed door de afhankelijkheid van verdachte als sociotherapeute. Aangever verbleef ten tijde van de seksuele contacten als tbs’er op een gesloten afdeling van de Van Mesdagkliniek. Aangever was dus niet vrij om te gaan en te staan waar en met wie hij wenste. Verdachte was een van de sociotherapeuten van aangever en maakte deel uit van het behandelteam. Aldus was verdachte mede betrokken bij het verder verloop en de duur van de tbs. Deze functionele relatie bestond ook ten tijde van de seksuele contacten. Dat die contacten plaatsvonden in verdachtes vrije tijd, doet hieraan volgens het hof niet af.
Zie voor de uitspraak in eerste aanleg Nieuwsbericht 2009/126
Wetgeving art. 249 Sr
Jurisprudentie:
Hof Leeuwarden 6 oktober 2009 (LJN BJ9304)
Rechtbank Groningen 5 maart 2009 (LJN BH4852)
Voor de grap iemand bedreigen
Verdachte wordt veroordeeld, zonder oplegging van straf, ter zake van het medeplegen van bedreiging. Hij heeft samen met enkele collega’s iemand opgebeld en een bandje laten horen met daarop een dreigende tekst. Dat dit als grap bedoeld was, neemt niet weg dat in het algemeen een telefoontje waarbij teksten worden gesproken die gaan over het doodmaken van de ontvanger, als bedreiging kunnen worden aangemerkt.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte een van de vele aanwijzingen was op het moment dat het bandje werd afgedraaid en dat andere aanwezigen nooit zijn gedagvaard door deze kwestie.
Opportuniteitsbeginsel
Het opportuniteitsbeginsel (art 167 Sv) houdt in, dat de officier van justitie bevoegd is af te wegen of er redenen bestaan om af te zien van vervolging, op gronden ontleend aan het algemeen belang. De wijze waarop deze belangenafweging heeft plaatsgevonden, staat in zijn algemeenheid niet ter beoordeling van de rechter. Dit is slechts anders indien de vervolging in strijd is met de wettelijke en verdragsrechtelijke voorschriften en/of beginselen van goede procesorde. In casu zijn verdachte en diens medeverdachten vervolgd en zijn zij door het slachtoffer als de potentiële daders aangewezen. Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld, zodat het Hof het verweer heeft verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Geen bedreiging
De raadsvrouw is van oordeel dat er geen sprake was van bedreiging in de zin van art 285 Sr. Het audiofragment kon naar de mening van de raadsvrouw niet een werkelijke vrees opwekken, gelet op de combinatie van het overdreven accent, de lijn van het verhaal die geen betrekking kon hebben op het slachtoffer, het feit dat het bandje meerdere malen werd afgespeeld, alsmede het feit dat het een grap was onder de collega’s, waar meer dan in andere werksferen (misplaatste) grappen worden uitgehaald.
Wel bedreiging
Ingevolge vaste jurisprudentie is slechts sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr, als deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat zij in het algemeen geschikt is de vrees teweeg te brengen dat de bedreigde het leven zou kunnen verliezen. Het Hof is van oordeel dat het afspelen van een bandje over de telefoon met bedreigende teksten, in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Dat dit als grap bedoeld was, neemt niet weg dat in het algemeen een telefoontje waarbij teksten worden gesproken die gaan over het doodmaken van de ontvanger, als bedreiging kunnen worden aangemerkt. Hierbij heeft het Hof ook van belang geacht dat er een bepaalde opbouw in de telefoontjes zat, waarbij eerst alleen werd gerefereerd aan een afspraak, vervolgens wordt aangegeven dat de beller weet waar de aangever woont en ten slotte wordt gezegd dat de beller hem komt opzoeken. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat hij zich daadwerkelijk bang en bedreigd heeft gevoeld. Het Hof heeft het verweer van de raadsvrouw dan ook verworpen.
Medeplegen
Namens verdachte is voorts aangevoerd dat er geen sprake was van medeplegen, nu hij zelf geen handelingen heeft verricht, maar slechts aanwezig was op het moment dat er gebeld werd. Voor hem was het dan ook onmogelijk zich te distantiëren van de feitelijke omstandigheden.
Het Hof heeft ook dit verweer verworpen. Uit de stukken in het dossier is namelijk gebleken dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft zich niet teruggetrokken en heeft zelfs heel hard gelachen om de grap. Ook uit de verklaring van verdachte zelf blijkt dat er sprake was van medeplegen, nu hij zelf heeft verklaard dat ‘we’ verschillende mensen hebben opgebeld en ‘we’ het met elkaar gedaan hebben.
Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
Hoewel het hof van oordeel is dat verdachte een strafbaar feit heeft begaan en verdachte strafbaar is, zal het hof - conform de vordering van de advocaat-generaal en de door de rechter in eerste aanleg gegeven beslissing - aan verdachte geen straf opleggen.
Hierbij heeft het Hof acht geslagen op de omstandigheden van het geval , waarbij verdachte en zijn mededaders ervan uit gingen slechts een grap met het slachtoffer uit te halen. Het Hof heeft mede van belang geacht, dat het slachtoffer in een brief heeft aangegeven dat hij het niet nodig achtte de zaak voor te laten komen omdat de relatie inmiddels is hersteld. Het Hof is dan ook van oordeel dat aan verdachte geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.
Wetgeving:
art. 167 Sv; art. 285 Sr
Jurisprudentie:
Gerechtshof Arnhem 4 september 2009
(gepubliceerd op 7 september 2009, LJN BJ7047)
Inspectierapport Rechtspositie arrestanten gevangeniswezen
De Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) heeft in juni 2009 een doorlichting uitgevoerd bij het Forensisch Psychiatrisch Centrum de Oostvaarderskliniek te Almere. Het algemene beeld dat de Inspectie aantrof is dat de kliniek overwegend voldoet aan de criteria waaraan de ISt tijdens een doorlichting toetst. Naast enkele aanbevelingen ter verbetering van de huidige werkwijze signaleert de ISt als good practice de manier waarop het FPC omgaat met gevallen waarin de tbs door de rechter beëindigd wordt tegen het advies van de kliniek. Met de doorlichting van FPC de Oostvaarderskliniek sluit de ISt een reeks van acht doorlichtingen van FPC’s af. De reeks opende met de doorlichting van FPC de Kijvelanden in januari 2008. Voor het eind van 2009 zal de Inspectie nu een samenvattend rapport uitbrengen waarin zij algemene conclusies over het functioneren van de FPC’s en rode draden die door haar bevindingen heenlopen zal beschrijven.
Conclusies van het rapport
De ISt heeft in juni 2009 FPC de Oostvaarderskliniek doorgelicht op basis van het toetsingskader voor forensisch psychiatrische centra van oktober 2008. Het doel van de doorlichting is te beoordelen hoe het in de Oostvaarderskliniek is gesteld met de rechtspositie en bejegening van tbs-gestelden, de interne veiligheid, de maatschappijbeveiliging en de daarmee samenhangende aspecten van organisatie. De ISt beschouwt daarbij de drie dimensies beleid, uitvoering en borging.
Het algemene beeld dat uit de doorlichting van de Oostvaarderskliniek naar voren komt is dat binnen de Oostvaarderskliniek, op enkele uitzonderingen na, het beleid, de uitvoering en de borging overwegend tot volledig voldoen.
Sinds april 2009 beschikt de Oostvaarderskliniek over een HKZ-certificaat. De inzet om dit certificaat te behalen zal zeker mede hebben bijgedragen aan de openheid en het zelfbewustzijn van de organisatie. Dit uit zich in de mate waarin en volledigheid waarmee beleid, protocollen en werkwijzen zijn vastgelegd. De transparantie maakt ook zichtbaar dat in een enkel geval het beleid nog vooruitloopt op de daadwerkelijke uitvoering en dat de kliniek nog niet toegekomen is aan borging in de zin van evaluatie.
Rechtspositie en bejegening
Op het aspect rechtspositie en bejegening voldoet de Oostvaarderskliniek op een enkele uitzondering na overwegend tot volledig. In de uitvoering zijn de uitzonderingen de beperktheid van de bibliotheekvoorziening en de te lange afhandelingstermijnen van de bemiddelings- en beklagprocedure vanwege een gebrek aan continuïteit in het secretariaat van de commissie van toezicht. In het beleid is de uitzondering dat de kliniek de kaderstelling voor de toepassing van maatregelen beperkt heeft tot middelengebruik. In de borging op het aspect rechtspositie en bejegening is er één uitzondering op het criterium disciplinaire straffen en maatregelen en één op het criterium bemiddeling en beklagprocedure.
In het over het geheel genomen positieve beeld op rechtspositie en bejegening springt de inzet van de kliniek op het criterium verlenging van tbs met verpleging in het oog. Wanneer de rechter, tegen het advies van de kliniek in, beëindiging van de tbs-maatregel gelast, zorgt de kliniek voor een goede begeleiding naar buiten en maakt zo nodig een vrijwillig verlengd verblijf in de kliniek mogelijk.
Interne veiligheid
Op het aspect interne veiligheid voldoet de Oostvaarderskliniek op één uitzondering na overwegend tot volledig. Vanwege het geringe aantal incidenten is de borging op het criterium bestrijding van onderlinge agressie en geweld nog beperkt tot ontwikkeling gekomen. Ook op het criterium bestrijding van onderlinge agressie valt op dat een geïntegreerde beschrijving van beleid ontbreekt.
Maatschappijbeveiliging
Op het aspect maatschappijbeveiliging voldoet de Oostvaarderskliniek overwegend tot volledig op de twee onderscheiden criteria, materiële beveiliging tegen ontvluchting en geleidelijke en gecontroleerde terugkeer naar de maatschappij.
Organisatieaspecten
Op organisatieaspecten voldoet de Oostvaarderskliniek overwegend tot volledig. Mogelijk verbeterpunt in het personeelsmanagement is een kliniekbreed opleidingsplan. De communicatie kan aan transparantie winnen met een publicatieverslag van het managementteam, zodat de besluitvorming wat meer navolgbaar is.
In augustus 2008 opende de Oostvaarderskliniek in een nieuw gebouw in Almere na een verhuizing vanuit Amsterdam en Utrecht. Het is opvallend te zien hoe na tien maanden de verhuizing en het samengaan van twee deelorganisaties zo rimpelloos lijkt verlopen. De ISt trof tijdens haar inspectie geen dispuut aan over Amsterdamse of Utrechtse werkwijzen. De transparantie van het nieuwe gebouw straalt door in een organisatie met een zichtbaar open cultuur.
Aanbevelingen
De ISt beveelt FPC de Oostvaarderskliniek onder meer het volgende aan:
Voorzie de interne doormandatering voor de zogenoemde voorbehouden handelingen van een wettelijke basis door een machtiging daartoe te verkrijgen van de minister van Justitie.
Evalueer met de tbs-gestelden de collectie van de bibliotheek en vul de collectie aan met inzagedocumenten over de in de kliniek geldende wet- en regelgeving zoals het handboek Rechtspositie TBS-gestelden.
Formuleer een geïntegreerd beleid gericht op het voorkomen van onderlinge agressie met bijvoorbeeld een gedragscode voor tbs-gestelden en maak dat bekend bij de medewerkers, de tbs-gestelden en de bezoekers.
Bezie de procesbeschrijving ‘aanvraag verlofmachtiging’ op volledigheid bij de stap tussen het advies van de verlofcommissie en het besluit van de directie en monitor en evalueer het proces van aanvragen.
Bron: www.inspectiesanctietoepassing.nl
Omzien in tevredenheid?
De laatste decennia verheugen we ons in een stormachtige ontwikkeling van het internationaal strafrecht. De ontwikkelingen zijn sinds Neurenberg snel gegaan. Alleen al het aantal speciale internationale gerechtelijke instanties naast het reguliere internationaal strafhof is aanzienlijk. Die instellingen produceren uitspraken, tussenvonnissen en andere beslissingen die tezamen goed zijn voor een indrukwekkende hoeveelheid leesvoer. De rechtspraak geeft weer aanleiding tot beschouwingen door wetenschappers die vervolgens hun handboeken herhaald zien in vaak uitvoerige requisitoiren, pleidooien en vonnissen. Kortom, het internationaal strafrecht is ook een geweldige business geworden. Zijn we nu blij? Zien we om in tevredenheid?Waarom niet eigenlijk. Er wordt recht gesproken in zaken die voorheen straffeloos dreigden te blijven, er is sprake van wetenschappelijk interessante discussies over onder meer individuele en collectieve aansprakelijkheid, we zien nationaal strafrecht soms aangenaam beïnvloed door beslissingen in een van de internationale instanties. Kortom, alle reden voor tevredenheid. Maar er is ook voldoende reden voor kritische reflectie.
Lees verder in de column van Gerard Mols, rector magnificus van de Universiteit Maastricht, hoogleraar Strafrecht en Strafprocesrecht
Discrimerende leuzen
De aangevoerde omstandigheid dat de bewezenverklaarde uitlating “Hamas, hamas, Joden aan het gas” een leus betreft die ‘veelvuldig door voetbalsupporters wordt gebezigd en een onderdeel vormt van de cultuur van voetbalsupporters die daarmee niet de bedoeling hebben om Joodse mensen te beledigen’, staat aan een bewezenverklaring van art. 137c Sr niet in de weg.
Feiten
Verdachte zingt samen met anderen de volgende tekst: “Hamas, hamas, Joden aan het gas”. Door het hof wordt hij veroordeeld wegens discriminatie (art. 137c Sr).
Verdediging
Aangevoerd wordt dat de op zichzelf kwetsende en grievende uitlating, zoals bewezen verklaard, in haar context moet worden bezien. Zij vormt een onderdeel van de cultuur van voetbalsupporters die daarmee niet de bedoeling hebben om Joodse mensen te beledigen. De door verdachte gebezigde tekst was ook niet tot iemand in het bijzonder gericht en kan daarom niet als beledigend in de zin van art. 137c Sr gelden.
Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het beroep. Hij concludeert onder andere het volgende. Dat de leus veelvuldig door voetbalsupporters (beter gezegd: een bepaalde categorie voetbalsupporters) wordt gebezigd en dat zij daarmee niet de bedoeling hebben Joden te beledigen, maar andere supporters willen provoceren, is niet van belang. Voldoende is dat (eventueel: voorwaardelijk) opzet op het beledigende karakter van de leus bestaat. Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof, dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op dat beledigende karakter van de leus, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
Hoge Raad
De Hoge Raad overweegt dat een "leus" die veelvuldig door voetbalsupporters (wordt) gebezigd en een onderdeel (vormt) van de cultuur van voetbalsupporters die daarmee niet de bedoeling hebben om Joodse mensen te beledigen, niet aan een bewezenverklaring in de weg staat. Het middel faalt.
Wetgeving art. 137c Sr
Jurisprudentie Hoge Raad, 15 september 2009, LJN: BI4739
Vrijspraak voor treinmachinist die ongeval veroorzaakte
De rechtbank Arnhem heeft een treinmachinist die een botsing op station Arnhem veroorzaakte vrijgesproken van schuld aan een ongeval op het spoor. Subsidiair werd hem verweten dat hij niet is gestopt voor een rood sein. Voor dit feit wordt de man ontslagen van alle rechtsvervolging.
Feiten
Verdachte negeert een aantal gele seinen (bij de laatste is hij wel langzamer gaan rijden) en stopt niet tijdig voor een rood sein. Daardoor ontstaat er een botsing met een passagierstrein. Aan verdachte wordt primair ten laste gelegd dat door zijn schuld gevaar is ontstaan (art 165 Sr) en subsidiair overtreding van de Regeling Spoorverkeer door niet tijdig te stoppen voor een rood sein.
Officier van justitie
De officier van Justitie verwijt verdachte het volgende:
1. verdachte had geen wegbekendheid voor het treintraject Utrecht-Emmerich;
2. verdachte is met de trein niet gestopt en heeft geen contact opgenomen met de (plaatselijke) treindienstleider toen hij twijfelde over de vraag welke seinen voor hem bedoeld waren terwijl hij dit volgens de geldende instructies wel had moeten doen;
3. voor verdachte is het rode sein op een afstand van ongeveer 435 meter, in ieder geval van grote afstand zichtbaar geweest maar hij heeft dit sein genegeerd totdat het te laat was.
Rechtbank
Ad 1. Wegbekendheid
Er is geen regelgeving voor de te stellen eisen aan het verwerven van wegbekendheid anders dan dat ingevolge artikel 25 van het Besluit Spoorwegpersoneel een vakinhoudelijk leidinggevende de specifieke taakgebonden en bedrijfsgebonden bekwaamheid dient te beoordelen. De vakinhoudelijk leidinggevende van verdachte heeft klaarblijkelijk aan verdachte als eis gesteld eenmaal heen en terug te rijden. Nu verdachte de heenweg eerder had gereden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte voor dit traject beschikte over de vereiste wegbekendheid.
Ad 2. Stoppen/contact met treindienstleider
Bij twijfel over welke seinen voor een machinist gelden, hoeft een machinist niet zonder meer te stoppen. Ook het verminderen van snelheid behoort tot de mogelijkheden. Nu verdachte dat ook heeft gedaan, en met een snelheid van ongeveer 28 kilometer per uur het gele sein voorbij reed, terwijl daar 40 kilometer per uur was toegestaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen in aanmerking te nemen onvoorzichtigheid betracht. Dat verdachte ook geen contact heeft opgenomen met de treindienstleiding acht de rechtbank evenmin onvoorzichtig, nu er voor verdachte geen dwingende reden hiervoor was.
Ad 3. Waarnemen
De rechtbank overweegt dat de afstand vanwaar verdachte het rode sein daadwerkelijk heeft gezien voor de vraag of sprake is geweest van een aanmerkelijke schuld in de zin van art. 165 Sr minder van belang is. Van een oplettend machinist mag immers worden verwacht dat hij de relevante seinen opmerkt en daarnaar handelt zodra die voor hem voldoende zichtbaar zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte terzake geen verwijt treft omdat uit het dossier niet valt op te maken vanaf welke afstand het rode sein zichtbaar is geweest voor verdachte, zodat hij daarop kon anticiperen. Uit het dossier valt eerder af te leiden dat verschillende seinen onvoldoende zichtbaar waren. Wel wordt verdachte op dit punt schuldig bevonden aan overtreding van de Regeling Spoorverkeer door niet tijdig te stoppen voor een rood sein waarvoor hij echter ontslagen wordt van alle rechtsvervolging.
Ontslag van alle rechtsvervolging
Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het rode sein op zeer korte afstand van het gele sein is geplaatst waardoor verdachte, ook als hij bij het gele sein onmiddellijk was gaan remmen, niet meer had kunnen voorkomen dat hij met zijn goederentrein door het rode sein zou rijden. Uit het dossier valt in ieder geval het tegendeel niet op te maken zodat verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden verweten dat hij met de goederentrein niet voor het rode sein is gestopt. Verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.
Wetgeving:
art 165 Sr
Jurisprudentie:
Rechtbank Arnhem 4 september 2009 (LJN BJ6880)
Hof verbindt geen sancties aan gefrustreerd ondervragingsrecht
Verdachte heeft gepoogd om een medebewoner van het asielzoekerscentrum te vermoorden door hem meerdere malen met een mes te steken. De aangever die de verdediging wilde horen, is het land uitgezet voordat de verdediging hem als getuige heeft kunnen horen. Het verdedigingsverweer dat dit dient te leiden tot primair niet-ontvankelijkheid van het OM, subsidiair bewijsuitsluiting en meer subsidiair strafvermindering, wordt door het Hof Leeuwarden verworpen.
Gerechtshof Leeuwarden 31 augustus 2009 (LJN BJ6480)
Ontvankelijkheid
De verdediging heeft aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard (art. 359a Sv), omdat het OM niet heeft voorkomen dat aangever is uitgezet, terwijl bekend was dat hij ter zitting (op verzoek van de verdediging) diende te worden gehoord over de door hem, voor verdachte belastende, afgelegde verklaring. Het hof heeft vastgesteld dat hernieuwde oproeping van de getuige zinloos is, omdat het (wegens de onmogelijkheid hem te traceren) onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen (art. 288 Sv). Dit betekent dat de verdediging niet in de gelegenheid kan worden gesteld aangever te horen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt door het hof verworpen, omdat de A-G de uitzetting niet heeft geïnitieerd of bevorderd en niet op de hoogte is gesteld van het besluit van de IND om aangever uit te zetten voordat de uitzetting plaats vond. De A-G heeft pas kennis genomen van de uitzetting, nadat de uitzetting al had plaatsgevonden.
Geen bewijsuitsluiting
De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van verdachte en van aangever van het bewijs moeten worden uitgesloten. Ten aanzien van de verdachte geldt dat hij zonder tolk is gehoord en ten aanzien van de getuige geldt dat de verdediging hem niet heeft kunnen ondervragen. De verdediging verzoekt vrijspraak, omdat de bekennende verklaring van verdachte ter zitting het enige bewijsmiddel is. Het hof acht de verklaringen van verdachte en de aangifte wel bruikbaar voor het bewijs. De eerste verklaring van verdachte is weliswaar in de Engelse taal afgenomen, maar de verklaring is een dag later aan verdachte voorgelezen door een tolk, waarna verdachte zich akkoord heeft verklaard met de inhoud. Ook later is verdachte niet op zijn bij de politie afgelegde verklaringen teruggekomen. De aangifte is volgens het hof, ondanks het niet kunnen ondervragen van aangever, voldoende betrouwbaar om als bewijs te gebruiken omdat de aangifte steun vindt in de verklaringen van verdachte en een getuige.
Geen strafvermindering
Het hof acht poging (art. 45 Sr) moord (art. 289 Sr) bewezen. Ten aanzien van het opzetvereiste heeft het hof overwogen dat - alhoewel het toegebrachte letsel niet ernstig lijkt - verdachte door het slachtoffer meermalen met een mes te steken (onder andere in de rug en in het hoofd) zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door deze gedraging zou kunnen overlijden. Het hof heeft verdachte een gevangenisstraf van 3,5 jaar opgelegd. Dat de verdediging de aangever niet heeft kunnen horen, heeft het hof bij de strafoplegging niet laten meewegen, omdat verdachte op hoofdlijnen overeenkomstig aangever heeft verklaard. Het OM had 4 jaar gevorderd.
Wetgeving
art 288 Sv;
art 359a Sv;
art 45 Sr;
art 289 Sr
Door politie afgewezen voorstel tot mediation
Dat de politie niet op het voorstel tot mediation is ingegaan, staat niet aan vervolging in de weg. Ook geen sprake van overmacht in de zin van noodtoestand omdat verdachte zich zag geconfronteerd met een conflict van plichten. Verdachte had voor een andere weg kunnen kiezen.
Rechtbank Haarlem 31 juli 2009 (LJN BJ5966)
Feiten
Toen de politie ter plaatse kwam meende verdachte, jongerenwerker, een conflict omtrent een weggenomen fiets al te hebben opgelost door te bemiddelen tussen de betrokkene en de eigenaar. De politie wilde de kwestie niettemin strafrechtelijke afhandelen en betrokkene aanhouden. Verdachte belemmerde de aanhouding en werd daarom vervolgt voor overtreding van art 310 Sr.
Verdediging
De verdediging voert aan dat het OM niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Mediation was namelijk voorgesteld door verdachte en mediation was ook de aangewezen weg. Omdat het OM hier niet op in is gegaan mocht het OM niet meer tot vervolging van verdachte overgaan.
Subsidiair dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van overmacht in de zin van een noodtoestand. Verdachte was geconfronteerd met een conflict van plichten. Enerzijds de plicht om de politie ongestoord haar gang te laten gaan in de strafrechtelijke afhandeling van het incident met de fiets en anderzijds de plicht als jongerenwerker om een brug te slaan tussen het gezag en de jongeren. Verdachte had betrokkene immers gezegd om op de politie te wachten en had hem ook gezegd dat hij zich geen zorgen hoefde te maken omdat er geen aangifte van diefstal van de fiets zou worden gedaan. Op het moment dat de politie betrokkene toch aanhield, moest zij wel ingrijpen omdat haar vertrouwensband met de jongeren anders zou zijn geschaad. Zij zou dan als verlengstuk van de politie worden gezien,
Politierechter
De politierechter wijst beide weren af. Krachtens art 167 Sv is het OM exclusief bevoegd om na afweging van het algemeen belang enerzijds en het belang van de verdachte anderzijds te beslissen of in een individueel geval tot vervolging wordt overgegaan. De rechter kan deze beslissing slechts marginaal toetsen. Het openbaar ministerie kon in het onderhavige geval in redelijkheid komen tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan. Er was immers sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan wederspannigheid in vereniging gepleegd, een ernstig strafbaar feit met een strafmaximum van zes jaren, zodat het publieke belang bij strafvervolging zwaar woog.
Wat het beroep op overmacht aangaat overweegt de politierechter dat verdachte andere mogelijkheden had om met de politie in gesprek te komen over hetgeen was voorgevallen zonder de politie bij de aanhouding van betrokkene te belemmeren, bijvoorbeeld door op het politiebureau een gesprek aan te vragen naar aanleiding van de aanhouding.
Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 150,--.
Wetgeving
art 310 Sr;
art 167 Sv
Ontkennende verdachte veroordeeld voor gewapende overval op casino
De Rechtbank Arnhem heeft op 26 augustus 2009 het medeplegen van een overval bewezen verklaard op basis van de herkenning via camerabeelden van de - met bivakmuts gemaskerde - verdachte door drie getuigen in samenhang met het van verdachte aangetroffen DNA-materiaal op een op de plaats delict gevonden mes. Het verdedigingsverweer dat er in strijd is gehandeld met artikel 151b Sv wordt door de rechtbank verworpen.
Rechtbank Arnhem 26 augustus 2009 (LJN BJ5977)
Verdenking
Drie mannen met bivakmutsen hebben in een casino in Zevenaar onder bedreiging met geweld een diefstal gepleegd, waarbij een bedrag van bijna € 16.000,00 is weggenomen. Verdachte wordt ervan beschuldigd één van de drie mannen te zijn. Verdachte ontkent.
Herkenning
Verdachte is door drie getuigen herkend van beeldmateriaal van een bewakingscamera. Ook is door verbalisanten vastgesteld dat de kruin van de man zoals die te zien is op de foto van de bewakingscamera, overeenkomt met de kruin van verdachte. De verdediging heeft gesteld dat de drie getuigen weliswaar hebben verklaard verdachte van beelden van de bewakingscamera te herkennen, maar slechts op basis van een afbeelding van de achterkant van het hoofd. Bovendien waren de getuigen reeds op de hoogte van het feit dat verdachte was gedetineerd naar aanleiding van overvallen en tevens waren er drie andere getuigen die verdachte aan de hand van dezelfde afbeelding níet herkenden.
DNA-materiaal
Er is onderzoek verricht naar DNA-sporen op het mes dat kort na de overval naast de kassa werd aangetroffen. Op beelden van de bewakingscamera is te zien dat één van de overvallers een mes in zijn hand heeft gehad. Het DNA-materiaal dat is aangetroffen op het mes, komt overeen met het DNA van verdachte. De verdediging heeft aangevoerd dat de DNA-match van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat verdachte ten onrechte op grond van artikel 151b Sv is bevolen mee te werken aan DNA-afname. Voor een bevel ex artikel 151b Sv moet er sprake zijn van ernstige bezwaren. Twee dagen nadat het OM de DNA-afname heeft bevolen, heeft de raadkamer gevangenhouding vastgesteld dat er geen ernstige bezwaren zijn tegen verdachte. Het OM had om deze reden de onderzoeksopdracht naar het DNA-materiaal moeten intrekken, aldus de verdediging.
Veroordeling
Ten aanzien van het DNA-verweer heeft de rechtbank overwogen dat er ten tijde van het bevel tot DNA-afname nog sprake was van ernstige bezwaren (op basis van het bevel bewaring van de R-C). De rechtbank is van oordeel dat het OM de onderzoeksopdracht niet had moeten intrekken na de beslissing van de raadkamer. Uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 151b Sv blijkt dat de wetgever de voorwaarde dat er ernstige bezwaren tegen verdachte bestaan uitsluitend heeft willen verbinden aan de gedwongen afname van celmateriaal, vanwege de daarmee gepaard gaande inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Artikel 151b Sv ziet volgens de rechtbank niet op het nadien te verrichten onderzoek van het celmateriaal.
Omdat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van het mes met daarop zijn DNA op de plaats delict gebruikt de rechtbank de DNA-match als bewijsmiddel. Daarnaast acht de rechtbank de herkenning van verdachte door de drie getuigen voldoende betrouwbaar.
De DNA-match en de herkenning, in onderlinge samenhang bezien, leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs op voor een veroordeling wegens medeplegen (art. 47 Sr) van de gewapende overval (art. 310 jo 312 Sr). Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
Snel hoger beroep schept duidelijkheid voor rechtspraktijk en maatschappij
’s-Hertogenbosch, 20 augustus 2009 - Op vrijdag 21 augustus behandelt het gerechtshof met voorrang twee belastingfraudezaken. Cruciaal in deze zaken zijn afgeluisterde telefoongesprekken tussen ondermeer de raadslieden en hun verdachten: de zogeheten geheimhoudersgesprekken.
Voor de rechtbank Maastricht waren het niet of niet direct vernietigen van die geheimhoudersgesprekken, die zich in het strafdossier bevonden, aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. LJN BI6974 en LJN BI6976.
Het gerechtshof doet in beginsel over twee weken uitspraak in beide zaken.
In april van dit jaar besloot het hof ook al tot een snelle behandeling van een strafzaak in hoger beroep. Toen betrof het de overtreding van het rookverbod door twee eigenaren van een café in Breda. Door, waar nodig, zaken met voorrang te behandelen wil het hof tegemoet komen aan een behoefte van de burger en de rechtspraktijk om snel duidelijkheid te krijgen over principiële kwesties in strafprocessen.
Invrijheidsstelling
Bij de kernvraag die in een WOTS-procedure aan de orde is (welke straf dient te worden opgelegd) is van belang dat in ogenschouw wordt genomen of de ‘nieuwe’ voorwaardelijke, of de oude ‘vervroegde’, invrijheidstelling van toepassing is. Nu de strafoplegging is uitgesproken voor de inwerkingtreding van de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling, is de rechtbank er op grond van het overgangsrecht van uitgegaan dat bij de tenuitvoerlegging van de in deze zaak opgelegde vrijheidsstraf zal worden gehandeld conform de regeling van vervroegde invrijheidstelling zoals deze gold vóór 1 juli 2008.
Feiten
Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan invoer in Portugal van een hoeveelheid materiaal, bevattende heroïne. De veroordeelde zou voor het transporteren van de verdovende middelen van Nederland naar Portugal een bedrag van tweeduizend euro ontvangen.
Een juiste toepassing van het Verdrag van 21 maart 1983 (Trb. 1983,74) en de wet brengt met zich mee dat bij de omzetting van de door een buitenlandse rechter opgelegde straf enerzijds rekening wordt gehouden met de opvattingen omtrent de ernst van het delict die leven in het land waar het delict gepleegd is, onder meer tot uitdrukking komend in de hoogte van de strafbedreiging en de opgelegde straf, en anderzijds met de Nederlandse opvattingen en maatstaven dienaangaande en andere voor de straftoemeting van belang zijnde omstandigheden.
Aangezien artikel 10, lid 2 van het Verdrag bepaalt dat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet mag worden verzwaard, houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat, indien de veroordeelde in maximale zin zou hebben geprofiteerd van de in Portugal geldende regeling betreffende de vervroegde invrijheidstelling, zij op 18 mei 2009 op vrije voeten zou zijn gesteld.
Op de zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat bij de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank bij deze uitspraak (eventueel) op te leggen vrijheidsstraf, de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is, zoals deze op 1 juli 2008 in werking is getreden . De officier van justitie heeft dit standpunt echter niet nader onderbouwd.
Het is van belang om bij het bepalen van de in deze procedure op te leggen straf te beoordelen of het oordeel van de officier van justitie rechtens houdbaar is. Dit belang is gelegen in het feit dat de veroordeelde bij toepassing van de regeling van vervroegde invrijheidstelling, zoals deze gold tot 1 juli 2008 bij haar invrijheidstelling, zonder en bij toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling met ( een algemene en/of bijzondere) voorwaarde(n) wordt (kan worden) geconfronteerd.
Memorie van toelichting
De minister van Justitie heeft in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005-2006, 30 513, nr. 3, p. 27) bij -kort gezegd- de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de Wet) (Stb. 2007, 500), aangegeven dat door de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling de straf ten opzichte van de regeling van vervroegde invrijheidstelling niet wordt verzwaard, maar slechts van karakter wordt veranderd. Het kan de minister van Justitie worden toegegeven dat de duur van de (netto) straf gelijk blijft ongeacht of de regeling van vóór of die van na 1 juli 2008 wordt toegepast. Het maakt voor de veroordeelde echter onmiskenbaar verschil of zij met of zonder (bijzondere) voorwaarde(n) gekoppeld aan de invrijheidstelling terugkeert in de maatschappij. Daarbij wordt opgemerkt dat dit in algemene zin niet noodzakelijkerwijs steeds een voor de veroordeelde belastend verschil betreft. Een veroordeelde kan immers ook heel wel baat hebben bij (met name) bijzondere voorwaarden.
Het staat in ieder geval vast dat de invulling van de tenuitvoerlegging uiteindelijk een andere kan zijn. Het is daarom ook evident dat bij de kernvraag die in deze procedure aan de orde is; welke straf moet aan de veroordeelde worden opgelegd, in ogenschouw moet worden genomen welke v.i. regeling uiteindelijk van toepassing is.
Zoals hiervoor al is vermeld heeft de officier van justitie zijn standpunt dat op de tenuitvoerlegging de ‘nieuwe regeling’ van toepassing is niet nader onderbouwd. Onderzoek in raadkamer in openbare bronnen op dit punt heeft niet meer geleerd dan dat het openbaar ministerie de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling toepast op alle personen die in het kader van de Wots na 1 juli 2008 naar Nederland zijn, of zullen worden overgebracht. Van enige (wettelijke) grondslag voor dit ‘beleid’ is uit dit onderzoek niet gebleken. Wel is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat de Wet overgangsrecht kent. Ingevolge artikel VI van de Wet heeft de Wet geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die voor de inwerkingtreding van de Wet zijn uitgesproken. In die gevallen is de oude regeling van vervroegde invrijheidstelling van toepassing.
In de onderhavige procedure is ondanks het feit dat strafoplegging plaatsvindt geen sprake van een veroordeling tot vrijheidsstraf. De grondslag voor de strafoplegging die in deze procedure plaatsheeft is gelegen in de veroordeling tot vrijheidsstraf door de buitenlandse rechter. Deze is uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de Wet.
Gelet op genoemd artikel VI van de Wet is bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, dan ook uitgegaan dat bij de tenuitvoerlegging van de in deze zaak opgelegde vrijheidsstraf zal worden gehandeld conform de regeling van vervroegde invrijheidstelling zoals deze gold vóór 1 juli 2008.
De rechtbank acht alles afwegende passend en geboden dat de veroordeelde thans een gevangenisstraf wordt opgelegd van hierna te melden duur.
Jurisprudentie
Rechtbank Rotterdam 10 augustus 2009 (gepubliceerd op 13 augustus 2009, LJN BJ5208)
Nieuwe publicaties over inkoop forensische zorg
Onlangs zijn een paar belangrijke publicaties uitgebracht door de Directie Forenische Zorg van DJI. Het gaat om de nota "Uitgangspunten zorginkoop forensische zorg 2010" en om de handleidingen Inkoop Forensische Zorg 2010.
De nota met uitgangspunten is tot stand gekomen met medewerking van zorgaanbieders, brancheorganisaties en ketenpartners in de forensische zorg.
De uitgangspunten vormen de basis voor de verdere uitwerking van de zorginkoopprocedure, die is opgenomen in de verschillende handleidingen.
De handleidingen hebben verschillende doelgroepen en inhoud:
-handleiding planning & control voor de rijks FPC (afspraken en richtlijnen van verschillende rapportages als jaarplan, jaarverslag);
-handleiding planning & control voor de particulier, justitiële FPC (afspraken en richtlijnen van verschillende rapportages als jaarplan, jaarverslag);
-handleiding inkoop forensische zorg 2010 (leidraad voor offertes van nieuwe en bestaande aanbieders van forensische zorg).
De publicaties zijn te downloaden via de volgende pagina.
Meer informatie
Directie Forensische Zorg
Bron:www.dji.nl
Datum publicatie: 14 augustus 2009
Toegankelijke rechtspraak: wetsvoorstel evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie
Op 27 juli 2009 heeft de minister van Justitie het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit wetsvoorstel bevat enkele maatregelen naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie, die is uitgevoerd door de Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie (commissie-Deetman).
Een van de maatregelen is uitbreiding van de bevoegdheid van de kantonrechter om zaken te behandelen.
Op dit moment behandelt de kantonrechter civiele zaken met een waarde tot €5.000 en een aantal typen zaken ongeacht het financiële belang, zoals arbeids- en huurzaken. Alle overige civiele zaken worden behandeld door de civiele rechter.
Burgers kunnen straks voor zaken tot € 25.000 en in alle geschillen over consumentenkrediet (leningen tot € 40.000) en consumentenkoop zonder advocaat bij de rechter terecht. Bij de kantonrechter hoeft een burger namelijk – anders dan bij de civiele rechter – geen advocaat mee te nemen, maar kan hij zijn eigen zaak bepleiten of andere juridische ondersteuning inschakelen. De Raad voor de rechtspraak juicht de verruiming toe omdat de rechtspraak daarmee toegankelijker wordt voor de burger. De burger zal immers in meer zaken zelf de keuze kunnen maken of hij gebruik wil maken van een advocaat.
Als gevolg van de uitbreiding van de bevoegdheid van de kantonrechter zal het aantal zaken bij de kantonrechter toenemen en het aantal zaken bij de civiele rechter afnemen. Het is daarnaast niet uitgesloten dat er van de veranderingen ook een aanzuigende werking uitgaat. Ervaringen in het verleden lijken echter niet op dit effect te wijzen.
Samenwerking gerechten
Vooruitlopend op de herziening van de gerechtelijke kaart maakt het wetsvoorstel het voor de gerechten beter mogelijk om samen te werken, zowel wat betreft de bedrijfsvoering als de zaaksbehandeling. Op het gebied van bedrijfsvoering kan de Raad gerechten opdragen een samenwerkingsverband te creëren, bijvoorbeeld op het gebied van automatisering of beveiliging.
Daarnaast kunnen bepaalde zaken, met het oog op de kwaliteit en continuïteit, op aanwijzing van de Raad worden overdragen aan een andere rechtbank binnen een ressort. Dit kan als een rechtbank tijdelijk te weinig (specialistische) zittingscapaciteit heeft.
Op bestuurlijk gebied kan een bestuurslid tegelijkertijd deel uit maken van twee gerechten. Dit maakt het onder andere mogelijk om de bestuurlijke organisatie van de Rechtspraak verder te ontwikkelen, zeker ook met het oog op de bestuurlijke fusies tussen gerechten in de toekomst. De herziening van de gerechtelijke kaart wordt in de toekomst vormgegeven in een apart wetsvoorstel.
Andere maatregelen
De Raad krijgt in het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie de bevoegdheid om nevenlocaties aan te wijzen. Tot dusver zijn nevenlocaties nog wettelijk verankerd. In de toekomst zullen volgens het wetsvoorstel alleen de hoofdlocaties in de wet vastgelegd worden.
Met het oog op de onevenwichtige verdeling van zaken over de vijf gerechtshoven, bevat het wetsvoorstel voorstellen voor een nieuwe indeling van de ressorten. Ressort Leeuwarden wordt uitgebreid met de arrondissementen Almelo en Zwolle-Lelystad. Arrondissement Utrecht komt in ressort Arnhem te vallen en arrondissement Middelburg in ressort Den Bosch.
Het voorstel bevat ook mogelijkheden om klachten tegen een rechter in te dienen bij de Hoge Raad. Dit is een aanvulling op de al bestaande mogelijkheid om een klacht in te dienen bij het gerecht waar de betreffende rechter werkzaam is.
Lees ook:
- Het advies van de Raad voor de rechtspraak (pdf) met bijlage (juli 2008)
- Themadossier herziening gerechtelijke kaart
- Achtergrondinformatie Commissie Deetman
- 'Ruim baan voor de burger' (pdf): eindrapport van de adviescommissie verbreding kantonrechtspraak (Commissie Hofhuis, november 2007)
Bron: www.rechtspraak.nl
Datum actualiteit: 29 juli 2009
Inhoudsopgave Nieuwsbrief Strafrecht 2009, aflevering 8
Het strafrecht is altijd in beweging: de rol van de media in strafzaken, de reikwijdte van artikel 591a Sv en de evaluatie van bijzondere opsporingsmethoden, nieuwe regelgeving en veel nieuwe jurisprudentie, Het tijdschrift Nieuwsbrief Strafrecht biedt u een betrouwbaar overzicht van alle recente ontwikkelingen op het gebied van het strafrecht. 14 maal per jaar actuele informatie over wetgeving, beleid en jurisprudentie. De informatie is beknopt en volledig: precies de informatie die u nodig heeft, met in deze editie:
Redactioneel
Hou je mond, want de zaak is onder de rechter
Regelgeving
. Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Waterschappen 2009
. Wijziging Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen
. Wijziging regelingen betekening i.v.m. Centrale Verwerking Openbaar Ministerie
. Wijziging Besluit instelling criminele inlichtingen eenheid SIOD
Rechtspraak
NbSr 2009, 249, Hoge Raad 30 juni 2009, nr. 2411.08 J
Een aangehouden verdachte dient voor de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als in de zaak Salduz tegen Turkije (NbSr 2009, 1) door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Dat ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen. Voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Na een daartoe strekkend verweer zal het vormverzuim in de regel dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. Dat geldt ook voor een verweer dat betrekking heeft op bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van een voor het bewijs onbruikbare verklaring zoals hiervoor bedoeld (zie ook NbSr 2009, 250). Het middel dat klaagt over schending van de rechten van de minderjarige verdachte doordat hem niet tijdig een raadsman is toegevoegd als gevolg waarvan hij zonder bijstand van een raadsman door de politie over de feiten is verhoord, miskent dat beroep in cassatie alleen gericht kan zijn tegen handelingen en uitspraken van de rechter. [EVRM art. 6; Verdrag inzake de rechten van het kind art. 40 lid 2 sub b onder III; Wet RO art. 78 lid 1; Sv art. 41]
NbSr 2009, 250, Hoge Raad 30 juni 2009, nr. 3143.08
Het verweer dat het Hof – in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM – de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken, kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt (zie ook NbSr 2009, 249). [EVRM art. 6]
NbSr 2009, 251, Hof Amsterdam 24 april 2009, nr. 126.08R
Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden en de nadelige gevolgen voor de verzoeker van de ten onrechte ondergane detentie, is een hogere vergoeding dan de forfaitaire bedragen in dit geval gerechtvaardigd. [Sv art. 89]
NbSr 2009, 252, Hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2009, nr. 224.09 AVNR
De verdenking ten tijde van het bevel inverzekeringstelling bestond uit overtreding van art. 142 Sr. Voor dat feit is geen voorlopige hechtenis toegelaten, waarmee het bevel inverzekeringstelling onrechtmatig is. Het gebrek is zo ernstig dat het ook het nadien gegeven bevel inbewaringstelling en het bevel gevangenhouding aantast. [Sv art. 57, 63, 65]
NbSr 2009, 253, Rechtbank Amsterdam 15 mei 2009, parketnr. 13.457599.08 (Promis)
Het binnentreden in de woning van de verdachte, de aanhouding en de doorzoeking hebben rechtmatig plaatsgevonden en derhalve is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. [Sv art. 29, 54, 348; Algemene wet op het binnentreden]
NbSr 2009, 254, Rechtbank Amsterdam 20 mei 2009, parketnr. 13.457775.08 (Promis)
Bij de verdachte was het voorwaardelijk opzet op doodslag aanwezig, nu hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met een kogel uit zijn pistool het slachtoffer zou doodschieten. Bij de strafoplegging wordt acht geslagen op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de Hoven en de Rechtbanken. [Sr art. 287; Sv art. 351]
NbSr 2009, 255, Rechtbank Amsterdam 9 juni 2009, parketnr. 13.477002.08
De vermelding van een verkeerde strafbepaling leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. De vraag of de werkzaamheden van het slachtoffer in de prostitutie het gevolg zijn geweest van dwang of misbruik van de zijde van de verdachte, wordt bevestigend beantwoord. Straftoemeting terzake. De vordering van de benadeelde partij wordt in volle omvang toegewezen. [Sr art. 36f, 56, 57, 63, 250a (oud), 250ter (oud), 273f , 420bis, 420ter; Sv art. 351]
NbSr 2009, 256, Rechtbank Amsterdam 12 juni 2009, parketnr. 13.412169.08 (Promis)
Zaak Sylvia Millecam. Opzettelijke benadeling door de verdachte, werkzaam als arts in een alternatieve medische praktijk, van de gezondheid van Sylvia Millecam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, is bewezen. Terzake wordt geen straf of maatregel opgelegd, mede gezien het tijdsverloop, de media-aandacht en de tuchtrechtelijke veroordeling van de verdachte (zie ook NbSr 2009, 257 en 258). [Sr art. 308, 309; Sv art. 351]
NbSr 2009, 257, Rechtbank Amsterdam 12 juni 2009, parketnr. 13.412170.08 (Promis)
Zaak Sylvia Millecam. Opzettelijke benadeling door de verdachte, werkzaam als arts, van de gezondheid van Sylvia Millecam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, is bewezen. Terzake wordt geen straf of maatregel opgelegd, mede gezien het tijdsverloop, de media-aandacht en de tuchtrechtelijke veroordeling van de verdachte (zie ook NbSr 2009, 256 en 258). [Sr art. 308, 309; Sv art. 351]
NbSr 2009, 258, Rechtbank Amsterdam
12 juni 2009, parketnr. 13.412172.08 (Promis) Zaak Sylvia Millecam.
De verdachte, zich noemende Jomanda, is jegens Sylvia Millecam ernstig tekort geschoten in de zorgvuldigheid die zij in acht had moeten nemen, maar deze handelwijze is, gezien de uitzonderlijke omstandigheden rond de ziekte van Sylvia Millecam, en gezien haar persoonlijkheid, niet van zodanige invloed geweest, dat de verdachte rechtens verantwoordelijk kan worden gehouden voor de schade aan de gezondheid (zie ook NbSr 2009, 256 en 257). [Sr art. 308, 309; Sv art. 352 lid 2]
NbSr 2009, 259, Rechtbank ’s-Gravenhage 8 mei 2009, parketnr. 9.997161.05
Er zijn zo veel twijfels gerezen aan de juistheid van de aangifte van de curator in het faillissement, dat het niet mogelijk is de dagvaarding op grond van het door de FIOD op basis van die aangifte uitgevoerde onderzoek te beoordelen, zodat vrijspraak moet volgen. [Sr art. 341; Sv art. 352 lid 1]
NbSr 2009, 260, Rechtbank Leeuwarden 21 april 2009, parketnr. 17.880153.08
Gelet op het verweer is vooralsnog onvoldoende duidelijk of de verdachte door zijn medische toestand detentiegeschikt is en zo ja, of voor hem een bijzondere detentieplaats nodig is. Een deskundigenonderzoek daarnaar is dan ook noodzakelijk. [Sr art. 9, 10; Sv art. 350, 351, 358 lid 3](zie ook nieuwsbericht 2009/322)
NbSr 2009, 261, Rechtbank Leeuwarden 3 juni 2009, parketnr. 17.880222.09
Hoewel sprake is van ernstige bezwaren ten aanzien van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en uit omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, kan gelet op de gang van zaken in deze zaak niet worden volgehouden dat deze gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. [Sv art. 67a lid 1 onder b]
NbSr 2009, 262, Rechtbank Maastricht 9 juni 2009, parketnr. 3.993058.05
Het gedurende vier jaren in strijd met art. 126aa Sv bewaren van opgenomen telefoongesprekken tussen de verdachten en verschoningsgerechtigden, levert een zodanige schending op van de beginselen van een goede procesorde, dat de officier van justitie daarmee zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld. [EVRM art. 6; Sv art. 126aa, 218, 283 lid 1]
NbSr 2009, 263, Beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 11 mei 2009, nr. 2962.07
De beslissing om klager in een longstayvoorziening te plaatsen, moet bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, als onredelijk en onbillijk worden beschouwd. [Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden art. 11 lid 2, 66 lid 3 onder a, 69 lid 5]
Vaardige verdediging in hoger beroep
Gaat u eens een ochtend in de zaal zitten bij een gewone strafzitting en let op de verdediging. Grote verschillen, maar het zal u over het geheel genomen allesbehalve geruststellen. Ik heb het over gewone raadslieden in gewone zaken, niet over door de wol geverfde specialisten.
Wat vindt u:
– wordt u bij de hand genomen door het pleidooi, zette het de zaak in een ander perspectief, hebben argumenten overtuigingskracht, spreekt de presentatie aan?
– weet de raadsman het contact te leggen en vast te houden, komt de cliënt tot leven en slaat de raadsman een brug tussen de cliënt en de rechter?
– trekt hij de rechter in een ander spoor, sluit de raadsman aan bij waar de rechter zit?
En dan de gewetensvraag: zou u als rechter de beslissingen nemen, die u volgens de raadsman zou moeten nemen?
'Vaardige verdeging in hoger beroep' is een lezing van Mr. R. Wery en deel twee in de 'lezingenreeks van de NVSA'.
Samen met Sdu Uitgevers wordt deze 'lezingreeks van de NVSA' gepubliceerd. De eerste editie 'een effectieve verdediging in de ogen van de rechter' van Prof. mr. J. Boksem, is vorige maand meegestuurd met Strafblad, deel twee verschijnt binnenkort eveneens bij Strafblad maar net als deel één is deel twee 'Vaardige verdediging in hoger beroep' voor bezoekers van ScherpinStrafrecht.nl hier ook te lezen.
Protest tegen opslag vingerafdruk
De opslag van vingerafdrukken in een landelijke databank is in strijd met de grondwet en de mensenrechten. Dat vindt het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM). ‘Deze regeling is een inbreuk op de privacy. Het is de omgekeerde wereld: iedereen is verdacht tot blijkt dat het niet zo is.’
Wat vindt u er van? Laat het weten door te stemmen in de 'poll' hier rechts.
Opsporing
Vanaf 21 september moet iedereen die een nieuw paspoort aanvraagt vingerafdrukken af laten nemen. Deze komen in het paspoort te staan, maar worden tegelijkertijd ook opgeslagen in een databank. De officier van justitie mag deze gegevens gebruiken bij opsporingsonderzoeken.
Schaduwrapportage
Dinsdag en woensdag buigt het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties in Genève, in het bijzijn van minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin, zich over de vraag of de regeling in strijd is met de mensenrechten. Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) heeft een schaduwrapportage ingediend en hoopt dat het comité vaststelt dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.
Inbreuk
‘Wij zijn niet tegen biometrische gegevens in het paspoort, maar wel tegen opslag in een databank, omdat dit met andere doeleinden gebeurt. Niet tegen identiteitsfraude, maar voor terrorisme- en criminaliteitsbestrijding’, aldus NJCM-voorzitter Quirine Eijkman. ‘En dat is een inbreuk op de privacywetgeving. Wij hopen dat het comité dit aan de kaak stelt.’ Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft in een advies uit 2007 al veel kritiek geuit op de regeling.
Debat
De Tweede en Eerste Kamer hebben ingestemd met de wijziging in de Paspoortwet, die deels voortkomt uit Europese wetgeving. Het kabinet heeft zelf besloten de gegevens op te slaan voor opsporingsonderzoeken. ‘Het kabinet slaat heel erg door. Je kunt best om bepaalde redenen mensenrechten beperken, maar het gaat hier om een ander doel. Dan moet je dat ook benoemen, want dan kan er ook democratisch debat over plaatsvinden.’
Berisping
In Engeland en Duitsland speelt de discussie ook, weet Eijkman. ‘Maar Nederland heeft geen constitutioneel hof, dus hebben wij het bij de Verenigde Naties op de agenda gezet. Ze gaan er bijna zeker vragen over stellen, want het staat op de “list of issues”.’ Het VN-comité toetst eens in de vijf jaar of Nederland zich aan het burgerrechtenverdrag houdt. Een berisping voor Nederland zou hard aan kunnen komen, omdat Nederland zich als gidsland in de juridische wereld wil profileren. ‘Het oordeel van het comité is politiek en moreel bindend. Wij zien het niet als berisping, maar als een gezaghebbende aanbeveling. Nederland zou het als gidsland ook serieus moeten nemen.’
Klacht
Andere burgerrechtenorganisaties willen een klacht indienen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De NJCM overweegt nog of ze hieraan meedoet. Op 8 oktober houdt het NJCM het congres “16 miljoen BN’ers” over de overheid als legitieme beschermer van de Nederlanders, maar ook over inbreuk op privacy door de overheid en het gebruik van gegevens voor andere doeleinden dan waarvoor ze bedoeld zijn. ‘Identiteitsfraude wordt een groot probleem, maar de overheid moet ook eerst iemand verdenken voor het gegevens van burgers gebruikt. Dat is een essentieel mensenrecht.’
Bron:www.binnenlandsbestuur.nl
Bijna honderd aangiftes drugsmisdrijven militairen
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft vorig jaar 98 aangiftes binnengekregen over militairen die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan drugsgerelateerde misdrijven. Het gaat onder meer om zaken als het gebruik, de smokkel en handel in verdovende middelen door militair personeel. De zaken hebben zowel betrekking op hard- als op softdrugs.
0 reactie(s) Print dit artikel | Tip de redactie
Dat stelde een woordvoerster van het parket in Arnhem dinsdag. Ze bevestigde daarmee berichtgeving van het NOS-journaal.
In totaal handelde het OM in Arnhem, dat als enige parket militaire zaken behandelt, in 2008 69 zaken af die te maken hadden met harddrugs. Het parket deed 59 zaken met betrekking tot softdrugs af. Volgens een zegsman van het ministerie van Defensie volgt in alle gevallen waar harddrugs in het spel zijn ontslag. Bij softdrugs is er nog een kleine uitweg. Iemand kan een keer een waarschuwing krijgen als een geringe hoeveelheid wordt aangetroffen die duidelijk voor privégebruik is.
Of alle 98 aangiften in 2008 eindigden met ontslag van de betrokken militair kan Defensie niet zeggen. ‘Ik vermoed dat het aantal ontslagen niet veel afwijkt van het aantal aangebrachte zaken. Een militair heeft een voorbeeldfunctie. De Nederlandse samenleving moet vertrouwen hebben in de krijgsmacht. Dat is een buitengewone verantwoordelijkheid’, aldus de woordvoerder.
Sinds 2008 kan de commandant van een legereenheid een test eisen als hij alcohol- of drugsgebruik vermoedt bij een medewerker. Militairen zijn verplicht mee te werken aan deze test. Of hierdoor meer drugsgerelateerde zaken aan het licht kwamen, is niet bekend, aldus Defensie.
D66 maakt zich zorgen over het zero-tolerancebeleid bij Defensie. De partij van Alexander Pechtold vraagt zich bijvoorbeeld af wat er gebeurt met militairen die opbiechten dat ze drugs gebruikten.
Bron: re.Public
Koningin verleent na 23 jaar weer gratie
Een 50-jarige man uit Voorne-Putten die een levenslange gevangenisstraf uitzat, heeft gratie gekregen. Hij is vrijgelaten, omdat hij terminaal ziek is. Het is voor het eerst sinds 1986 dat in Nederland gratie is verleend bij het opleggen van levenslang. Destijds kwam de seriemoordenaar Hans van Zon op vrije voeten.
De man uit Voorne Putten zat vast voor een dubbele moord in de Duitse stad Frankfurt in 1992. Hij zou twee mannen hebben doodgeschoten bij een eetcafé. De Duitse rechter legde hem levenslang op. Die straf werd door Nederland overgenomen, toen hij in 1998 naar een gevangenis in ons land verhuisde.
Koningin Beatrix zet persoonlijk handtekening onder vrijlating
Gratie wordt verleend bij Koninklijk Besluit. Koningin Beatrix zet persoonlijk haar handtekening onder de vrijlating. In deze zaak is dat op 29 juni gebeurd.
Advocate Judith Serrarens had al eerder in kort geding gevraagd om haar cliënt vrij te laten, op medische gronden. Dat werd afgewezen. De advocate vindt het ver gaan dat gratie nu alsnog wordt verleend, enkel om de laatste weken stervend bij de familie door te brengen. "Mijn cliënt heeft er gemengde gevolens bij. Hij is blij dat hij nu bij zijn vrouw en kinderen is, maar het heeft erg lang geduurd voor deze beslissing is genomen. De gevangenhouding diende al geruime tijd geen enkel doel meer".
De vrijlating komt op een moment dat het opleggen van levenslange gevangenisstraffen in Nederland ter discussie staat. De Hoge Raad oordeelde onlangs, op 16 juni, dat levenslang niet in strijd is met de mensenrechten zoals die zijn vastgelegd in een Europees verdrag. Wel tekende de hoogste rechtsinstantie aan dat er enig perspectief moet zijn op vrijlating.
'Levenslang gestraften aan hun lot overgelaten'
Volgens sommige advocaten is dat perspectief er niet en is de mogelijkheid op gratie in Nederland een dode letter. In de Rotterdamse zaak-Inn & Out, waarbij drie verdachten levenslang hebben gekregen voor een drievoudige moord, hebben de advocaten betoogd dat het hier een inhumane straf betreft. Zij wijzen erop dat in vrijwel alle Europese landen na verloop van tijd wordt bekeken of de levenslange straf nog wel zinvol is bij een veroordeelde. In Nederland gebeurt dat niet. "Levenslang gestraften worden volledig aan hun lot overgelaten", aldus de advocaten. Zij hebben nader onderzoek gevraagd naar het gratiebeleid in Nederland.
Eén van de advocaten, mr. Julius von Boné, zegt dat ook het huidige geval van gratie van de man uit Voorne-Putten hem niet op andere gedachten brengt. "De Hoge Raad zegt duidelijk dat een gestrafte de hoop moet kunnen houden dat hij ooit weer vrijkomt. Ik kan mij niet voorstellen dat de Raad het een hoopvolle gedachte vindt dat je naar huis mag enkel en alleen om te sterven".
Het gerechtshof in Den Haag maakt op 17 juli bekend of zij nader onderzoek wenst naar de levenslange straffen in Nederland, of dat zij direct uitspraak kan doen tegen de drie verdachten.
Bron: rtv.rijnmond.nl
ScherpinStrafrecht ook op Twitter
Wilt u ook altijd op de hoogte blijven van de artikelen op ScherpinStrafrecht? Dat kan!
We hadden natuurlijk al de RSS Feeds (rechtsboven) die u aan uw RSS reader, iGoogle pagina of website kunt toevoegen. Nu zijn alle updates ook te volgen op Twitter. Kijk op www.twitter.com/schrpinstrfrcht voor de Tweets van ScherpinStrafrecht en klik op ‘follow’.
Zo bent u nog beter op de hoogte en zijn wij nog scherper!
Mishandeling van een politieagent
De rechtbank Arnhem heeft een 51-jarige man uit Ede veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden voor mishandeling van een politieagent. De politieagent heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat er bij de mishandeling geen sprake was van opzet en spreekt verdachte daar dan ook van vrij. Rechtbank Arnhem 7 juli 2009 (LJN BJ1720)
Feiten
Twee verbalisanten hebben verklaard te hebben gezien dat verdachte iets uit een jerrycan over de struiken gooide. Een van de verbalisanten, het slachtoffer, heeft de verdachte toegeroepen dat hij was aangehouden. Wanneer het slachtoffer verdachte bij diens jas grijpt, rukt deze zich los en rent zijn woning in. Vervolgens pakt het slachtoffer verdachte beet op de trap, waarnaar deze zich omdraait naar het slachtoffer en hem een vuistslag in het gezicht geeft.
Standpunt verdachte
De raadsvrouw heeft gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat het letsel van het slachtoffer is ontstaan doordat deze van de trap is gevallen toen hij verdachte achterna ging. De gang is namelijk zo smal, dat verdachte niet zou hebben kunnen uithalen om een behoorlijke klap uit te delen. Verdachte heeft bovendien niet de aanmerkelijke kans op een zwaar lichamelijk letsel aanvaard, zodat hij van mishandeling van een politieagent dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van opzet of voorwaardelijk opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel en zal verdachte daar dan ook van vrijspreken.
Fors geweld
Dat er echter sprake is geweest van fors geweld, kan worden afgeleid uit het zware letsel dat het slachtoffer hierbij heeft opgelopen. De rechtbank heeft dit verdachte zwaar aangerekend. De politie heeft immers door haar handelen uitsluitend getracht de veiligheid in de wijk te waarborgen en de situatie te de-escaleren. De rechtbank acht een gevangenisstraf in beginsel dan ook op zijn plaats.
Rekeninghoudend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte wordt verdachte veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 216 dagen en een werkstraf van 240 uren.
Dit bericht is afkomstig uit de nieuwsberichten van OpMaat_Strafrecht
Jurisprudentie: Rechtbank Arnhem 7 juli 2009 (LJN BJ1720)
Publicatiedatum: 09-07-2009
Nummer: 2009/394
Uitspraak Hoge Raad over de raadsman bij het politieverhoor
Den Haag, 30 juni 2009 - De kern van de uitspraak van de Hoge Raad is dat een verdachte, voorafgaand aan het verhoor door de politie over een strafbaar feit, de gelegenheid moet hebben een advocaat te raadplegen. Vóór de aanvang van dat verhoor dient de verdachte op dat recht te worden gewezen.
Een verdachte heeft geen recht op aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor zelf.
Als een verdachte tegenover de politie verklaringen heeft afgelegd zonder in de gelegenheid te zijn geweest met een advocaat overleg te plegen, zullen die verklaringen in de regel niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.
Achtergrond
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te Straatsburg heeft in een aantal recente uitspraken geoordeeld dat het recht op een eerlijk proces was geschonden (art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)), doordat voor het bewijs gebruik was gemaakt van verklaringen die door de verdachte waren afgelegd toen hij zonder raadsman door de politie was verhoord.
Het gaat in het bijzonder om de uitspraak van het EHRM van 27 november 2008, het Salduz-arrest. De vraag is welke consequenties deze uitspraak moet hebben voor de Nederlandse praktijk: moet de raadsman van de verdachte worden toegelaten tot het politieverhoor?
De procedure bij de Hoge Raad
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad mr. G. Knigge heeft op 17 februari 2009 in drie aanhangige strafzaken, waarin op het Salduz-arrest een beroep is gedaan, een conclusie genomen waarin hij ingaat op die rechtspraak van het Europese hof en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse strafrechtspleging.
Het gaat om de volgende drie strafzaken:
Zaaknr. 08/02411 J, beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof ’s-Gravenhage van 18 april 2008, advocaat: mr. W. Römelingh in Den Haag.
Zaaknr. 08/03143, beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Amsterdam van 20 juni 2008, advocaten mr. B.P. de Boer en wijlen mr. G.P. Hamer in Amsterdam.
Zaaknr. 08/03991, beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Amsterdam van 21 januari 2008, advocaten mr. B.P. de Boer en wijlen mr. G.P. Hamer in Amsterdam.
De advocaat-generaal meent dat in het Salduz-arrest niet gelezen kan worden dat de raadsman het politieverhoor moet kunnen bijwonen. Het arrest heeft op die kwestie geen betrekking. Wel volgt volgens hem uit dat arrest dat de verdachte de gelegenheid moet worden geboden om voorafgaand aan de eerste ondervraging door de politie met een raadsman te overleggen.
De invoering van een dergelijk consultatierecht betekent een ingrijpende verandering van de tegenwoordige verhoorpraktijk. De wettelijke regeling voorziet daarin op dit moment niet.
In zijn conclusie formuleert de advocaat-generaal een aantal eisen waaraan de politie zich voortaan bij het verhoren van verdachten zou moeten houden. Dit om te voorkomen dat de afgelegde verklaringen door de rechter worden uitgesloten van het bewijs.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan art. 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen. De verdachte moet de gelegenheid worden geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.
Vóór de aanvang van dat verhoor dient de verdachte op dat recht te worden gewezen en moet hem, tenzij hij van dat recht afstand heeft gedaan of sprake is van dwingende redenen, binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid worden geboden dat recht te verwezenlijken.
Uit de rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.
De Hoge Raad merkt wel op dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tijdens het verhoor door de politie recht hebben op bijstand door een advocaat of een andere vertrouwenspersoon.
Indien een aangehouden verdachte niet of niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie met een advocaat overleg te plegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering. Als daarover bij de rechter wordt geklaagd, moet de rechter beoordelen of en zo ja, welk rechtsgevolg hieraan dient te worden verbonden. In de regel zal dat moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Zaaknr. 08/02411 J
In deze zaak is in cassatie geklaagd dat aan de minderjarige verdachte niet tijdig een raadsman was toegevoegd, als gevolg waarvan hij zonder bijstand van een raadsman door de politie over de feiten was verhoord. Die klacht is door de Hoge Raad verworpen, omdat het beroep in cassatie alleen gericht kan zijn tegen handelingen en uitspraken van de rechter.
Zaken nr. 08/03991 en nr. 08/03143
In deze zaken luidt de klacht in cassatie dat het hof - in strijd met het recht op een eerlijk proces - de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld te overleggen met een advocaat, bij de bewijsvoering heeft betrokken.
Die klacht is door de Hoge Raad verworpen, omdat in beide zaken uit de stukken niet blijkt dat deze klacht aan het hof is voorgelegd.
Zo’n verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Voor een feitenonderzoek is bij de Hoge Raad geen plaats.
Hoge Raad 30 juni 2009 (LJN BH3079)
Hoge Raad 30 juni 2009 (LJN BH3081)
Hoge Raad 30 juni 2009 (LJN BH3083)
Dit bericht is ook gepubliceerd in OpMaat_Strafrecht
Zie ook: Nieuwe richtlijnen politieverhoor verdachten
Een effectieve verdediging in de ogen van de rechter
Volgens haar statuten is het doel van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) ‘het bevorderen van de deskundige beroepsuitoefening door advocaten in Nederland op het gebied van straf(proces)recht en hulpwetenschappen, zulks onder meer door het organiseren van opleidingen en studiebijeenkomsten, danwel het verlenen van medewerking daaraan, alsmede door de onderlinge uitwisseling van informatie en alle overige activiteiten die tot dit doel kunnen bijdragen.’ Om deze doelstelling vorm en inhoud te geven, organiseert de NVSA regelmatig lezingen die door haar leden kunnen worden bezocht. Het bestuur van de NVSA heeft thans besloten deze lezingen – die normaal gesproken een ‘vluchtig karakter’ hebben en waarvan tot nu toe slechts de toehoorders kennis konden nemen – onder de veelzeggende naam ‘lezingenreeks van de NVSA’ aan een breder publiek aan te bieden.
Samen met Sdu Uitgevers wordt de 'lezingreeks van de NVSA' gepubliceerd. De eerste editie 'een effectieve verdediging in de ogen van de rechter' van Prof. mr. J. Boksem, is deze maand meegestuurd met Strafblad maar deel één van de lezeingenreeks is voor bezoekers van ScherpinStrafrecht.nl hier ook te lezen.
Richtlijn voor strafvordering veelplegers
De Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers (waaronder de vordering van de maatregel ISD bij stelselmatige daders) (2009R004) is afkomstig van het College van procureurs-generaal en treedt op 1 juli 2009 in werking. De richtlijn wordt binnenkort gepubliceerd in de Staatscourant.
Nieuw in de richtlijn
De tot nu toe geldende werkwijze met betrekking tot de omgang met nog niet ten uitvoer gelegde straffen en maatregelen, ingegaan bij inwerkingtreding van de wet op 1 oktober 2004, is in de praktijk niet goed uitvoerbaar gebleken. Op basis van de nieuwe richtlijn zal het OM voortaan de afweging maken of de executie van de ISD-maatregel onmiddellijk kan ingaan nadat deze onherroepelijk is geworden of niet; de executie van de maatregel start dus niet langer van rechtswege. Hiervoor is geen nadere wet- of regelgeving vereist: het OM is wettelijk verantwoordelijk voor de executie van rechterlijke beslissingen (art. 553 Sv).
Het OM bepaalt dus ook of voorafgaande aan de ISD-maatregel eerst bepaalde vrijheidsbenemende straffen of maatregelen moeten worden uitgezeten die nog niet ten uitvoer zijn gelegd. Het criterium hiervoor is de ernst van de feiten waarvoor veroordeeld is en/of het belang van eventuele slachtoffers. Álle vrijheidsbenemende titels voorafgaande executeren staat op gespannen voet met de uitgangspunten van de ISD-maatregel, die er immers mede toe dient om de veroordeelde te resocialiseren. Voor eventuele overige vrijheidsbenemende straffen wordt door het OM ambtshalve voorwaardelijke gratie aangevraagd, met een proeftijd van twee jaar na einddatum ISD-maatregel.
Beperkingen in het vorderingsbeleid
Daarnaast is bij evaluatie van de richtlijn gebleken dat er onnodige beperkingen waren in het vorderingsbeleid bij de ISD-maatregel. In de nieuwe richtlijn zijn deze komen te vervallen. Er worden nu, naast de wettelijke vereisten, geen aanvullende eisen meer gesteld aan de vordering.
Nieuw is ook de beleidswijziging met betrekking tot moeilijk of feitelijk niet-uitzetbare illegalen: ook ten aanzien van deze verdachten kan de vordering van de ISD-maatregel onder omstandigheden aangewezen zijn. De wet maakt immers geen onderscheid naar nationaliteit en/of verblijfsstatus. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is weliswaar geen verantwoordelijkheid van het OM, evenmin ten aanzien van illegalen die tot de maatregel zijn veroordeeld, maar het is wel van belang dat de officier van justitie/advocaat generaal de rechter hierover kan voorlichten ter onderbouwing van zijn vordering, net als dat in zijn algemeenheid bij een vordering ISD-maatregel het geval is. DJI heeft een speciale voorziening getroffen voor illegalen veroordeeld tot de ISD-maatregel. Deze is per 1 juli 2009 operationeel.
Definitie zeer actieve veelpleger
De definitie van ‘de zeer actieve veelpleger’ is uitgebreid. Het vereiste van tenminste één misdrijfantecedent in het peiljaar, is vervangen door het vereiste van ten minste één misdrijfantecedent in het lópende kalenderjaar. Dit betekent dat als er geen misdrijfantecedent is ‘gescoord’ in het peiljaar (het afgelopen kalenderjaar), maar er wordt wel weer een misdrijfpv opgemaakt in het lopende kalenderjaar, betrokkene ook dan in aanmerking komt voor de status van zeer actieve veelpleger, mits uiteraard aan de overige voorwaarden voor die definitie wordt voldaan. Het nieuwe beleid zoals hierboven geformuleerd is van toepassing op de vervolging van misdrijven gepleegd op of na 1 juli 2009.
Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd
De kern van deze uitspraak is dat levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Dat een dergelijke gevangenisstraf ook daadwerkelijk levenslang kan duren, levert geen strijd op met het verdrag. De verdachte mag echter niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Daarom moet er de mogelijkheid bestaan om die straf te verkorten. In Nederland bestaat die mogelijkheid omdat ook aan een levenslang gestrafte gratie kan worden verleend.
Achtergrond
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem op 18 april 2007 (LJN BA3178) veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor een op 4 december 2003 in Nijmegen gepleegde moord.
Het hof heeft deze straf uitvoerig gemotiveerd en gewezen op de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht en op de onverschilligheid waarmee de verdachte, die al eerder voor een ernstig geweldsdelict was veroordeeld, te werk is gegaan.
De advocaten van de verdachte hadden aangevoerd dat in deze zaak een levenslange gevangenisstraf niet mocht worden opgelegd. Kern van het verweer was dat in het Nederlandse gratiebeleid tegenwoordig levenslang ook letterlijk levenslang is, zodat de veroordeelde dus tot zijn dood opgesloten moet blijven en geen enkel perspectief heeft op verkorting van de straf. Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is volgens de verdediging daarom in strijd met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg (EHRM). Het hof Arnhem heeft dat verweer verworpen.
Het cassatieberoep bij de Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof Arnhem.
Volgens de advocaat van de verdachte, mr. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, had het hof de verdachte geen levenslange gevangenisstraf mogen opleggen, omdat de Nederlandse wet niet voorziet in een periodieke toetsing van de tenuitvoerlegging van deze straf. Daarom wordt in strijd met de waarborgen van het EVRM de verdachte ieder perspectief op vrijlating onthouden.
Op 30 september 2008 heeft advocaat-generaal mr. G. Knigge in zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van het hof in stand te laten. Hij heeft in een conclusie de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese hof in Straatsburg uitvoerig weergegeven en kritische beschouwingen gewijd aan de Nederlandse situatie.
Uitspraak
De Hoge Raad laat de uitspraak van het hof Arnhem in stand.
Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Dat een dergelijke gevangenisstraf ook daadwerkelijk levenslang kan duren, levert geen strijd op met het verdrag. De verdachte mag echter niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Daarom moet er de mogelijkheid bestaan om die straf te verkorten. In Nederland bestaat die mogelijkheid omdat ook aan een levenslang gestrafte gratie kan worden verleend.
De Hoge Raad merkt wel op dat in 2000 de “volgprocedure langgestraften” is vervallen. Dat was een mogelijkheid om tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf te komen. Dat kon leiden tot ambtshalve gratieverlening en omzetting van de levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke. Maar ook al is die regeling ingetrokken, gratie is nog steeds mogelijk, zij het dat het nu meer van het initiatief van de veroordeelde afhangt dan vroeger.
Het staat niet vast dat in Nederland een opgelegde levenslange gevangenisstraf in geen enkel geval wordt verkort, zoals de verdediging had gesteld. Maar, zo zegt de Hoge Raad, als zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in Nederland in feite nooit wordt verkort, zodat een gratieverzoek dus in alle gevallen bij voorbaat kansloos zou zijn, kan dat van betekenis zijn voor de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf of de voortzetting van deze straf zich verdraagt met de eisen die het EVRM stelt.
Gevolgen van deze uitspraak
De uitspraak van het hof Arnhem is definitief geworden.
Bron:
www.rechtspraak.nl
Hoge Raad 16 juni 2009 (LJN BF3741)
Bedreiging van een psychiater
Verdachte heeft na afloop van een zitting in het Willem Arntsz huis te Utrecht zijn psychiater uitgescholden en bedreigingen naar hem toe geuit. Aangever heeft verklaard door de bedreigingen bang te zijn geworden voor verdachte, omdat hij weet dat verdachte zeer gevaarlijk kan zijn.
Standpunt verdediging
De verdediging is van mening dat het tonen van een vlindermes dan wel een puntig voorwerp wegens gebrek aan bewijs niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank deelt deze mening. De verdediging is eveneens van oordeel dat de rechtbank, voor wat betreft de ten laste gelegde woordelijke bedreigingen, niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman is van oordeel dat een psychiater vanuit zijn functie wel wat gewend zou moeten zijn en dat de woorden van zijn cliënt (iemand met een ziekelijke stoornis) o.a.: ‘ik zal jou eens in je kont neuken’, niet kunnen hebben geleid tot een bedreigd gevoel bij de psychiater. Volgens de raadsman zou verdachte die woorden ook niet bedreigend hebben bedoeld.
Standpunt rechtbank
De rechtbank is tot de overweging gekomen dat de verklaring van aangever worden ondersteund door de verklaringen van een tweetal getuigen. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de zitting boos was op hetgeen zijn psychiater over hem zei. Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn boosheid die woorden tegen zijn psychiater heeft gezegd.
De verklaring van de aangever en de getuigenverklaringen leiden in onderlinge samenhang met de verklaring van de verdachte tot het oordeel van de rechtbank dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. De woorden van verdachte hebben wel degelijk tot een bedreigd gevoel bij aangever geleid, aangezien deze niet meer alleen op de fiets naar huis durfde. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.
Volgens de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging van zijn psychiater. De rechtbank rekent het verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn psychiater in de uitoefening van zijn beroep ernstig heeft bedreigd. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke straf met verplichte begeleiding als bijzondere voorwaarden geïndiceerd is. Verdachte krijgt dan ook een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland. Ook als dat inhoudt dat verdachte zich onder ambulante begeleiding van het ACT- 3 team van Altrecht moet stellen. Hieronder wordt niet verstaan het verplicht nemen van medicatie.
Jurisprudentie:
Rechtbank Utrecht 24 februari 2009
(gepubliceerd op 5 juni 2009)
Onpartijdige rechter
Het middel klaagt over de verwerping van het Hof van het preliminair gevoerde verweer dat in eerste aanleg geen sprake is geweest van een onpartijdige rechter.
Feiten
In eerste aanleg werden de hoofdzaak en de ontnemingszaak tegelijk behandeld. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de verdachte, nadat de politierechter de korte inhoud van de door de politie opgemaakte processen-verbaal had medegedeeld, verklaard dat hij bij de politie ten dele een onjuiste verklaring heeft afgelegd omdat hij niet opgewassen was tegen het verblijf in de cel en de verhoren. Met name heeft hij een andere lezing gegeven van de periode gedurende welke met de hennepkwekerij zou zijn begonnen. Dat zou in 2004 geweest zijn. daarop heeft politierechter als volgt gereageerd. ‘De Politierechter merkt op dat ze de verdachte aan zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie zal houden’.
Standpunt raadsman
Volgens de raadsman is door deze opmerking de schijn gewekt dat de Politierechter in plaats van een voorlopig oordeel al een eindoordeel heeft gevormd over de lengte van de periode waarin de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Hierdoor is bij de veroordeelde de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat het bij de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken. Volgens de raadsman is die vrees objectief gerechtvaardigd, aangezien dit ook uit het feit is gebleken dat de rechter bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk is uitgegaan van de periode van 1 mei 2003 tot en met 22 mei 2005. Dit is verwarrend, want in aanvulling op het vonnis in de ontnemingszaak wijst de rechter wel naar de verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting. Maar dit wordt alleen maar gedaan om de inkomsten per maand uit te rekenen en vervolgens heeft de rechter dit bedrag geëxtrapoleerd over 23 maanden, zijnde de periode waar verdachte bij de politie heeft verklaard (1 juli 2003 tot en met 22 mei 2005).
Vernietigen vonnis
In HR 5 oktober 2004, 02677.03, AP0187 is in r.o. 3.4 (Bijlage 1) o.a. bepaald dat het in art 423, lid 2 Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in een aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties meebrengt dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt terugverwezen naar de eerste rechter, tenzij door de advocaat-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. Van een geval als hiervoor is sprake indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Verweer verworpen
Het Hof heeft het verweer verworpen, omdat naar het oordeel van het Hof het aan de Politierechter is om te bepalen welke verklaring van de verdachte (afgelegd bij de politie of ter terechtzitting) hij het meest aannemelijk acht.
Vooropgesteld moet worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Het behoort tot de taak van de rechter om eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op de alsdan te nemen beslissingen het beschikbare bewijsmateriaal mede uit een oogpunt van betrouwbaarheid te waarderen. De opmerking van de Politierechter duidt er op dat deze zich met betrekking tot voornoemde vraag reeds een oordeel had gevormd voordat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten en levert een zwaarwegende aanwijzing op. Het Hof heeft dit miskend. Het middel is daarom terecht voorgesteld. De Hoge Raad heeft de bestreden uitspraak vernietigd en verwijst deze naar de Politierechter te Rotterdam.
Wetgeving:
artikel 423, lid 2 Sv
Jurisprudentie:
Hoge Raad 2 juni 2009 (LJN BH9920)
Vormverzuim met betrekking tot doorzoeking in Polen
Ter terechtzitting is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging op grond van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Er is aangevoerd dat zowel de doorzoeking in Polen als de stelselmatige observatie onrechtmatig is.
Gerechtshof Leeuwarden 26 mei 2009 (LJN BI4870)
Verweren van de raadsman
Volgens de raadsman is niet voldaan aan de ingevolge art 126g, lid 5 Sv gestelde vorm die aan een observatie wordt gesteld en was het bevel tot aanhouding onrechtmatig, omdat dit in strijd was met de op opsporingsambtenaren rustende verbaliseringsplicht. Er is in dit geval geen melding gemaakt van de verdenking waarop dat bevel is gebaseerd, waardoor controle op de toepassing van dit dwangmiddel, onmogelijk is, aldus de raadsman.
Overweging Hof
Het Hof is van oordeel dat er sprake is geweest van een doorzoeking niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. In beginsel is ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken op de desbetreffende doorzoeking in Polen, de daarvoor in Polen geldende procedure van toepassing. Echter, hierbij verwijst het Hof naar een arrest van de Hoge Raad van 29 september 1987 (LJN AC9986). Uit dit arrest blijkt dat art 97, lid 1 en 2 Sv ook van toepassing is in het geval dat een doorzoeking ter inbeslagneming niet door de officier van justitie, maar door middel van een verzoek om internationale rechtshulp plaatsvindt. Gelet hierop diende de rechter-commissaris in de rechtbank Leeuwarden machtiging voor de doorzoeking te verlenen. Van een verleende machtiging is echter niet gebleken, aldus het Hof.
Het Hof is tot de conclusie gekomen dat er in casu geen sprake is van een zodanig ernstig vormverzuim dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Er immers niet gebleken dat er sprake was van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat er met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Geen bewijs
Aangezien de doorzoeking geen bruikbaar bewijs heeft opgeleverd en de resultaten van het onderzoek niet als bewijs gebruikt zijn, heeft het Hof geen aanleiding gezien om rekening te houden met deze onjuiste handelswijze. Naar het oordeel van het Hof is het geconstateerde vormverzuim voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat er sprake was van vormverzuim.
BOB dossier
Met betrekking tot het verweer, strekkende tot onrechtmatigheid van het bevel tot stelselmatige observatie is het Hof tot de volgende overweging gekomen. In het BOB dossier bevindt zich een proces-verbaal, waarin de feiten en omstandigheden zijn vermeld. Met de verwijzing naar dat proces-verbaal, wat ook is opgenomen in het bevel tot observatie, is voldaan aan de door de raadsman bedoelde eisen die gesteld zijn in artikel 126g Sv. De aankruising in het observatieverslag van het vakje ‘niet stelselmatige observatie’ en vermelding in de tekst ‘niet stelselmatige observatie’ betreft volgens het Hof een kennelijke misslag, waaraan verder geen gevolgen aan worden verbonden. Wat betreft het verweer strekkende tot onrechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte, verwijst het Hof naar het stam proces- verbaal, waarin is opgenomen op basis van welke feiten en omstandigheden de politie tot een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan een strafbaar feit is gekomen. Hier is het Hof eveneens tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken van onrechtmatigheid van de aanhouding.Ten slotte wordt het verweer dat er is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, wordt eveneens verworpen.
Straf
Het Hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden geacht. Tevens dient verdachte te voldoen aan een aantal vorderingen ten aanzien van de benadeelde partijen.
Wetgeving
art 126g, lid 5 Sv;
art 97,lid 1 en 2 Sv
Jurisprudentie
Gerechtshof Leeuwarden 26 mei 2009 (LJN BI4870)
Tijdelijke afwijking Polaris-richtlijnen
Het College van procureurs-generaal is in december vorig jaar met een pilot gestart inhoudend een tijdelijke afwijking van de Polaris-richtlijnen. De pilot duurde oorspronkelijk tot en met 31 maart 2009, met een verlenging tot en met 31 mei 2009. Het College heeft nu besloten de pilot te verlengen tot en met 30 september 2009.
Polaris-richtlijnen
Voor ongeveer tachtig procent van wat wel 'veelvoorkomende criminaliteit' wordt genoemd gebruikt het Openbaar Ministerie speciale richtlijnen (de Polaris-richtlijnen) die worden ondersteund door een computerprogramma met de naam BOS (Beslissing Ondersteunend Systeem). Het B.O.S. bepaalt het uitgangspunt van denken bij de beoordeling van een strafzaak, daarbij uitgaand van de Polaris-richtlijnen. Een uitgangspunt is vanzelfsprekend niet bindend. Het OM spreekt zich echter door middel van de Polaris-richtlijnen concreet uit over de modaliteit en de hoogte van de bijbehorende strafmaat die in beginsel dient te worden toegepast en maakt door de beoordelingsfactoren en de berekening ook duidelijk op welke gronden.
Pilot
Over de start van de pilot is eerder bericht in Staatscourant 2008, 248. De tijdelijke afwijking van de Polaris-richtlijnen houdt het volgende in.
De delictspecifieke factor sportevenement is gewijzigd in evenement. De percentuele invloed van deze factor is verhoogd van 25 procent naar 75 procent. Onder evenement wordt ook verstaan de jaarwisseling.
De percentuele invloed van de delictspecifieke factor 'het slachtoffer kwalificeert de strafmaat' is verhoogd van 100 procent naar 150 procent voor de volgende drie binnen deze factor geldende categorieën:
- het slachtoffer was een ambtenaar en het misdrijf werd ter zake of gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening gepleegd;
- het slachtoffer was een andere beroepsbeoefenaar en het misdrijf werd ter zake of gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn beroep gepleegd;
- het slachtoffer verhinderde of probeerde te verhinderen dat een geweldsdelict gepleegd ging worden.
De wijzigingen zijn van toepassing op alle feiten die zijn gepleegd vanaf 27 december 2008. Het College heeft deze wijziging van de Polaris-richtlijen eerder verlengd t/m 31 mei 2009 en nu besloten de wijzingen nogmaals te verlengen t/m 30 september 2009.
Doorbreking verschoningsrecht advocaat
Klager is advocaat en wordt verdacht van betrokkenheid bij een crimineel samenwerkingsverband meer in het bijzonder bij witwasconstructies. Dit is ernstig genoeg om het verschoningsrecht te doorbreken. De opvatting dat de Deken ook aanwezig moet zijn bij de beoordeling door de rechter-commissaris van de vraag ten aanzien van welke door hem - in tegenwoordigheid van de Deken - inbeslaggenomen stukken het beslag gehandhaafd dient te blijven, is in haar algemeenheid onjuist. (Hoge Raad 19 mei 2009 (LJN BH7284).
Feiten
Klager is advocaat. Klager wordt verdacht samen met anderen een crimineel samenwerkingsverband te hebben gevormd en in dit verband betrokken was bij het witwassen van gelden. Op zijn kantoor heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is aanwezig geweest de Deken van de Orde van Advocaten van zijn arrondissement. De r-c heeft in het kader van die doorzoeking (digitale) brieven en geschriften inbeslaggenomen. Later heeft de r-c in het bijzijn van klager het inbeslaggenomen materiaal nader onderzocht en is een aantal door klager daaruit geselecteerde bescheiden aan hem teruggegeven. Daarbij is de deken niet aanwezig geweest. Voor zover het beslag is gehandhaafd is klager daartegen bij klaagschrift opgekomen. De rechtbank heeft alle klachten ongegrond verklaart.
Middelen
1. Klager stelt dat de verdenking is gebaseerd op stukken die in het kader van een rechtshulpverzoek bij een doorzoeking bij zijn cliënte in België zijn gevonden. Deze stukken vallen onder zijn geheimhoudingplicht zodat die stukken onrechtmatig verkregen zijn. Deze stukken hadden dus niet mogen worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of voldoende verdenking tegen klager bestond.
2. De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.
3. Omdat de Deken niet aanwezig was bij de nadere selectie door de r-c van de inbeslaggenomen stukken is beslissing tot inbeslagname ten onrechte genomen.
Hoge Raad
Ad.1 Klager moet al vanaf augustus 2002 op de hoogte zijn geweest van de criminele context van de transacties. Ten tijde van de doorzoeking van het kantoor van de klager bestond de verdenking. Deze overwegingen van de Rechtbank dragen het oordeel van de rechtbank zelfstandig zodat het middel onbesproken kan blijven.
Ad. 2 De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. (vgl. HR 30 november 1999, LJN BA5667, NJ 2002, 438 en Hoge Raad 12 februari 2002 (LJN AD9162)). Het middel faalt.
Ad. 3 De opvatting dat de Deken ook aanwezig moet zijn bij de beoordeling door de r-c op welke stukken het beslag gehandhaafd moet blijven, is in haar algemeenheid onjuist. Ook dit middel faalt.
Jurisprudentie
Hoge Raad 19 mei 2009 (LJN BH7284);
Hoge Raad 12 februari 2002 (LJN AD9162)
Meer invloed advocaten vooronderzoek
Advocaten krijgen meer mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het strafrechtelijk onderzoek tegen hun cliënten.
Om dit mogelijk te maken krijgt de rechter-commissaris meer mogelijkheden om zelf „onderzoekshandelingen” te verrichten, als de verdachte daarom vraagt.
Het kabinet heeft vanmiddag ingestemd met een voorstel van Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) om dit mogelijk te maken. Doel is om een „evenwichtiger voorbereiding” van strafzaken te krijgen. Dat moet ook, hoopt Hirsch Ballin, tot een „voorspoediger behandeling” van strafzaken op de zitting leiden.
Het voorstel van de minister is één van de wijzigingen in het wetboek van Strafrecht die het gevolg zijn van justitieel falen tijdens het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord. Door een reeks fouten bij politie en het Openbaar Ministerie, zat een onschuldige man vier jaar vast. De zaak leidde tot onrust binnen justitie en in de maatschappij.
De officier van justitie blijft de opsporing leiden en is verantwoordelijk voor de vervolging. De rechter-commissaris kan op verzoek van de officier van justitie of de verdachte aanvullend onderzoek doen tijdens het hele vooronderzoek. Zijn positie als toezichthouder wordt versterkt.
De rechter-commissaris doet op dit moment onderzoek op verzoek van de officier van justitie. Dat wordt het gerechtelijk vooronderzoek genoemd. De rechter-commissaris hoort verdachten en getuigen. Het verslag hiervan komt in het strafdossier.
Ook bepaalt de rechter-commissaris of bepaalde dwangmiddelen, zoals huiszoekingen en het afluisteren van telefoons, mogen worden ingezet. Dit gerechtelijk vooronderzoek wordt als zodanig afgeschaft.
Bron: www.nrc.nl
Zie voor meer relevante wet- en regelgeving inzake het vooronderzoek en eindonderzoek becommentarieerd en geordend op thema ook:
Sdu Commentaar Strafvordering 2009
“Taxateur” veroordeeld voor valselijk opmaken taxatierapporten
Verdachte wordt verweten dat hij valse taxatierapporten heeft opgemaakt. De verdediging stelde dat de verdachte mogelijk beter onderzoek had moeten verrichten, maar dat hij in goed vertrouwen de rapporten opstelde. Daarom zou van het oogmerk tot misleiding geen sprake zijn geweest. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak passeerde de rechtbank Rotterdam dit verweer en veroordeelde de verdachte “taxateur” tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een werkstraf van 200 uur.
In een korte periode zijn meerdere panden aan kopers geleverd. De transportakten werden telkens voor een andere notaris verleden. De leveringen vonden echter wel vaak op dezelfde dag plaats. Daarbij werden door de verschillende prijzen hoge winsten behaald. De aankoop van de panden werd door de kopers bij steeds verschillende hypotheekhouders gefinancierd. Doordat de uiteindelijke kopers niet aan hun financiële verplichtingen konden voldoen, zijn de panden voor aanzienlijk lagere prijzen op de veiling verkocht. De verdachte wordt verweten met het oog op het verkrijgen van de financieringen door de kopers valse taxatierapporten te hebben opgemaakt. De door hem opgemaakte rapporten vermelden namelijk dat de kopers de panden voor eigen bewoning zouden gaan gebruiken, terwijl dit niet zo is geweest.
Vervolging in strijd met gelijkheidsbeginsel
De verdediging stelde dat de vervolging van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk moest worden verklaard. De verdachte werd wel vervolgd, maar de bij het strafrechtelijke onderzoek betrokken (medewerkers van) notarissen en banken niet. De rechtbank overweegt dat de hypotheken werden aangevraagd bij verschillende banken en de leveringsakten steeds passeerden bij verschillende notarissen. De rol van deze betrokkenen is niet volstrekt identiek aan de rol van de verdachte. Bovendien blijkt de medeschuld van de (medewerkers van) notarissen en banken onvoldoende. Van gelijke gevallen, welke gelijk behandeld zouden moeten worden, is dan ook volgens de rechtbank geen sprake.
Oogmerk tot gebruik en (voorwaardelijk) opzet op valsheid
De kopers van de panden hebben verklaard dat de aankopen zijn verlopen via Solid Trust en het de bedoeling was om de panden te verhuren of om als belegging aan te houden. Wie de panden heeft getaxeerd, weten de kopers niet. De kopers zijn met een betrokkene van Solid Trust langs de verschillende notarissen gegaan en hebben aldaar diverse stukken getekend. In de taxatierapporten staat vermeld dat deze bedoeld zijn voor de aanvraag van een hypothecaire geldlening met Nationale Hypotheek Garantie en er geen indicatie is dat een ander dan de opdrachtgever in de woning gaat wonen. De taxatierapporten zijn door de verdachte opgemaakt en het eigen gebruik door de kopers is opgenomen volgens de opgave van de betrokkene van Solid Trust. Omdat verdachte niet beëdigd is als taxateur en aldus onbevoegd daartoe, zijn de rapporten door wel bevoegde taxateurs zonder inhoudelijke controle ondertekend. Tot slot verklaarde de verdachte dat het doel van een taxatie is dat een opdrachtgever tot taxatie een hypotheek verkrijgt en dat een taxatierapport daarvoor essentieel is. Hij heeft de betrokkene van Solid Trust, niet zijnde de kopers, echter nooit gevraagd naar het doel van de taxaties. Deze betrokkene wilde ook graag dat de verdachte de taxaties uitvoerde conform de waarden genoemd in de taxatieopdrachten.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak (zie HR 26 oktober 1983, NJ 1984, 300) voor het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken beslissend is dat de verdachte de (bewuste) bedoeling had dat geschrift te (doen) gebruiken. Dit oogmerk staat los van de vraag welke vorm van opzet, (voorwaardelijk) opzet of oogmerk, de verdachte heeft gehad ten aanzien van het vervalsen of valselijk opmaken.
Van zojuist bedoeld oogmerk is volgens de rechtbank sprake omdat de verdachte de taxatierapporten heeft opgesteld en laten ondertekenen met het doel deze te (laten) gebruiken in het kader van de hypotheekverstrekking. De verdachte valt ten aanzien van de onjuistheid van de rapporten in elk geval voorwaardelijke opzet te verwijten doordat hij zwaar verwijtbaar heeft verzuimd om de door de opdrachtgever verstrekte informatie te verifiëren. Daarvoor bestond echter wel alle reden, onder andere omdat kopers verschillende panden in kort tijdbestek kochten (en deze dus niet voor eigen bewoning bedoeld konden zijn). Door dit na te laten, is de “taxateur” tekort geschoten in zijn onderzoeks- en zorgplicht en heeft hij bewust de kans op valsheid van de rapporten aanvaard. Aldus acht de rechtbank de verweten valsheid in geschrifte van de verdachte “taxateur” bewezen.
Straf
Volgens de rechtbank is eigenlijk een gevangenisstraf van korte duur in combinatie met een werkstraf de aangewezen reactie op de valsheid in geschrifte. Omdat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten legt de rechtbank de gevangenisstraf voorwaardelijk op. De verdachte “taxateur” is veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 200 uur.
Mike Castelijn, advocaat te Breda
Wetgeving:
art. 225 Sr
Jurisprudentie:
Rechtbank Rotterdam 7 mei 2009 (LJN BI3153)
Ongegronde aantijging op internet
Het gerechtshof in Den Haag heeft een vrouw veroordeeld voor het plaatsen van een ongegronde aantijging op een website.
Feiten:
Verdachte heeft op internet ten onrechte een man, met adres en foto, beschuldigd van een erotische chat met een minderjarige. Dat deze chat erotisch getint was, is echter naar het oordeel van het Hof niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de chatsessie met een minderjarige is gevoerd, terwijl zelfs niet vaststaat of het slachtoffer bij deze sessie betrokken was.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het welbewust aantasten van de eer en goede naam van het slachtoffer. Het Hof heeft bijzondere betekenis toegekend aan het door verdachte en haar mededaders gekozen medium, te weten het internet. De aard van dat medium maakt een slachtoffer van zo’n aantijging in verhoogde mate kwetsbaar, mede omdat geenszins denkbeeldig is dat het slachtoffer daardoor tot in lengte van jaren wordt achtervolgd met alle maatschappelijke gevolgen van dien.
Straf
Het Hof is van oordeel dat met de straf moet worden ingescherpt dat het handelen van de verdachte en haar mededaders, strenge afkeuring verdient en dat aldus – gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd, alsmede vanuit een oogpunt van zowel speciale als generale preventie – aan verdachte een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.
Wetgeving:
art 14a Sr;
art 14b Sr;
art 14c Sr;
art 47 Sr;
art 261 Sr
Jurisprudentie:
Gerechtshof ‘s- Gravenhage 8 mei 2009 (LJN BI3276)
Verdediging in culturele strafzaken
Het is een aloude stelling: naast law in the books wordt gesproken van law in action. De juridische werkelijkheid beperkt zich niet tot hetgeen in wetten kan worden gevonden. De jurist moet een brede blik hebben op hetgeen zich in de maatschappij afspeelt. Hij ontdekt dan dat er een veelvoud aan maatschappelijke normen is die segmenten van de samenleving reguleren. De jurist moet – om die andere maatschappelijke normen te leren kennen – afstand nemen van zijn hiërarchische oriëntatie op de maatschappij en bereid zijn de centrale normen (het recht afkomstig van de staat) uit te dagen en ‘open te stellen voor maatschappelijke normen en die te betrekken in de juridische interpretatie’.
De consequenties van deze opvatting kunnen velerlei zijn. Een belangrijke is dat de jurist zich niet afsluit van maatschappelijke ontwikkelingen maar open staat voor hetgeen daarin gebeurt. Eén van de meest uitdagende ontwikkelingen van de laatste tijd is de veranderende samenstelling van de bevolking. Met de komst van vele honderdduizenden immigranten is Nederland meer dan ooit cultureel pluriform geworden.
Deze culturele pluriformiteit komt op diverse momenten tot uitdrukking en heeft positieve en minder positieve (soms ronduit negatieve) kanten. Het strafrecht ziet zich vooral met de minder positieve kanten van culturele pluriformiteit geconfronteerd. Allochtonen (immigranten en hun kinderen) blijken al jarenlang oververtegenwoordigd in criminaliteitsstatistieken. De verklaringen hiervoor zijn divers; één verklaring richt zich op de culturele achtergrond van allochtonen. Sommige delicten hebben een culturele verklaring die in de strafrechtspleging, de opsporing, vervolging en berechting, niet meer wordt veronachtzaamd. Organen van de strafrechtspleging, de politie en het Openbaar Ministerie voorop, vergaren steeds meer kennis over de culturele achtergrond van bepaalde door allochtonen gepleegde strafbare gedragingen (zogeheten culturele delicten) en verwerken die in een individuele strafzaak. Advocaten worden, mede als gevolg hiervan, geconfronteerd met strafzaken die een cultureel stempel hebben gekregen. We spreken dan van culturele strafzaken. Advocaten hebben inmiddels de nodige kennis vergaard hoe in culturele strafzaken te handelen. Zij hebben hierover in het verleden zowel mondeling als bij geschrift reeds het nodige gezegd. Deze informatie is tot op heden niet in een voor de strafrechtspraktijk handzaam boekje samengebracht.
Mirjam Siesling is onderzoeker bij IVA Beleidsonderzoek en advies van de Universiteit van Tilburg. Jeroen ten Voorde is universitair docent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden. Samen schreven zij: Verdediging in Culturele Strafzaken.
Met dit boekje hopen de auteurs advocaten inzicht te geven in de uitdagingen die het omgaan met culturele strafzaken met zich brengen. We zullen een aantal vragen beantwoorden:
• Wat wordt bedoeld met cultuur?
• Hoe kan worden omgegaan met de media in culturele strafzaken?
• Welke uitdagingen brengt het gebruik van tolken/vertalers en cultuurdeskundigen met zich?
• Is er ruimte voor een cultureel verweer?
• Zo nee, op welke wijze kan – gelet op het beslissingsmodel van art. 348/350 Sv – ruimte bestaan om culturele achtergronden in te brengen?
• Hoe wordt de waarheidsvinding door culturele factoren beïnvloed?
• Welke mogelijkheden bieden de strafuitsluitingsgronden om culturele achtergronden in te brengen?
• Welke mogelijkheden biedt een strafmaatverweer om culturele achtergronden in te brengen?
Meer over dit boek? klik hier
Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken tegen jeugdigen
De Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken tegen jeugdigen (2009A006) is afkomstig van het College van procureurs-generaal en is op 1 mei 2009 in werking getreden.
De aanwijzing is gepubliceerd in Staatscourant 2009,80, pagina 7.
Kern aanwijzing
De aanwijzing bevat een regeling voor het effectief afdoen van strafzaken tegen jeugdigen alsmede een model procesbeschrijving. Jaarlijks worden rond de 50.000 misdrijven gepleegd door minderjarigen, waarvan er ongeveer 20.000 worden afgedaan door de Halt-bureaus. De overige ruim 30.000 zaken komen door tussenkomst van de politie bij het Openbaar Ministerie. Deze aanwijzing geeft aan hoe daarmee moet worden omgegaan.
De essentie van een effectief jeugdstrafrecht is dat strafbaar gedrag van jeugdigen wordt tegengegaan door passende interventies. Sancties en maatregelen die in dat kader worden toegepast, zijn er (in het algemeen) op gericht een recidivereductie te bereiken. Het is dan ook van belang om door middel van wetenschappelijk onderzoek inzicht te verwerven in de effectiviteit ervan. Strafrechtelijk optreden alléén is veelal ontoereikend. Passende interventies kunnen onder omstandigheden ook bestaan in voorrang voor vrijwillige hulpverlening of civielrechtelijke (beschermings)maatregelen, of in een combinatie van beide. Voor het strafrecht betekent dat doorgaans dat de strafrechtelijke afdoening ‘in de wachtstand wordt geplaatst’, of louter de functie vervult van drukmiddel om te bewerkstelligen dat geboden hulp wordt aanvaard, dan wel dat de jeugdige verdachte zich schikt in een civielrechtelijk kader. Soms ook kunnen een straf- en een civiel traject naast elkaar lopen. Afstemming van beide trajecten is in zo’n geval uiteraard noodzakelijk.
Ontwikkelingen in het jeugdstrafrecht
De aanwijzing is ten opzichte van de vorige versie slechts op een aantal punten aangepast. Het gaat met name om het schrappen van passages die niet meer actueel zijn of in de praktijk niet zo worden toegepast. Omdat er veel ontwikkelingen gaande zijn in de jeugdstrafrechtketen, zal in de loop van het jaar bekeken worden op de aanwijzing nogmaals moet worden aangepast. Zo zal het Besluit aanwijzing Halt-feiten zeker dit jaar worden aangepast. Verder volgen mogelijk nog wijzigingen op gebied van het LOF (landelijk overdrachtsformulier bij wege van verkort proces-verbaal)en de Kalsbeeknormen (= normen voor de doorlooptijden) en het jeugdcasusoverleg.
Wijzigingen in de aanwijzing
Ten opzichte van de vorige versie van de aanwijzing zijn enkele passages in noten en tussenzinnen geschrapt. Het betreft vooral voorbeelden en opmerkingen ten overvloede. Om de leesbaarheid te verbeteren zijn deze voorbeelden en toevoegingen verwijderd. De paragraaf over het beleid ten aanzien van minderjarige veelplegers en de daarmee samenhangende tekst is geschrapt, wegens het vervallen van de geoormerkte ‘tender’-plaatsen in de Justitiële Jeugdinrichtingen. Na evaluatie bleek dit beleid niet het gewenste resultaat te hebben gehad. Het thans gevoerde beleid met een persoonsgerichte aanpak en inzet van effectieve interventies wordt verwoord in de Richtlijn voor strafvordering jeugd. De wijzigingen ten aanzien van de Halt-afdoening hangen samen met de op handen zijnde wijzigingen van het Besluit aanwijzing Halt-feiten. Een aantal punten in paragraaf 9 Protocol Justitieel Casusoverleg is geschrapt, omdat de omschreven werkwijze niet in overeenstemming was met de huidige praktijk.
Deze wijzigingen hebben geen werklastverschuivingen of organisatieveranderingen tot gevolg.
De Utrechtse rechtbank begint dit najaar met Court TV
De Utrechtse rechtbank begint dit najaar met Court TV. Het betreft een proef waarin zittingen (bestuur, civiel en strafrecht) integraal worden opgenomen.
De opnames komen in een archief dat in eerste instantie alleen voor onderwijsdoeleinden is bestemd. ‘Maar het is niet ondenkbaar dat we zittingen in de toekomst ook live gaan aanbieden voor het grote publiek’, zegt Rosa Jansen. Zij is voorzitter van het College van bestuur van het studiecentrum rechtspleging (SSR) dat met de Universiteit van Utrecht en de rechtbank het project uitvoert.
Het initiatief van de Utrechtse rechtbank vloeit voort uit plannen om met de rechtspraak meer naar buiten te treden. Er zijn voor Court TV al enkele proefopnames gemaakt van zittingen van de politierechter. ‘Daaruit is een selectie gemaakt van zaken die vanuit onderwijsoogpunt interessant zijn’, zegt Maurice Dohmen van de rechtbank Utrecht. Hoewel Court TV in eerste instantie bedoeld is voor intern educatief gebruik voor SSR en de Utrechtse rechtenfaculteit, stelt Dohmen dat ook wordt gedacht aan live-uitzendingen. ‘Dan moet je denken aan zaken waarvoor veel publieke belangstelling is, zoals de kwestie rond de woekerpolissen of een massaontslag.
Zelfs strafrechtzittingen zullen wellicht live te volgen zijn. ‘Daarvoor moeten nog wel veel vragen over privacy worden opgelost’, zegt Jansen. ‘Wat doe je als een verdachte het niet wil of als een rechter de namen van een getuige noemt?’. Het project wordt gefinancierd door de Raad voor de Rechtspraak en de rechtbank zelf. Het Openbaar Ministerie en de advocatuur zijn erbij betrokken.
Bron: www.fd.nl
Vrijwillige terugtred bij poging doodslag
Op 21 april 2009 heeft de Rechtbank Arnhem bewezen verklaard dat verdachte zijn ex-partner heeft gepoogd te doden middels verwurging. Omdat verdachte op een gegeven moment uit zichzelf de keel van het slachtoffer heeft losgelaten, wordt hij ontslagen van alle rechtsvervolging wegens vrijwillige terugtred.
Rechtbank Arnhem 21 april 2009 (LJN BI1925).
Feitenrelaas
Verdachte en het slachtoffer, de ex-partner van verdachte, kregen ruzie. Op een gegeven moment heeft verdachte het slachtoffer geduwd, waardoor zij op de grond is gevallen. Verdachte heeft het slachtoffer toen met beide handen bij de keel gegrepen en de keel dicht genkepen en dicht gehouden. Het gezicht van het slachtoffer werd hierdoor blauw, er is bloed uit haar neus gelopen, zij heeft bloeduitstortingen in een oog opgelopen, is buiten bewustzijn geweest en heeft haar ontlasting laten lopen. Verdachte heeft op een gegeven moment de keel van het slachtoffer losgelaten. Verdachte heeft uit de badkamer een handdoek gehaald om het bloed van haar gezicht te vegen. Vervolgens heeft verdachte 112 gebeld om een ambulance te laten komen.
Poging doodslag
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van poging (art 45 Sr) doodslag (art 287 SR), omdat verdachte geen opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. De gedragingen van verdachte waren volgens de rechtbank naar hun aard gericht op en geëigend om de dood van het slachtoffer te bewerkstelligen. Dat verdachte op een gegeven moment de keel van het slachtoffer heeft losgelaten, brengt niet mee dat hij op het moment van zijn handelen geen opzet had.
Vrijwillige terugtred
De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor de primair bewezen verklaarde poging doodslag en de subsidiair bewezen verklaarde poging zware mishandeling (art 302 Sr) niet strafbaar is. De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging wegens vrijwillige terugtred (art 46b Sr). Terwijl verdachte de keel van het slachtoffer dichtkneep, heeft hij op enig moment het besef gekregen dat wat hij deed niet juist was. Op het moment dat verdachte de bloedneus van het slachtoffer zag, heeft hij terstond de keel van het slachtoffer losgelaten, heeft hij met een handdoek het bloed van het gezicht van het slachtoffer weggepoetst en heeft hij tot tweemaal toe 112 gebeld en dringend om een ambulance verzocht. Het is aan deze latere handelwijze (met name het onmiddellijk loslaten van de keel) van verdachte te danken dat het gevolg, dat normaliter zou hebben kunnen intreden door zijn handelen en wat aanvankelijk ook zijn opzet was, nu niet is ingetreden. Verdachte is uit eigen beweging - en niet door een omstandigheid van buiten - overgegaan tot deze handelwijze.
Mishandeling
Voor de meer subsidiair bewezen verklaarde mishandeling (art 300 Sr) is verdachte volgens de rechtbank wel strafbaar. De rechtbank legt verdachte hiervoor een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.
Jurisprudentie:
Rechtbank Arnhem 21 april 2009 (LJN BI1925).
Politievrouw veroordeeld tot tien jaar celstraf
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft een 46-jarige Almeerse politievrouw veroordeeld tot een celstraf van 10 jaar.
Rechtbank Zwolle 23 april 2009 (LJN BI2002)
Feiten
Verdachte heeft na een woordenwisseling met het slachtoffer het huis verlaten om vervolgens bij een vriendin te gaan slapen. Onderweg stopt zij, omdat zij door betraande ogen niet verder kan rijden. Ze heeft getracht haar vriendin telefonisch te bereiken, echter dit is niet gelukt. Daarna besluit zij naar het politiebureau te gaan en haalt daar haar dienstwapen op. Vervolgens rijdt zij weer terug naar de woning en schiet met het dienstwapen dichtbij, gericht op het hoofd van het slachtoffer. Na dit voorval heeft verdachte de meldkamer van de politie gebeld, met de mededeling dat zij iemand heeft neergeschoten.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat bij verdachte de wil om het slachtoffer te doden ontbrak. Verdachte zou uit een automatisme in een reflex hebben gehandeld, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij verdachte de wil ontbrak om het slachtoffer om het leven te brengen.
Standpunt rechtbank
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er sprake was van voorbedachte raad, aangezien verdachte voorafgaand aan het schieten voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over haar handelen en de gevolgen die dit handelen teweeg zou brengen. Verdachte heeft namelijk, na te zijn vertrokken, enige tijd in haar geparkeerde auto gezeten, diverse bekenden getracht te bellen en daarna naar het politiebureau gereden om haar dienstpistool te halen. De rechtbank heeft in dit oordeel eveneens voorop gesteld dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens- hetgeen is vastgesteld door een psychiater- niet in de weg staat aan opzet.
Straf
Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is volgens de rechtbank noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden.
In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van mening dat verdachte niet heeft gehandeld in haar hoedanigheid van politieagente, maar als mens. Dat zij gebruik heeft gemaakt van haar dienstwapen valt haar naar het oordeel van de rechtbank in strafrechtelijke zin, niet als strafverhogend aan te rekenen. De rechtbank heeft in strafverlagende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte zich in een voor haar zeer stressvolle relatie met het slachtoffer bevond, waar, naar de rechtbank heeft aangenomen, geweld aan de orde was.
Alles overwegende is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar passend en geboden is.
Jurisprudentie:
Rechtbank Zwolle 23 april 2009 (LJN BI2002)
Nieuwe richtlijnen politieverhoor verdachten
Minister Hirsch Ballin is van plan verdachten van een misdrijf het recht te geven op overleg met een raadsman voorafgaand aan het politieverhoor. Ook wordt de politie straks verplicht de verdachte te informeren over de mogelijkheid van rechtsbijstand, met inbegrip van de mogelijkheid van overleg met een advocaat. Verder zal de verdachte uitdrukkelijk worden gewezen op zijn recht om te zwijgen. Minister Hirsch Ballin schrijft dit aan de Tweede Kamer.
In Nederland heeft de verdachte het recht om zich door een raadsman te laten bijstaan en zo veel mogelijk de gelegenheid gegeven om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen als hij daarom verzoekt. Maar dat betekent niet dat een advocaat in alle gevallen moet worden toegelaten tot het politieverhoor.
De minister van Justitie komt tegemoet aan een toezegging aan de Tweede Kamer om zijn standpunt te geven naar aanleiding van twee arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken van demonstranten tegen Turkije. Deze maakten bezwaar dat zij tijdens het politieverhoor geen rechtsbijstand kregen.
Na bestudering van de arresten komt Hirsch Ballin tot de conclusie dat de twee arresten niet per se verplichten tot de aanwezigheid van de raadsman tijdens het politieverhoor. Maar zij leiden in ieder geval wel tot aanpassing van de wettelijke regeling op het punt van het informeren over en verschaffen van rechtsbijstand aan verdachten voorafgaand aan het politieverhoor.
Standpunt over uitspraken EHRM inzake raadsman bij politieverhoor
Recht op overleg met advocaat voor het politieverhoor
voorlopige beleidslijn
Bron:www.jusitie.nl
Datum publicatie: 16 april 2009
Vrijspraak inzake moord op Haagse vastgoedhandelaar
Sinds het moment dat is vastgesteld dat er uit biologische sporen op de plaats delict DNA-profielen zijn verkregen die matchen met die van verdachte, heeft het politieonderzoek zich met name gericht op bevestiging van met die DNA-sporen (terecht) verkregen verdenking jegens verdachte met als uitgangspunt dat het hier om dadersporen ging. Behalve met de DNA-matches wordt de verdenking met geen enkel valide gebleken bewijsmiddel onderbouwd. Andere mogelijke verklaringen voor de aangetroffen DNA-sporen worden door de officier van justitie ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Er zijn wel heel veel verhalen, er zijn veel praatjes, er zijn vermoedens. Maar er is, met andere woorden, niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte het feit heeft gepleegd (Rechtbank ´s-Gravenhage, 3 april 2009, LJN: BH9948).
Feiten
Verdachte wordt onder andere moord c.q doodslag op een Haagse vastgoedhandelaar ten laste gelegd. De officier van justitie heeft als bewijsmiddelen genoemd:
- het aangetroffen DNA van verdachte op de plaats delict;
- het signalement, de compositietekening en de gedeeltelijke herkenning van verdachte door de echtgenote;
- de verklaring van de echtgenote van het slachtoffer over de gang van zaken rond de moord c.q. doodslag;
- beelden van verdachte bij de Texaco en de aan de hand van de telefoongegevens van verdachte en zijn medeverdachten vastgestelde tijdlijn;
- verklaringen van de medeverdachte en een getuige;
- een afgeluisterd gesprek tussen medeverdachte en de aanvankelijk medeverdachte.
Het verweer
Verdachte heeft scenario´s geschetst ter verklaring van de aanwezigheid van zijn DNA. Verder voert de verdediging aan dat de herkenning onbetrouwbaar is en de overige bewijsmiddelen niet meer dan speculaties en veronderstellingen zijn, gebaseerd op onbetrouwbare getuigen.
De rechtbank
In een uitvoerig gemotiveerd vonnis oordeelt de rechtbank uiteindelijk: “Sinds het moment dat is vastgesteld dat er uit biologische sporen op de plaats delict DNA-profielen zijn verkregen die matchen met die van verdachte, heeft het politieonderzoek zich met name gericht op bevestiging van met die DNA-sporen (terecht) verkregen verdenking jegens verdachte met als uitgangspunt dat het hier om dadersporen ging”. De rechtbank vervolgt met de overweging dat behalve de DNA-matches de verdenking met geen enkel valide gebleken bewijsmiddel wordt onderbouwd. Andere mogelijke verklaringen voor de aangetroffen DNA-sporen worden door de officier van justitie ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Volgens de rechtbank zijn er: “wel heel veel verhalen, er zijn veel praatjes, er zijn vermoedens. Maar er is, met andere woorden, niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte het feit heeft gepleegd….”.
DNA-sporen en de herkenning van verdachte door de echtgenote van het slachtoffer
Enkele gebruikte bewijsmiddelen rechtvaardigen een korte toelichting: de DNA-sporen en de herkenning van verdachte.
Op grond van het volgende is de rechtbank van mening dat de DNA-sporen met een zeer grote mate van voorzichtigheid dienen te worden geïnterpreteerd:
- van verdachte zijn DNA-sporen aangetroffen bij een overval terwijl verdachte daar niet aanwezig kan zijn geweest omdat hij toen in voorlopige hechtenis zat;
- er zijn sporen gevonden op het wapen en de munitie(onderdelen) aangetroffen maar ook op de jas van het slachtoffer wat een opvallende combinatie is;
- de twee door de verdachte hier tegenovergestelde verklaringen (waaronder de sleeptheorie) voor de aanwezigheid van de DNA-sporen, kunnen niet afdoende worden weerlegd door het geen uit het onder zoek is gebleken.
De rechtbank volgt voor wat betreft betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte en de compositietekening, de conclusie van het door de verdediging naar voren gebracht rapport van deskundige Prof. Dr. P.J. Van Koppen, hoogleraar rechtpsychologie. Van Koppen wijst op de gevaren verbonden aan de vertaling van holistische beelden in een verbale beschrijving en de daaropvolgende omvorming daarvan tot een tekening. Bij dat proces kan niet uitgesloten worden dat een getuige na het maken van de compositietekening zich de gemaakte composiettekening gaat herinneren als het uiterlijk van de dader. De oorspronkelijk herinnering wordt als het ware beïnvloed of misschien wel vervangen door de compositietekening.
Jurisprudentie
Rechtbank´s-Gravenhage, 3 april 2009 (LJN BH9948)
Moord op bewoner woonboot
Bij de bepaling van de strafhoogte heeft het hof een gevangenisstraf van 12 jaar als uitgangspunt genomen. Afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval is het hof van oordeel dat op basis van dit uitgangspunt de straf kan worden verhoogd of verlaagd. Kijkend naar de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, heeft het Hof aanleiding gezien te straf te verhogen met twee jaar. Gerechtshof Arnhem 3 april 2009 (gepubliceerd op 8 april 2009 LJN BI0048)
Feiten
Verdachte en diens medeverdachte hebben samen het plan opgevat om het slachtoffer een afstraffing te geven dit naar aanleiding van een verhaal van de echtgenote van verdachte. Zij is namelijk in het verleden door het slachtoffer onzedelijk betast. Beide verdachten waren door het vertellen van dit verhaal in grote woede ontstoken en zijn naar de woonboot van het slachtoffer toe gegaan. Verdachte droeg op dat moment een schroevendraaier bij zich en medeverdachte een mes. Eenmaal binnen gekomen op de woonboot hebben beiden verdachten vervolgens direct op het slachtoffer ingestoken. Terug in de auto hebben zij zich beiden afgevraagd of het slachtoffer nog zou leven, het als nog inroepen van hulp hebben zij echter achterwege gelaten. Op de terugweg heeft medeverdachte het mes en de schroevendraaier in de rivier gegooid.
Bewijsverweer
Door en namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Verdachte zou dus moeten worden vrijgesproken van moord. Volgens de raadsman is er namelijk geen bewijs voor de stelling dat het handelen van verdachte en diens medeverdachte het gevolg is geweest van een door hen van de te voren genomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen. Volgens de verdediging is uit de bewijsmiddelen enkel af te leiden dat beide verdachten van plan zijn geweest om het slachtoffer een ‘portie klappen’ te geven.
Standpunt Hof
Het Hof heeft aangevoerd dat zowel verdachte als diens medeverdachte hebben erkend dat zij meermalen (diep) op het slachtoffer hebben ingestoken met een schroevendraaier, respectievelijk een mes. Vervolgens hebben zij het slachtoffer hevig bloedend achter gelaten en aan zijn lot overgelaten. Wat betreft de voorbedachte raad, neemt het Hof als uitgangspunt het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde criterium dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad dienst vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Voorbedachte raad bewezen
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het Hof toereikend wettig en overtuigend bewijs voor handen voor bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachte raad. Verdachte heeft namelijk voorafgaand aan het treffen van het slachtoffer op meerdere momenten de tijd en de gelegenheid gehad om zich op zijn voorgenomen daad en de gevolgen daarvan te bezinnen, aldus het Hof.
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur recht doet aan de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit. Kijkend naar de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, heeft het Hof aanleiding gezien de straf te verhogen met twee jaar. Aldus is de duur van de op te leggen gevangenisstraf vastgesteld op 14 jaren.
Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem 3 april 2009
(gepubliceerd op 8 april 2009 LJN BI0048)
Valse reisdocumenten
Verdachte heeft een poging gedaan om met valse reisdocumenten Nederland te verlaten. Het Hof heeft gelet op de medische toestand van verdachte en de kans dat hij als vreemdeling ongewenst zal worden verklaard -indien wederom de door de politierechter opgelegde straf zou worden uitgesproken- een belangrijk deel van de straf voorwaardelijk opgelegd. Gerechtshof Amsterdam 26 maart 2009 (gepubliceerd op 1 april 2009)
Feiten
Verdachte heeft in augustus 2008 op Schiphol een vervalst paspoort overhandigt toen hij wilde reizen naar Toronto. Het betrof een nationaal paspoort van afkomstig uit Litouwen. Op het paspoort zat een foto van verdachte, die later bleek te zijn aangebracht. Eveneens waren er gegevens in het paspoort veranderd. Voorts was verdachte in het bezit van een vervalste identiteitskaart van Litouwen en een vals nationaal rijbewijs van Litouwen.
Verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij afkomstig is uit Palestina en bij aankomst in Nederland zijn eigen paspoort heeft verscheurd. Zijn asielaanvraag is afgewezen en hij wilde daarom Nederland verlaten. Om die reden heeft hij van een man in een coffeeshop te Nijmegen de genoemde documenten gekocht voor 3.450 euro.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, waardoor haar cliënt zou moeten worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten hoogste 28 dagen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte lijdt aan een posttraumatische stress stoornis (PTSS) en een depressieve stoornis. Indien er een gevangenisstraf wordt opgelegd van meer dan één maand dan heeft dat verstrekkende gevolgen voor zijn huidige vreemdelingrechtelijke situatie, omdat de IND kan overgaan tot ongewenst verklaring, wanneer er tenminste één maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, aldus de raadsvrouw.
In het kader van de procedure op basis van art 64 Vw, wordt door het Bureau Medische Advisering van de IND onderzocht of er medische beletselen bestaan om tot uitzetting over te gaan. Oplegging van meer dan één maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf betekent dat het voorstel tot ongewenstverklaring zeker zal worden omgezet in een definitieve beschikking. Indien dit het geval is, kan verdachte geen beroep meer doen op artikel 64 Vw. Dit zal tot gevolg hebben dat verdachte niet behandeld zal worden, met alle gevolgen van dien, aldus de raadsvrouw. Tevens zullen dan alle mogelijkheden voor hem afgesloten zijn om te verzoeken in Nederland te mogen blijven om medische redenen.
Standpunt Hof
Het Hof heeft zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een kortere straf moet worden opgelegd. Bij de beantwoording van die vraag, zijn de volgende gegevens van belang:
- Verdachte is niet eerder in Nederland strafrechtelijk veroordeeld.
- De psychiater heeft onder meer de diagnose PTSS en een depressieve stoornis vastgesteld.
- Op grond van artikel 67 Vw in combinatie met artikel A5/3 onder c van de Vreemdelingencirculaire is te verwachten dat verdachte bij oplegging van een onvoorwaardelijke straf van ten minste een maand ongewenst verklaard zal worden.
Ingevolge de jurisprudentie van de Raad van State, afdeling Rechtspraak, komt hij vanaf dat moment niet meer in aanmerking voor legaal verblijf op basis van artikel 64 Vw of enige andere vorm van legaal verblijf. Wel zal, zolang verdachte te ziek blijft om te reizen, door de IND conform het beleid dienen te worden gehandeld naar de ratio van artikel 64 Vw.
Het voorgaande heeft met zich gebracht dat verdachte met grote waarschijnlijkheid dubbel gestraft kan worden. Gelet op de gestelde diagnose is dat in het geval van verdachte niet verantwoord te achten, aldus het Hof. Om die reden heeft het Hof zich aangesloten bij de opgelegde straf van de politierechter, namelijk 90 dagen, echter het Hof heeft bepaald dat een deel daarvan, te weten 62 dagen, voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. Op die manier komt de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking in de hoogte van de straf en is er voldoende rekening gehouden met de specifieke, persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Wetgeving art 64 Vw
Jurisprudentie
Gerechtshof Amsterdam 26 maart 2009
(gepubliceerd op 1 april 2009)
Profijtontneming- schending artikel 6 EVRM?
Het middel klaagt over schending van artikel 6 EVRM, op grond dat het Hof een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door een strafbaar feit ten aanzien waarvan de dagvaarding in eerste aanleg nietig is verklaard. Hoge Raad 7 april 2009 (LJN BH3342)
Arrest Hof
De rechtbank heeft in haar vonnis d.d. november 2002, de dagvaarding ten aanzien van een bepaald feit nietig verklaard. De raadsman heeft daaraan de conclusie verbonden dat er bij het berekenen van het wederrechtelijk gekregen voordeel, geen rekening mag worden gehouden met mogelijke strafbare feiten gepleegd in de periode van 1995 tot 2001. Het Hof heeft dit verweer echter verworpen.
Het feit dat de tenlastelegging ten aanzien van het betreffende feit nietig is verklaard, brengt niet met zich mee dat de ten laste gelegde gedragingen van veroordeelde in de bovengenoemde periode, niet kunnen worden betrokken in de beslissing over het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aldus het Hof. De wet staat er namelijk niet aan in de weg dat de in art 36e, lid 2 Sv bedoelde soortgelijke feiten en feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, alsmede de in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde andere strafbare feiten aanvankelijk voorwerp zijn geweest van de tenlastelegging zonder dat zij tot een veroordeling hebben geleid.
De wetgever heeft hier een ruime regeling voor ogen gehad die het in het bijzonder mogelijk maakt het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van feiten die onderdeel uitmaken van een complex van "systematische en min of meer georganiseerde wetschendingen" (vgl. Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 12). Niet valt in te zien waarom wel feiten die geen voorwerp zijn geweest van de tenlastelegging ten grondslag mogen worden gelegd aan een ontnemingsmaatregel en niet feiten die wel in de tenlastelegging waren opgenomen. In dit kader dient het hof vast te stellen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door veroordeelde zijn begaan onderscheidenlijk dat aannemelijk is dat de in art. 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen (vgl. HR 14 september 1999, NJ 2000, 55).
Geen steun in het recht
Het middel berust op de opvatting dat een nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van een bepaald feit gelijkgesteld kan worden aan een vrijspraak ten aanzien van dat feit, zoals bedoeld in de uitspraak Geerings tegen Nederland (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349). Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht, aldus de Hoge Raad. Het middel faalt dan ook.
Conclusie AG
Advocaat- Generaal Machielse heeft aangevoerd dat volgens de steller van het middel er in dit geval in wezen sprake is van een met vrijspraak te vergelijken situatie. De officier van justitie heeft tegen de nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van dat feit namelijk geen rechtsmiddel aangewend, noch een nieuwe dagvaardig doen uitgaan.
In zijn conclusie heeft de AG verwezen naar het arrest Geerings (2) waarin door het EHRM het volgende is overwogen: “The Court has in a number of cases been prepared to treat confiscation proceedings following on from a conviction as part of the sentencing process and therefore as beyond the scope of Article 6 § 2 (see, in particular, Phillips, cited above, § 34, and Van Offeren v. the Netherlands (dec.), no. 19581/04, 5 July 2005). The features which these cases had in common are that the applicant was convicted of drugs offences; that the applicant continued to be suspected of additional drugs offences; that the applicant demonstrably held assets whose provenance could not be established; that these assets were reasonably presumed to have been obtained through illegal activity; and that the applicant had failed to provide a satisfactory alternative explanation."
In deze zaak heeft het EHRM vastgesteld dat er bij Geerings geen vermogensbestanddelen van onverklaarbare herkomst waren aangetroffen. Dat is in casu niet het geval. Evenmin is er sprake geweest van een ‘final acquital’ van de verdachte, aldus de AG.
De AG heeft in zijn conclusie aangegeven dat de Hoge Raad een aantal malen de gelegenheid heeft gehad om zijn licht de doen schijnen over de Geerings- problematiek. Hij verwijst door middel van een citaat eveneens naar art 511b Sv, waarin aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen. Hiertoe behoort mede de gelegenheid om aan te voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in artikel 36e, lid 2 Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan.
Alleen wanneer voordeel wordt ontnomen dat is gegenereerd door een feit waarvan verdachte is vrijgesproken volgt de Hoge Raad de in de zaak Geerings uitgezette lijn, aldus de AG.
Het middel faalt, volgens de AG, aangezien verdachte de gelegenheid heeft gehad zich tegen de ontnemingsvordering te verweren en het Hof heeft zich niet enkel gebaseerd op een ongeoorloofde ‘presumption of guilt’.
Strafrechtgame
Deze week (3 en 4 april) zal de eerste strafrechtgame van de Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten (NVJSA) georganiseerd worden. Uit de 45 deelnemers zal de beste jonge strafpleiter van het jaar verkozen worden. Op de Universiteit van Amsterdam en op de rechtbank te Amsterdam zullen rechters(-commissaris) en officieren uit den lande zich buigen over een strafzaak die door de advocaten gedurende twee dagen bepleit wordt, vanaf de voorgeleiding bij de rechter-commissaris tot aan de behandeling ter terechtzitting. Vervolgens zullen de rechters de beste strafpleiter verkiezen.
In deze tweedaagse cursus zullen alle fases van het strafproces worden doorlopen van de voorgeleiding, via de raadkamer tot en met de inhoudelijke behandeling.
Er wordt gewerkt op basis van een aantal fictieve strafzaken, waarbij 42 deelnemers uit verschillende arrondissementen hun cliënt van bijstand voorzien. Om een zo realistisch mogelijke situatie te creëren wordt opgetreden voor daadwerkelijke rechters-commissarissen, officieren van justitie en zittingsrechters.
Deze zullen zowel de juridisch-inhoudelijke kwaliteiten van de deelnemers als de wijze van presenteren beoordelen. Dit betekent dat de deelnemers de feedback van de rechters (-commissarissen) kunnen verwachten die zij normaal gesproken niet krijgen. De cursus is overigens uitdrukkelijk bedoeld voor weliswaar jonge advocaten, maar wel voor advocaten met ervaring in het optreden in strafzaken. Aan het einde van de cursus wordt uit de deelnemers door de rechters en officieren een winnende groep gekozen. Deze zal –dit jaar de eerste- houder van de wisselbeker Strafrechtgame worden. Naast het educatieve karakter van de tweedaagse bijeenkomst is er dus ook een competitief element.
Tussen de zittingen en voorgeleidingen door worden er twee lezingen verzorgd over een actueel straf(proces)rechtelijk onderwerp. Als sprekers zullen onder anderen optreden professor Stijn Franken en Inez Weski.
De Strafrechtgame wordt gehouden in Amsterdam. Uiteraard wordt gezorgd voor de lunch, borrels en een diner. Het definitieve programma wordt binnenkort bekendgemaakt en zal te vinden zijn op deze website. De Orde zal voor deze tweedaagse cursus 11 opleidingspunten toekennen.
De deelnemerslijst is inmiddels vol. U kunt zich helaas niet meer inschrijven.
Voor meer informatie zie:
http://strafrechtgame.nvjsa.nl/
Verschoningsrecht Notaris
Doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd nu klager als notaris niet enkel verdacht wordt van een strafbaar feit maar door zijn handelen tevens het vertrouwen in het notariaat op het spel heeft gezet Hoge Raad 13 maart 2007 (LJN: BG9494).
Feiten
Klager wordt er van verdacht zich bij de uitoefening van zijn ambt schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrift. Klager heeft in zijn verhoor door de FIOD/ECD verklaard dat de betreffende koopovereenkomst, anders dan de inhoud ervan suggereert, niet is opgemaakt en ondertekend op 1 oktober 2004, maar omstreeks 4 december 2004 en dat hij de datering op verzoek van de beide andere betrokkenen heeft aangepast.
Bij een doorzoeking zijn in beslag genomen een agenda, dossiernotities en een diskette met een schermuitdraai van de "eigenschappen" van een document zoals dat zich in een van de Word-mappen in een computer van klager bevond. Niet in geschil is dat deze voorwerpen informatie bevatten met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst.
Klager komt op tegen de beschikking van het Hof waarbij ongegrond is verklaard het beklag van de klager strekkende tot opheffing van onder hem in beslaggenomen voorwerpen.
De Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat Generaal, die inhoudt dat het oordeel van het hof dat i.c. sprake is geweest van zeer uitzonderlijke omstandigheden die met zich brengen dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, onjuist, noch onbegrijpelijk is.
Conclusie Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal concludeert dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, de beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moet worden aangemerkt, zodat doorbreking van het verschoningsrecht gerechtvaardigd is, zich niet in een algemene regel laat samenvatten. De enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde als verdachte wordt aangemerkt is niet toereikend. Dat kan anders zijn bij verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten.
Doorbreking van het verschoningsrecht kan ook aan de orde komen wanneer het verschoningsrecht zelf een belemmering opwerpt voor onderzoek naar misstanden, welke misstanden juist weer aanleiding zouden kunnen vormen voor hulpzoekenden om hun hulpvraag terug te schroeven.
Ook wanneer de geheimhouder niet met andere verdachten samenzweert kan er sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden. Zo kan de prominente rol die een bepaalde beroepsgroep in de samenleving vervult, in samenhang met de grootschaligheid en de mate van berekening waardoor het handelen van de geheimhouder wordt gekleurd, leiden tot de gevolgtrekking dat het een groot maatschappelijk belang is om dergelijke gedragingen te bestrijden.
De Advocaat-Generaal concludeert vervolgens dat de steller van het middel de opvatting lijkt te huldigen dat zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen slechts aanwezig zullen zijn als de geheimhouder samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Die eis ligt volgens de Advocaat-Generaal in de rechtspraak van de Hoge Raad niet besloten. De verdenking dat de geheimhouder heeft samengewerkt met andere verdachten en aldus een bijdrage heeft geleverd aan een misdrijf dat een aanslag vormt op de kern van de beroepsmatige werkzaamheid van een verdachte geheimhouder is zelfs een indicatie voor het bestaan van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdenking jegens klager ziet op een feit dat bijzonder ernstig is omdat het bestaat in een criminele samenwerking met anderen waarbij juist het vertrouwen in het notariaat op het spel wordt gezet. Volgens de Advocaat-Generaal heeft het hof daarmee geen blijk gegeven van een verkeerde uitleg van de rechtspraak van de Hoge Raad en zijn beslissing voldoende met redenen omkleed.
Jurisprudentie
Hoge Raad 13 maart 2007 (LJN: BG9494)
Geen novum in Enschedese ontuchtzaak
In de Enschedese ontuchtzaak heeft de Hoge Raad op 17 maart 2009 beslist, dat een rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken als zodanig niet tot herziening kan leiden. Daarnaast bevat de inhoud van het rapport volgens de Hoge Raad geen novum. De Hoge Raad heeft alle door de verdediging aangevoerde herzieningsgronden verworpen (LJN BF1321).
Traject
De rechtbank Almelo heeft de aanvrager op 5 april 2001 wegens zes zedendelicten veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en tbs met bevel tot verpleging van overheidswege (LJN AB0887). In hoger beroep is de aanvrager op 20 februari 2002 door het hof Arnhem wegens zeven zedendelicten veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en tbs met bevel tot verpleging van overheidswege (LJN AD9410).
Bij arrest van 30 maart 2003 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de bewijslevering verworpen (LJN AI0010), waardoor de veroordeling van de aanvrager door het hof Arnhem definitief werd. Vervolgens heeft de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken - naar aanleiding van een verzoek van de aanvrager - een onderzoek verricht in de zaak tegen de aanvrager. Het rapport van de CEAS was voor de advocaat van de aanvrager, mr. G.G.J. Knoops, grond om ex artikel 457 Sv een herzieningsaanvraag in te dienen.
Volgens de verdediging is er om verschillende redenen sprake van een novum in de zin van artikel 457 Sv. Een novum houdt een nieuwe feitelijke omstandigheid in die bij het onderzoek op de terechtzitting niet aan de rechter bekend was en die het ernstige vermoeden (LJN BA0887) wekt dat die, als de rechter daarmee wel bekend was geweest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, ontslag van rechtsvervolging, vrijspraak of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt.
CEAS-rapport is geen novum
Door de verdediging wordt aangevoerd, dat het CEAS-rapport als zodanig een novum oplevert. Daartoe wordt aangevoerd (1) dat het CEAS-rapport heeft te gelden als een nieuw deskundigenrapport en (2) dat de CEAS onderdeel is van het OM zodat het oordeel van de CEAS aan het OM moet worden toegerekend. Volgens de Hoge Raad kan een CEAS-rapport als zodanig niet tot herziening leiden. De Hoge Raad overweegt dat de CEAS haar bevindingen rapporteert aan het College van P-G en niet zelf een herzieningsverzoek kan indienen. Daarnaast kan de CEAS volgens de Hoge Raad niet zonder meer worden aangemerkt als een onderdeel van het OM. Het feit dat het rapport als zodanig geen novum oplevert, sluit naar het oordeel van de Hoge Raad niet uit dat een CEAS-rapport een novum kan bevatten.
CEAS-rapport bevat geen novum
De CEAS heeft nader onderzoek gedaan naar de vraag of aan de rechter relevante informatie is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat de processen-verbaal van de verhoren van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uitmaakten van het procesdossier.
Het CEAS-rapport houdt in, dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd en dat op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Weliswaar had volgens het CEAS-rapport aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken moeten worden gevoegd, maar die bevinding leidt niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. De CEAS voegt daar evenwel aan toe dat het zich er terdege van bewust is dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraak, gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren, fragiel is en dat de informatie die door de CEAS is toegevoegd die basis nog fragieler maakt.
De Hoge Raad concludeert dat een CEAS-rapport wel een voor herziening vereist novum kan bevatten, maar gezien de inhoud van het rapport is daar naar het oordeel van de Hoge Raad in casu geen sprake van. De Hoge Raad verwerpt daarom alle door de verdediging aangevoerde, grotendeels aan het CEAS-rapport ontleende, herzieningsgronden en wijst de herzieningsaanvraag derhalve af.
Nu de Enschedese ontuchtzaak niet door de Hoge Raad heropend wordt, blijft het arrest d.d. 20 februari 2002 van het hof Arnhem in stand.
Wetgeving
art. 457 Sv
Jurisprudentie
Hoge Raad 17 maart 2009 (LJN BF1321);
Hoge Raad 30 september 2003 (LJN AI0010);
Hof Arnhem 20 februari 2002 (LJN AD9410);
Rechtbank Almelo 5 april 2001 (LJN AB0887)
Het complete Ahold Arrest
Op 13 oktober 2004 begon formeel de strafrechtszaak tegen de voormalige topman en drie andere voormalige bestuurders van Ahold. Nadat opsporingsdienst FIOD- ECD onderzoek deed naar boekhoudfraude bij supermarktconcern Ahold, vervolgde het openbaar ministerie (OM) de oud-bestuurders voor hun rol bij de vermeende onrechtmatigheden. Op 22 mei 2006 deed de rechtbank uitspraak. Tegen de uitspraak werd hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam startte de behandeling op 29 november 2007 met een regiezitting. De voormalig Ahold- bestuurders zijn in hoger beroep opnieuw veroordeeld. Het hof Amsterdam veroordeelde de heer van der H. tot het betalen van een boete ter hoogte van EUR 30.000, de heer M. tot een boete van EUR 100.000, 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 240 uur en de heer A. tot een boete van 50.000 en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar.
De heer Ture F. is door het hof op alle punten vrijgesproken.
Het volledige arrest is gepubliceerd in Nieuwsbrief Strafrecht 2009 03. U kunt dit volledige arrest gratis ontvangen door hier uw gegevens achter te laten. De eerste 200 aanmeldingen ontvangen de uitgave gratis.
Aanwijzing opsporingsberichtgeving
Aanwijzing opsporingsberichtgeving (2009A004), afkomstig van het College van procureurs-generaal, is op 16 maart 2009 in werking getreden en is gepubliceerd in Staatscourant 2009, 51.
Wat is opsporingsberichtgeving?
Deze aanwijzing geeft aan wat opsporingsberichtgeving inhoudt, hoe en wanneer het Openbaar Ministerie (OM) de verschillende vormen ervan kan inzetten en aan welke omstandigheden het OM daarbij nog speciale aandacht moet geven.
Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen.
Wettelijk kader
De aanwijzing begint met een definitie en het wettelijk kader, waarna uiteen wordt gezet welke soorten opsporingsberichtgeving het OM kan inzetten en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. De bevoegdheid tot het inzetten van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving is niet expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering(Sv), maar valt onder de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 Sv waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan de overige personen die met de opsporing zijn belast.
Nieuw in de aanwijzing
Een grote verandering ten opzichte van de vorige Aanwijzing Opsporingsberichtgeving is de enorme vlucht die het aantal beschikbare mediavormen heeft genomen. Vooral het internet heeft de mogelijkheden om burgers te betrekken bij de opsporing vergroot, waarbij tevens de snelheid van verspreiding van informatie is toegenomen. De organisatie van opsporingsberichtgeving is aan deze ontwikkelingen aangepast.
Nieuw daarbij zijn de dringend gezocht lijsten op het internet. Ook geeft de aanwijzing een overzicht van berichten die weliswaar kenmerken vertonen van opsporingsberichtgeving, maar niet onder de verantwoordelijkheid van het OM vallen, waaronder het Amber Alert. Dat is een signalering die uitgaat van het KLPD als een kind onder de achttien jaar wordt vermist. Naast al bestaande mogelijkheden op radio en televisie kan het Amber Alert worden verzonden via computer, telefonie (sms) en andere multimedia toepassingen (al dan niet in openbare ruimten).
Daarnaast besteedt de aanwijzing bijzondere aandacht aan de verwijdering van informatie, vooral van het internet, en een klachtprocedure. Ook gaat de aanwijzing in op het uitloven van beloningen door het OM en op het gebruik van beeld- en geluidsmateriaal.
De aanwijzing bespreekt ook de samenstelling en werkwijze van het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving , het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving en het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving. Ten slotte gaat de aanwijzing in op de samenwerking met mediapartners en wordt aangegeven welke afspraken tot stand moeten komen.
De nieuwe aanwijzing wordt gekenmerkt door:
- meer publicatiemogelijkheden voor opsporingsberichten;
- duidelijker omschreven procedures, waarbij ook aandacht is voor verwijdering van informatie en klachten;
- herijking van de criteria voor opsporingsberichtgeving;
- afstemming van de regionale organisatie op de landelijke organisatie;
- een helder onderscheid tussen besluitvorming, beleid en uitvoering.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Verdachte heeft alvorens te gaan rijden nagelaten te controleren of de op de aanhangwagen geplaatste houten bok wel goed was bevestigd. De bok is van de aanhangwagen geraakt met als gevolg dat een daar achter rijdende vrachtauto op de lading is gebotst en de vrachtauto daarachter vervolgens tegen de voor hem rijdende vrachtauto is gebotst en gewond is geraakt. Er is sprake van een causaal verband tussen het letsel van het slachtoffer en het handelen van verdachte.
(Rechtbank ’s-Hertogenbosch 12 maart 2009 (LJN: BH 5282))
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging is er geen sprake van schuld in de zin van art 6 WvW 1994. Uit de jurisprudentie blijkt dat één enkele verkeersfout niet per definitie voldoende is om de schuld in de zin van artikel 6 WvW 1994 aan te nemen, aldus de verdediging. Verdachte heeft wel degelijk controles uitgevoerd. Hij heeft de verlichting en de bevestiging van de puien aan de bok gecontroleerd. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inderdaad niet heeft gekeken of de bok aan de aanhangwagen was bevestigd, echter hij is er van uitgegaan dat degene die de wagen voor hem geladen had, dit zorgvuldig had gedaan. Er kan dus niet worden gesteld dat het enkele niet controleren, aanmerkelijk onvoorzichtig was.
De raadsman heeft eveneens aangevoerd dat het causale verband tussen het handelen van verdachte en het bij het slachtoffer ontstane letsel ontbreekt. Het slachtoffer reed met zijn vrachtwagen ongeveer 84 km per uur. Uit de verklaringen van een van de getuigen (de bestuurder van de vrachtwagen die achter de aanhangwagen reed), blijkt dat hij met een snelheid van 20 km per uur het obstakel naderde. Voor het slachtoffer moeten dus al enige tijd de remlichten van de voor hem rijdende vrachtwagen zichtbaar zijn geweest. Ondanks dat is het slachtoffer toch met een snelheid van 8o km per uur op de voor hem rijdende vrachtwagen gebotst. Volgens de raadsman zou het slachtoffer niet goed hebben opgelet en is hij daarom in botsing gekomen met de andere vrachtwagen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte had moeten controleren op welke manier de bok was bevestigd aan de aanhanger. Door dit na te laten, heeft verdachte zo onvoorzichtig gehandeld, dat er wel degelijk sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WvW 1994. De rechtbank heeft het eerste verweer van de verdediging dan ook verworpen.
Ten aanzien van de causaliteit is de rechtbank tot de volgende overweging gekomen. Het feit dat het slachtoffer tegen zijn voorganger is aangereden, aangezien hij de vrachtwagen niet meer kon ontwijken, is enkel en alleen te wijten aan het onvoorzichtig handelen van verdachte. Zou verdachte namelijk wel gecontroleerd hebben of de bok goed bevestigd was, dan zou deze niet van de aanhangwagen zijn gegleden en had er dus ook geen botsing plaatsgevonden en zou het letsel van het slachtoffer zijn voorkomen. Het letsel kan dus in redelijkheid worden toegerekend aan verdachte en daarmee is het causaal verband gegeven, aldus de rechtbank. Dat het slachtoffer wellicht niet de maximale oplettendheid heeft betracht, doet niet af aan de verwijtbare fout die verdachte heeft gemaakt en evenmin aan het causale verband tussen het handelen van verdachte en het letsel van het slachtoffer. De rechtbank heeft het tweede verweer van verdachte eveneens verworpen.
Straf
In tegenstelling tot de officier van justitie, die een werkstraf voor de duur van zestig uren eiste, heeft de rechtbank een geldboete opgelegd van EUR 1000,-- en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Wetgeving
art 6 WvW 1994;
art 175 WvW 1994;
art 179 WvW 1994;
art 14a Sr;
art 14b Sr;
art 14c Sr;
art 23 Sr;
art 24 Sr;
art 24c Sr.
Jurisprudentie
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 12 maart 2009 (LJN BH 5282).
Op 23 maart uitspraak in strafzaak tegen van oorlogsmisdrijven verdachte Rwandees
Den Haag, 19 maart 2009 - De rechtbank ’s-Gravenhage doet maandag 23 maart a.s. uitspraak in de strafzaak tegen de 41-jarige Rwandees Joseph M. die verdacht wordt van oorlogsmisdrijven in Rwanda in 1994.
Aanvang: 14.00 uur
Adres: Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag
Zittingszaal: A3 (begane grond)
Beschuldigingen
Aan M. zijn vijf feitencomplexen primair telastgelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht) en subsidiair als foltering (artikelen 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringsverdrag).
Geen rechtsmacht voor vervolging M. voor in Rwanda begane genocide
Aanvankelijk waren alle vijf feitencomplexen mede telastgelegd als genocide (artikel 1 Uitvoeringswet genocideverdrag).
Op 24 juli 2007 heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van M. voor genocide. (BB0494).
In hoger beroep kwam het hof ’s-Gravenhage op 17 december 2007, deels op andere gronden, tot dezelfde conclusie als de rechtbank. (BC0287)
Tegen de uitspraak van het hof hebben het openbaar ministerie en de verdachte beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft op 21 oktober 2008 de uitspraak van het hof in stand gelaten. (LJN BD6568)
Voor informatie over dit bericht kunt u contact opnemen met de afdeling voorlichting van de rechtbank ’s-Gravenhage, tel. 070 381 1943.
LJ Nummers:
BB0494
BC0287
BD6568
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage
Mensenhandelzaak voorlopig uitgesteld
Zwolle-Lelystad, 17 maart 2009 – Op wat de eerste dag van de inhoudelijke behandeling van de Koolvis-zaak had moeten worden, heeft de rechtbank besloten de zaak nog langer uit te stellen. Anders dan het Openbaar Ministerie vond de rechtbank de zaak nog niet rijp voor een inhoudelijke behandeling. Mede naar aanleiding van recent uit Italië ontvangen informatie moeten er nog nadere onderzoeksactiviteiten worden verricht. Van de kant van de verdediging was hierom ook gevraagd. De advocaten hebben nog verschillende verzoeken om nader onderzoek gedaan.
Voortgang van de zaak
De rechtbank heeft de zaak nu eerst aangehouden tot de terechtzitting van maandag 23 maart 2009 te 13.30 uur. Op die zitting zal de rechtbank haar beslissingen mededelen over de verdere voortgang van de zaak, waaronder ook de beslissingen over de onderzoeksactiviteiten die nog moeten worden verricht.
Bron: Rechtbank Zwolle-Lelystad
Verdeeld over Wilders
Net als in de rest van Nederland zijn ook op scherpinstrafrecht de stemmen verdeeld. De stelling “Wilders moet strafrechtelijk vervolgd worden wegens belediging en het aanzetten tot haat en discriminatie” leverde geen eenduidige reactie op. 46,7% procent van de bezoekers was het eens met deze stelling tegen 53,% die het er niet mee eens was.
meer >Vrijwillige terugtred
Bij de beantwoording van de vraag of verdachte zodanig heeft gehandeld dat zijn handelen naar aard en tijdstip geschikt is om het intreden van het gevolg te beletten, is mede van belang of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is dat het gevolg zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandeling maar vóór de gedraging waarop het beroep is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige terugtred aan te nemen.
Hoge Raad 3 maart 2009 (LJN BF8844)
Feiten
Verdachte heeft de remleidingen van een auto van een familielid doorgesneden. Eén uur nadien heeft hij telefonisch contact met dit familielid. In dit telefoongesprek heeft hij verteld dat hij de remleidingen had doorgesneden en haar gezegd dat ze niet met deze auto moest rijden.
Het Hof
Op het verweer van de raadsman dat er sprake is van vrijwillige terugtred overweegt het Hof als volgt. Ook in geval van een voltooide poging, kan een handeling van de dader, verricht onder omstandigheden nog een tot straffeloosheid leidende vrijwillige terugtred opleveren.
In casu heeft verdachte weliswaar een handeling verricht, gericht op het intreden van het gevolg te beletten, maar dit was pas ruim een uur na het doorsnijden van de remleiding. In de tussenliggende tijd bestond de mogelijkheid dat van de auto gebruik zou worden gemaakt. Het gevorderde uur doet daaraan niet af. Dat het gevaar zich in deze tijdspanne niet heeft verwerkelijkt, is een omstandigheid die onafhankelijk was van de wil van de verdachte.
Anders gezegd: de verdachte is niet op zijn schreden teruggekeerd toen hij, naar huis lopend zich het gevaarlijke van zijn handeling realiseerde, maar hij is doorgelopen naar huis en hij heeft daar pas na ruim een uur na het doorsnijden van de remleiding aanstalten gemaakt de slachtoffers te waarschuwen. Onder deze omstandigheid kan het telefonisch waarschuwen niet meer als tot straffeloosheid leidende vrijwillige terugtred worden gekwalificeerd. Het verweer wordt verworpen.
Hoge Raad
De Hoge Raad volgt het Hof daarin niet. Volgens de Hoge Raad komt de gedachtegang van het Hof er op neer dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen omdat de verdachte niet direct in actie is gekomen nadat hij zich het gevaarlijke van zijn handelen had gerealiseerd, maar pas ruim een uur na het doorsnijden van de remleiding telefonisch heeft gewaarschuwd en in de tussenliggende tijd de mogelijkheid bestond dat van de auto gebruik zou worden gemaakt.
Voor zover het Hof aldus tot uitdrukking heeft gebracht dat in geval van een voltooide poging een beroep op vrijwillige terugtred alleen kan slagen indien de verdachte het intreden van de gevolgen van het delict heeft belet door onmiddellijk in actie te komen nadat hij het gevaar van zijn handelen heeft onderkend, geeft dat oordeel, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad vervolgt met de overweging dat voor zover het Hof die vereisten niet heeft miskend, zijn oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred moet worden verworpen, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het doorsnijden van de remleiding niet eerder dan bij het rijden met de auto een onmiddellijk levensgevaar zou hebben opgeleverd.
In de bestreden uitspraak ontbreekt echter enige vaststelling omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat, gelet op het gevorderde uur van de dag, door de eigenaar van de auto dan wel door een ander daadwerkelijk gebruik zou worden gemaakt van de auto. De overweging van het Hof dat de mogelijkheid bestond dat in de tussenliggende tijd van de auto gebruik zouden maken, is daartoe onvoldoende.
Het middel is derhalve terecht voorgesteld, aldus de Hoge Raad.
Jurisprudentie
Hoge Raad 3 maart 2009 (LJN BF8844).
Uitspraak Hoge Raad in zaak over groepsbelediging Islam
Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit het misdrijf van artikel 137c, lid 1 Sr oplevert.
Hoge Raad 10 maart 2009 (LJN BF0655)
Feiten
Verdachte heeft op 7 november 2004 een poster voor het raam van zijn woning opgehangen met onder meer de tekst “Stop het gezwel dat Islam heet”. De rechtbank ’s-Hertogenbosch Rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 juli 2005 (LJN AT9494) heeft de verdachte op 19 juli 2005 veroordeeld wegens het zich in het openbaar beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst art 137c Sr. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte eveneens wegens het zich in het openbaar beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar. Het hof Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (LJN BH3383)heeft onder meer overwogen dat de verdachte door de Islam aan te duiden als een gezwel zich onnodig grievend heeft uitgelaten over de Islam en, gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen, ook ten aanzien van die groep mensen die de Islam belijden
Artikel 137c Sr
In de eerste plaats gaat het in dit geval om de specifieke betekenis van de in artikel 137c Sr opgenomen uitdrukking ‘belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging’. In dit artikel wordt het zich beledigend uitlaten over een godsdienst niet strafbaar gesteld. Ook niet indien dat gebeurt op zo’n manier dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt. Volgens de Hoge Raad moet deze wetsbepaling beperkt worden uitgelegd. Er is alleen sprake van ‘groepsbelediging’ wegens godsdienst, indien er sprake is van een nodeloze krenking die onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die zich door hun godsdienst onderscheiden van anderen. Grievende uitlatingen over een godsdienst in het algemeen, waardoor aanhangers zich gekrenkt voelen, is dus niet voldoende om van belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst te spreken, aldus de Hoge Raad.
Vrijheid van meningsuiting
Wanneer uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als ‘belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst’, komt de vraag of daarbij de grenzen van de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) zijn overschreden niet in beeld. In deze zaak is dan ook niet aan de orde gekomen of de bij wet voorziene beperking die artikel 137c Sr aan het recht op vrijheid van meningsuiting stelt, gerechtvaardigd is.
Te ruime uitleg
De Hoge Raad is van mening dat het Hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan de in artikel 137c, lid 1 Sr voorkomende uitdrukking “een groep mensen wegens hun godsdienst”. Het Hof is namelijk van mening dat verdachte zich met zijn poster met daarop de tekst “Stop het gezwel dat Islam heet”, onnodig grievend heeft uitgelaten over de Islam. Het hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat “gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen” deze uitlating reeds daardoor ook beledigend is voor “die groep mensen die de Islam belijden”. De Hoge Raad deelt dit standpunt van het Hof niet en vernietigd dan ook de uitspraak. Het middel is gegrond en de Hoge Raad heeft om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afgedaan en verdachte vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.
Vervolging kamerlid Wilders
Opmerking verdient nog dat de Hoge Raad heeft aangegeven dat dit criterium eveneens een maatstaf zal zijn in de zogenaamde Wilders- beschikking (Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2009 (LJN BH0496), voorover het gaat om groepsbelediging. De uitspraak van de Hoge Raad in deze zaak, betekent dat de rechter die eventueel over een tenlastelegging op dit punt in de zaak tegen Wilders moet gaan oordelen, zal moeten onderzoeken of - zoals de Hoge Raad hier heeft overwogen - een uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die zich door hun godsdienst onderscheiden van anderen. Het hangt van dat onderzoek af wat de uitkomst zal zijn.
Wetgeving
art 137c Sr
Jurisprudentie
Hoge Raad 10 maart 2009 (LJN BF0655);
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 juli 2005 (LJN AT9494);
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (LJN BH3383);
Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2009 (LJN BH0496).
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Ontneming van € 65.000,00 wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op het feit dat veroordeelde een aanzienlijke vergoeding heeft gekregen voor het onder zich hebben van hoeveelheden heroïne en het feit dat veroordeelde de herkomst van de geldbedragen in zijn kluis niet overtuigend heeft kunnen verklaren, is het Hof van oordeel dat deze geldbedragen tenminste aangemerkt kunnen worden als wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders dan het Openbaar Ministerie (OM) is het hof van oordeel dat geen ontneming kan plaatsvinden van voordeel verkregen uit handel in heroïne, waarvan de veroordeelde is vrijgesproken. Gerechtshof 's- Gravenhage 27 februari 2009 (LJN BH4188)
Procesgang
Bij het arrest d.d. 24 januari 2000 is de veroordeelde gekwalificeerd als: opzettelijk handelen in strijd met art 2, lid 1 onder c Ow, meermalen gepleegd. Veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Van het verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van heroïne is veroordeelde vrijgesproken evenals van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank ‘s- Gravenhage heeft bij beslissing van 1 december 2000 het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op f. 417.872,00. De grondslag voor deze ontneming is handel in heroïne. De officier van justitie en de veroordeelde hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. In februari 2006 is het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens de ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Het OM heeft destijds beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 oktober 2007 het arrest van het Gerechtshof ‘s- Gravenhage vernietigd en de zaak terugverwezen. Derhalve is thans –opnieuw- het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank d.d. 1 december 2000 aan de orde.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van het OM hield destijds in dat de veroordeelde de verplichting zou worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van f. 1.996.320,00. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 januari 2009 het te ontnemen bedrag geschat op € 389.352,00 plus de wettelijke rente over € 70.505,68 (zijnde het in euro uitgedrukte, afgeronde som van de in de kluis aangetroffen geldbedragen) en € 90.756,00 (zijnde de in euro uitgedrukte, afgeronde waarde van de kredietbrief uit de kluis) vanaf 12 maart 1998 tot aan de dag van algehele voldoening. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de veroordeelde een betalingsverplichting zal worden opgelegd conform dit geschatte bedrag en de wettelijke rente over voornoemde bedragen.
Ontvankelijkheid OM/ grondslag ontneming
Het OM heeft de ontnemingsvordering gebaseerd op het voordeel dat het behaald is uit het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld en uit de handel in heroïne. Tevens is het OM tot de conclusie gekomen dat in casu ontneming op grond van voordeel uit handel, ondanks de omstandigheid dat de veroordeelde daarvan is vrijgesproken, mogelijk is. Het zou hier een ander geval betreffen dan hetgeen is beslist in de zaak Geerings (EHRM d.d. 1 maart 2007, NJ 2007/349). Het OM heeft daartoe het volgende aangevoerd:
- ter zake van de vrijgesproken feiten kan worden vastgesteld dat er vermogen in het bezit van de veroordeelde is (geweest) en het staat buiten redelijke twijfel dat dit afkomstig is uit de handel in heroïne waarvan veroordeelde is vrijgesproken, zodat ontneming desondanks mogelijk is;
- de vrijspraak dient beschouwd te worden als een kennelijke misslag van het Hof;
- door gebruikmaking van ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid kan in het onderhavige geval het voordeel worden geschat en tegen gebruikmaking daarvan is geen generiek beletsel te lezen in het Geerings-arrest;
- ook in een vergelijkbare zaak, kwam het Hof Den-Haag bij beslissing van 20 maart 2008 tot ontneming na vrijspraak.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk is in de vordering tot ontneming, aangezien er niet ontnomen kan worden ter zake van feiten waarvan de veroordeelde reeds is vrijgesproken. Zij verwijst in deze naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Geerings. De verdediging heeft eveneens aangevoerd dat het enkele feit dat bij de veroordeelde vermogen is aangetroffen, onvoldoende is om vast te stellen dat veroordeelde heeft gehandeld in heroïne en/ of dit vermogen afkomstig is van de handel in heroïne. Tevens wordt betwist dat de vrijspraak van de veroordeelde ter zake van handel in heroïne een kennelijke misslag betreft en heeft de verdediging erop gewezen dat ook het OM destijds in die uitspraak heeft berust. Voorts heeft de verdediging nog aangevoerd dat op grond van ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid weliswaar voordeel geschat mag worden, maar dat dit niet op gaat voor feiten waarvan de veroordeelde is vrijgesproken. De verdediging heeft hierbij wederom naar het Geerings arrest verwezen.
Standpunt Hof
Het Hof heeft vastgesteld dat de rechtbank de veroordeelde gemotiveerd van handel in drugs heeft vrijgesproken. Van een misslag in de bewezenverklaring (anders dan in Hoge Raad 30 september 2008 (LJN BD4867)) is dan ook geen sprake. Nu het OM destijds kennelijk in die veroordeling heeft berust en de veroordeelde zich op het standpunt is blijven stellen dat hij zich niet aan de handel in heroïne heeft schuldig gemaakt, moet daarvan worden uitgegaan. Het Hof is van oordeel dat geen ontneming kan plaatsvinden van voordeel verkregen uit handel in heroïne. Dit oordeel leidt echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het OM, zoals betoogd door de verdediging, aangezien er nog een andere grondslag voor de vordering is, namelijk het feit waarvoor de veroordeelde veroordeeld is: het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. Een eventueel te ontnemen voordeel zal derhalve enkel op deze grond geschat kunnen worden. Hoewel het OM de ontnemingsvordering enkel heeft toegespitst op het voordeel verkregen uit handel in heroïne, is het Hof niet gebonden aan deze beperkingen. Het staat het Hof immers vrij om op basis van het volledige dossier zelf een oordeel te vormen over de bron en hoogte van het voordeel. In ontnemingszaken is de ontnemingsvordering namelijk niet de grondslag op basis waarvan de rechter dient beslissen, maar slechts een aanleiding voor zijn beslissing over de ontneming (Hoge Raad 25 september 2009 (LJN ZD2509).
Geldelijke tegemoetkoming
Veroordeelde heeft in een periode van minder dan een jaar ruim 40 kilo heroïne in handen gehad. Naar het oordeel van het Hof is het dan ook ondenkbaar dat de veroordeelde geen geldelijke tegemoetkoming zou hebben ontvangen. Het is dus aannemelijk geworden dat de veroordeelde een vergoeding heeft gekregen voor het onder zich houden van een hoeveelheid cocaïne. Het Hof heeft eveneens aangevoerd dat er in de kluis diverse geldbedragen en een kredietbrief is aangetroffen, waarvan door veroordeelde geen legale herkomst aannemelijk is gemaakt. Gelet op het feit dat het aannemelijk is dat veroordeelde een aanzienlijke hoeveelheid heroïne onder zich heeft gehad en het feit dat hij de herkomst van de in zijn kluis aangetroffen geldbedragen niet overtuigend heeft kunnen verklaren, is het Hof van oordeel dat deze bedragen tenminste aangemerkt kunnen worden als verkregen uit het feit waarvoor de veroordeelde veroordeeld is en derhalve als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Maximale korting
Het Hof is tot de conclusie gekomen dat er in deze zaak sprake is geweest van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Echter, anders dan de verdediging is het Hof niet van oordeel dat de schending dermate ernstig is dat de betalingsverplichting om die reden op nihil gesteld dient te worden. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (Hoge Raad 17 juni 2008 (LJN BD2578) ziet het Hof in deze zaak aanleiding om een maximale korting toe te passen van € 5000,00. De verdoolde wordt verplicht een bedrag à € 65000,00 te betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit bericht is ook terug te vinden in OpMaat_Strafrecht
Rechtspraak zet in 2009 in op verbetering kwaliteit
Den Haag, 26 februari 2009 - De Rechtspraak zet in 2009 in op verdere verbetering van de kwaliteit van het eigen werk. Beter gemotiveerde vonnissen staan hoog op de agenda, net als de verplichting voor rechters om permanent aan opleiding te doen. Ook wordt het voor de advocatuur mogelijk om meer digitaal zaken te doen. Dat staat in het Jaarplan 2009 van de Rechtspraak.
Voor 2009 is de afspraak gemaakt dat de rechtbanken minimaal 40 procent van de vonnissen motiveren via de nieuwe Promis-methode; dat moet betere, helderder gemotiveerde uitspraken opleveren. In de zaken waarin de rechtbanken een Promis-vonnis hebben opgesteld, zullen de gerechtshoven dat ook doen.
De norm waarbij iedere rechter jaarlijks een minimaal aantal uren moet besteden aan educatie wordt voor het eind van het jaar ingevoerd bij alle gerechten. Andere kwaliteitsnormen volgen in 2010, zoals meer meervoudige zittingen, goede bewijsmotivering en doorlooptijden.
Op het gebied van kwaliteitsbevordering staat nog meer op de rol. Zo komen de gerechtshoven dit jaar met hun plan van aanpak om (onder meer) hun leidende rol bij het waarborgen van de rechtseenheid te vergroten. Verder komen er bij de hoven kenniscentra voor cybercrime en financieel-economische strafzaken.
Digitaal zaken doen
Ook het vergroten van de digitale toegankelijkheid van de Rechtspraak staat prominent rol in het Jaarplan 2009. Zo begint in Dordrecht een proef met een digitaal dossier bestuursrecht dat ook toegankelijk is voor advocaten en het digitaal indienen van beroepschriften in vreemdelingenzaken.
Ook van belang voor de advocatuur is dat het Roljournaal wordt uitgebreid naar kantonzaken en familiezaken. Er start ook een project om het digitaal indienen van processtukken via het Roljournaal mogelijk te maken.
Bron www.rechtspraak.nl
Jaarplan Rechtspraak 2009
Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken (WWM)
Onder verwijzing naar Hoge Raad, 15 april 1997(LJN ZC9549), NJ 1997, 653 overweegt de Hoge Raad dat de uitdrukking "bestemd voor het treffen van personen of zaken" (art 2 WWM (verwijzing 1, verwijzing 2)) betekent dat het voorwerp naar zijn aard bestemd is voor het treffen van personen of zaken. Dat verdachte het voor die bestemming niet in zijn bezit had maakt dit niet anders Hoge Raad 17 februari 2009 (LJN: BG7763).
Feiten
Het Hof heeft bewezen verklaard dat verdachte een explosief, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad. De tenlastelegging is toegesneden op art. 2, eerste lid categorie II onder 7, Wet wapens en munitie (WWM). Dit artikel luidt voor zover hier van belang:
1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
(...)
Categorie II
(...)
7e voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor civiel gebruik indien met betrekking tot deze explosieven erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.
(...)"
Middel
Het middel stelt dat is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip 'bestemd voor het treffen van personen of zaken', omdat de Hoge Raad heeft bepaald dat een voorwerp bestemd is voor het treffen van personen indien het naar zijn aard bestemd is voor het treffen van personen. Het Hof heeft, volgens de steller van het middel, op basis van een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waarin is vastgelegd dat waarschijnlijk is dat bij ontbranding een dusdanig explosie plaatsvindt dat verscherving optreedt en het waarschijnlijk is dat dan personen in de nabijheid ernstig lichamelijk letsel oplopen, vastgesteld dat het explosief bestemd is voor het treffen van personen. Deze 'waarschijnlijkheidsnotie' is volgens de steller van het middel niet voldoende om vast te stellen dat het voorwerp naar zijn aard bestemd is voor het treffen van personen. Onder expliciete verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal in HR 15 april 1997, NJ 1997,653 wordt aangevoerd dat dit explosief, niettegenstaande zijn geschiktheid, in concreto niet voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing bestemd is geweest, omdat verdachte het voor die bestemming niet in zijn bezit had. Hij had het alleen in zijn bezit voor vermaak, het afsteken in de oudejaarsnacht.
De Hoge Raad overweegt echter dat de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende uitdrukking "bestemd voor het treffen van personen of zaken" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als genoemd artikel van de WWM, namelijk dat het voorwerp naar zijn aard bestemd is voor het treffen van personen of zaken (vgl. HR 15 april 1997, LJN ZC9549, NJ 1997, 653).
Het door het Hof aangehaalde rapport van het Nederlands Forensisch Instituut houdt over het in de bewezenverklaring genoemde explosief onder meer in: "Gezien de mate van opsluiting en de samenstelling van de pyrotechnische lading van constructie [002] is het waarschijnlijk dat bij ontbranding hiervan een dusdanige explosie plaats vindt dat er verscherving van constructie [002] optreedt. Hierdoor is het waarschijnlijk dat personen in de nabije omgeving ernstig lichamelijk letsel oplopen."
Het Hof heeft zonder miskenning van de betekenis van genoemde uitdrukking, uit de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder uit het rapport NFI kunnen afleiden dat het desbetreffende voorwerp naar zijn aard bestemd was voor het treffen van personen, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Ten overvloede
Het hof heeft ook nog bewezen verklaard dat verdachte wapens van categorie III, te weten een gaspistool (merk Rohm RG 9) en een miniatuur seinpistool (merk Albrecht Kind model Berloque kaliber 2mm) en munitie van categorie III, te weten 6 (traangas)patronen en 6 pyrotechnische (sein)patronen voorhanden heeft gehad.
De verdediging heeft voor wat betreft dit feit een beroep gedaan op de afwezigheid van alle schuld. Volgens de verdediging mocht verdachte erop mocht vertrouwen dat het geen wapen in de zin van de wet betrof omdat het betreffende miniatuur seinpistool eerder door een opsporingsambtenaar, van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, is onderzocht en dat verdachte na dat onderzoek het wapen terug had gekregen met de mededeling dat het niet geschikt was om er mee te schieten.
Het middel kan volgens de Hoge Raad echter niet tot cassatie leiden nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
In de conclusie van de Procureur Generaal wordt hierover onder andere nog vermeld dat de destijds door de rechercheur aan verdachte verstrekte informatie niet zag op de combinatie met de schietbeker, omdat hij bij zijn onderzoek niet de beschikking had over de schietbeker. Naar het oordeel van het hof kon de aan verdachte verstrekte informatie, die enkel betrekking had op het seinpistool, dan ook niet de gerechtvaardige verwachting ontlenen dat het voorhanden hebben van de hierboven bedoelde combinatie - een combinatie die, kort gezegd, één en ander tot een vuurwapen maakt - straffeloos zou zijn.
Recessie zet OM op scherp
De economische crisis zet ook het Openbaar Ministerie op scherp. ‘We zijn nog meer dan normaal gefocust op de integriteit van het systeem.’
Nederland verkeert in een recessie en juist nu is het belangrijk dat burgers kunnen vertrouwen op het financiële en bancaire systeem. Dat vindt Albert van Wijk, hoofdofficier van het functioneel parket, de afdeling van het Openbaar Ministerie die zich onder andere bezighoudt met de bestrijding van fraude.
Het functioneel parket onderzoekt meer dan tien zaken rond beleggingsclubs waarbij honderden mensen financieel zijn gedupeerd. Van Wijk: ‘In een geval werd een mogelijk rendement van meer dan 100 procent voorgespiegeld. Je kunt zeggen dat mensen die hierin stappen, naïef zijn. Dat is misschien ook wel zo, maar het leek een keurig bedrijf.’
Volgens hem bestaat bij die gedupeerden het idee dat het bancaire systeem lek is. ‘Daarom zijn wij zo alert om deze zaken voor de rechter te brengen. Ook geven we voorlichting en organiseren we slachtofferbijeenkomsten. We willen mensen niet afkerig maken van beleggen, maar we willen ze wel waarschuwen. Het is belangrijk om het vertrouwen terug te brengen in het financiële systeem. Het OM kan daarbij helpen door prioriteit te geven aan deze zaken.’
Ratrace
Willem Holleeder die is veroordeeld voor het afpersen van vastgoedhandelaar Willem Endstra, zakenman Jan Dirk Paarlberg die nog voor de rechter moet komen voor het wegsluizen van die afgeperste gelden en medewerkers van Philips Pensioenfonds en Bouwfonds die vervolgd worden voor vastgoedfraude.
Het zijn zaken die het OM oppakt om de financieel economische criminaliteit te bestrijden. Wil je dat goed doen, dan moet het OM de juiste kennis in huis halen, vindt Van Wijk. ‘Criminelen leren bij, maar wij ook. Het is een beetje een ratrace, maar ik denk niet dat de voorsprong van criminelen zo groot is. Wij hebben specialisten in huis: fiscaal juristen, beleggingsjuristen en een oud-bank-directeur die heel goed weten hoe de bancaire systemen geïnfecteerd kunnen raken. Zij zijn ontzettend belangrijk om ons werk goed te kunnen doen.’ Van Wijk geeft samen met Marianne Bloos leiding aan het functioneel parket, dat pas zes jaar bestaat. Het is volgens hen niet zo dat het OM daarvoor niets aan deze zaken deed, maar het moest zich wel doorspecialiseren. Volgens Bloos levert een strafzaak veel meer op dan alleen de straf. ‘Het is een inkijkoperatie waarin je heel diep op een onderwerp inzoomt. Hierdoor komen gaten aan het licht.’ Deze gaten kunnen worden gedicht door nieuwe wetgeving en door verscherpt toezicht van toezichthouders en de bedrijven zelf. Ahold is een van de bedrijven die is aangepakt door het functioneel parket. Drie topmensen werden verdacht van boekhoudfraude en veroordeeld tot veel lagere straffen dan het OM had geëist. Van Wijk: ‘Dat is niet leuk. Maar ik vind de zaak-Ahold’ wel een succes, omdat het een grote onderneming is die door het OM is aangepakt. Het was een complexe zaak, waarbij is vastgesteld dat belangrijke mensen uit ons bedrijfsleven krachtig de wet hebben overtreden.’
Witwasparadijs
Van Wijk en Bloos bestrijden met nadruk dat Nederland een witwasparadijs is, ook al wordt volgens onderzoeken jaarlijks voor 18,5 miljard euro witgewassen. ‘Ik weet niet of dat klopt’, zegt Van Wijk. ‘Het is heel lastig om te meten. Nederland is een knooppunt als het gaat om geld en heeft een fiscaal aantrekkelijk klimaat. Dat trekt ook foute types aan. Maar Nederland is absoluut geen bananenrepubliek. We hebben betrouwbare banken die zelf uitzoeken of de klanten koosjer zijn en de verdachte transacties eruit halen.’
De vermenging tussen de boven- en onderwereld kwam met de strafzaak tegen Holleeder goed aan het licht. Van Wijk: Ik weet niet of het toeneemt, maar we zien het wel steeds beter en dat is belangrijk. De zaak rond Endstra gaf ons een mooi inkijkje, net als het onderzoek tegen Paarlberg. Je ziet bepaalde patronen, die nemen we mee in een volgende zaak. Of we daarmee alle verdachte transacties snappen en zien, nee natuurlijk niet. Maar we leren wel mee.’ Volgens onderzoek wordt jaarlijks voor 18, 5 miljard witgewassen.
Bron:www.depers.nl
Datum publicatie:23 februari 2009
Wetgeving
Jurisprudentie
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuws Persberichten
Datum toegevoegd 23-02-2009
Nummer 2009/97
Doodslag op camping in Sint Agatha
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft een 36-jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar voor het doden van een man in Sint Agatha. Aan de doodslag ging een diefstal vooraf. Rechtbank ’s-Hertogenbosch 20 februari 2009 (LJN BH3301)
Feiten
Verdachte heeft in 2004 in Sint Agatha samen met een vrouw geprobeerd op een camping een partytent en kleding te stelen. Na het horen van stemmen zijn zij de voortent van een caravan ingevlucht. Op dat moment was in de voortent het slachtoffer aanwezig, die in actie was gekomen om zijn eigendommen en de eigendommen van de campingbewoners te beschermen. De ontmoeting met verdachte is het slachtoffer noodlottig geworden. Hij is door verdachte in de borst gestoken.
Opzet van verdachte
Naar aanleiding van onderzoeksresultaten, heeft een van de deskundigen de verklaring van verdachte dat het slachtoffer in het mes zou zijn gelopen, veel minder waarschijnlijk geacht dan de verklaring dat het slachtoffer met een mes zou zijn gestoken. Een getuige- deskundige heeft eveneens verklaard dat er flinke kracht nodig is om het borstbeen te perforeren, zoals dat bij het slachtoffer is gebeurd. Een scenario waarbij het slachtoffer in het mes is gevallen, is nagenoeg volledig uit te sluiten in verband met de insteekhoek. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze conclusie te twijfelen. De combinatie van de insteekhoek, de plaats waar het slachtoffer is geraakt, de kracht die nodig is om een borstbeen te doorboren en het feit dat het slachtoffer een gedeelte van zijn lichaam afschermde met een tafeltje, geeft inzicht in de wijze waarop de verwonding van het slachtoffer is ontstaan. Dit kan niet anders zijn dan door een intentioneel steken door de verdachte, aldus de rechtbank. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat dit handelen van verdachte gericht is op en geschikt is voor de levensberoving van het slachtoffer en dat hieruit de opzet van verdachte kan worden afgeleid.
Verband tussen doodslag en diefstal
Verdachte heeft zich verweert door het standpunt in te nemen dat tussen de doodslag enerzijds en de diefstal en poging anderzijds, geen verband bestaat, aangezien verdachte niet op heterdaad werd betrapt tijdens de diefstal. Bij bespreking van dit verweer wordt voorop gesteld dat betrapping op heterdaad art 288 Sr niet kan worden gelijk gesteld met ontdekking op heterdaad als bedoeld in art 128 Sv. De rechtbank zal op basis van het geheel van feiten en omstandigheden moeten beoordelen of de diefstal en doodslag met elkaar verband houden als gevolg van het feit dat verdachte door het slachtoffer op heterdaad wordt betrapt.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de voortent is ingevlucht toen hij stemmen hoorde, kort na de diefstal van de kleding en de poging tot diefstal van een partytent. Hij had op dat moment het mes, waarmee hij de partytent had losgesneden, nog bij zich. Met dit zelfde mes heeft hij het slachtoffer gestoken. Het feit dat het slachtoffer op dat moment in de voortent was omdat hij een melding had gekregen over de aan de gang zijnde diefstal. Toen verdachte met het slachtoffer oog in oog stond, heeft deze hem neergestoken. Uit de vaststelling van deze feitelijke gang van zaken blijkt van het vereiste verband tussen de poging en de diefstal en de doodslag. Verdachte heeft immers gestoken, omdat hij na het plegen van de strafbare feiten wordt gevonden op een moment en onder de omstandigheden dat voor alle betrokkenen duidelijk was dat hij een van de dieven was, waar het slachtoffer naar was gaan zoeken.
Noodweer
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat er sprake was van noodweer, dan wel noodweerexces. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het slachtoffer een dreigende houding aannam en opmerkte ‘pak de knuppel’. In deze situatie bestond er onmiddellijk dreigend gevaar voor het lijf van verdachte en mocht hij zich verdedigen. De officier van justitie is echter tot het standpunt gekomen dat er geen sprake was van noodweer of noodweerexces. Het slachtoffer pleegde immers geen ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanhouding jegens het lijf van verdachte of dat van een ander. Voorts staat het feit dat verdachte aan het stelen was in de weg aan een beroep op noodweer(exces).
Straf
Bij de beslissing van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het gepleegde strafbare feit en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Verdachte heeft het slachtoffer neergestoken op het moment dat deze bezig was met zijn werk. Na de melding over de mogelijke diefstal heeft het slachtoffer terecht actie ondernomen om zijn eigendommen en die van de bezoekers te beschermen. Het feit dat het door verdachte begane misdrijf is begaan tegen iemand die in zijn bedrijfsuitoefening werkzaam was, weegt voor de rechtbank extra zwaar. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, dat resulteert in een gebrekkig oplossend vermogen en daarmee samenhangend impulsief handelen. Zij heeft dan ook een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twaalf jaar. Naast de opgelegde gevangenisstraf heeft de rechtbank bepaald dat de verdachte een schadevergoeding van bijna 12.000 euro moet betalen.
Wetgeving
art 288 Sr;
art 128 Sv
Jurisprudentie Rechtbank ’s-Hertogenbosch 20 februari 2009 (LJN BH3301)
Dit bericht is ook terug te vinden in: OpMaat_Strafrecht
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuws Uitspraak
Datum toegevoegd 23-02-2009
Nummer 2009/96
Brandstichting
Het middel bestaat uit de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat van de brandstichting levensgevaar voor personen te duchten was. Hoge Raad 17 februari 2009 (LJN BG1653)
Feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een bedrijfspand met daarboven gelegen een woning. De brandstichting is gebaseerd op een vergeldingsactie, aangezien het bedrijf weigerde een partij aluminium te kopen van verdachte. Ten laste van de verdachte is dan ook bewezenverklaard dat hij opzettelijk brand heeft gesticht met als gevolg dat het pand gedeeltelijk is afgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand en levensgevaar voor de in dat pand woonachtige personen te duchten was.
Het Hof is ervan uitgegaan dat de verdachte zich niet heeft gerealiseerd dat er boven het bedrijf een woning was. Dat neemt echter niet weg dat hij zich de rekenschap had kunnen geven van de mogelijkheid dat het bedrijfspand tevens ruimte bood aan een bedrijfswoning. Door hieraan voorbij te gaan heeft verdachte het risico genomen dat er slachtoffers zouden vallen. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er in de woning niemand aanwezig was, aldus het Hof.
Brandstichting met opzet
In art 157 Sr is opzettelijke brandstichting met gevaar voor anderen strafbaar gesteld. Van levensgevaar is niet reeds sprake indien de brand gesticht is in een woning (of een ander behuizing die tot menselijke woning dient). Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1881, blz. 115-132, alsmede Notulen der Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt, 1870-1876, deel I blz. 244-248, deel III blz. 224-225, en deel III blz. 230-231. Om in een dergelijk geval het levensgevaar als een vaststaand feit te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat er inderdaad levensgevaar voor de bewoners te duchten was. Dit houdt in dat het levensgevaar tijdens de brand voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader dat zelf niet heeft voorzien is in dat verband niet van belang. Van de vereiste voorzienbaarheid zal geen sprake zijn, indien de bewoners zich tijdens de brand niet in de woning bevonden.
Gelet op het bewezenverklaarde kan het feit dat er levensgevaar was voor de in dat huis woonachtige personen, niet zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen houden namelijk niets in waaruit kan worden afgeleid dat door de brandstichting het leven van personen die zich in het gebouw bevonden gevaar hebben gelopen. De bewezenverklaring is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aldus de verdediging.
De Hoge Raad heeft deze mening gedeeld en stelt dan ook dat het middel terecht is voorgesteld, heeft de bestreden uitspraak vernietigd terzake van dit feit en heeft de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam.
Bedrijfsongeval met dodelijke afloop
Een N.V. uit Eindhoven moet een boete van 55 duizend euro betalen omdat het bedrijf in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet heeft gehandeld. Dat heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch vandaag bepaald. Een werknemer van het bedrijf overleed op 13 juni 2007 toen hij tijdens werkzaamheden bekneld raakte in een machine.Rechtbank ’s-Hertogenbosch 17 februari 2009 (LJN BH2985)
Feiten
Gelet op het proces-verbaal van de arbeidsinspectie en de verklaring ter zitting afgelegd door de vertegenwoordigers van verdachte was er zowel bij het werken aan de portaallader als bij het werken aan de richtpers, onvoldoende aandacht voor de veiligheid. Tevens werd er bij het opleiden van de personen die met deze machines moesten werken onvoldoende aandacht aan de veiligheidseisen besteed en bestond er eveneens onvoldoende toezicht op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. Als gevolg van het nalaten van het toezicht op het nalaven van de desbetreffende veiligheidsvoorschriften is er een werknemer overleden toen hij tijdens zijn werkzaamheden bekneld is geraakt tussen de portaallader en de richtpers.
Daderschap van verdachte
Ten aanzien van het daderschap van de verdachte, is de rechtbank tot de volgende overweging gekomen. Veel werknemers van verdachte die in deze periode werkzaam waren in de fabriek en die werkten met de richtpers en de portaallader van de nokassenlijn, waren op de hoogte van het feit dat er niet aan de veiligheidseisen werd voldaan (beveiligingen werden overbrugd). Voorts bestond deze wetenschap ook bij de werkmeester en de technische dienst. Indien er veiligheidsaudits van de interne Arbo-dienst werden aangekondigd werden overbruggingen tijdelijk verwijderd om na de audit de overbruggingen weer aan te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank werden de beveiligingen dan ook door velen stelselmatig omzeild.
Indien de veiligheidsrapporteur de veiligheidsgebreken wel constateerde en daar een melding van maakte bij de werkmeester en de Area manager, leidde dat niet tot een adequate reactie en dus niet tot het herstel van de veiligheid aan de nokassenlijn. De wetenschap van velen dat de beveiligingen werden overbrugd, belandde uiteindelijk niet bij de juiste personen die daadwerkelijk actie hadden kunnen en moeten ondernemen, zoals in dit geval de Area- manager en de directie.
Volgens de verdachte was dit het gevolg van onvoldoende organisatie binnen het bedrijf. Indien er sprake was van een melding, dan bereikte deze niet het juiste niveau binnen het bedrijf. Op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank tot de conclusie gekomen dan er binnen de onderneming structureel te weinig aandacht bestond voor de veiligheid met als gevolg dat de rechtspersoon niet de juiste zorg heeft betracht die van haar verwacht mocht worden. Aldus heeft de verdachte feitelijk aanvaard dat er gehandeld werd in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en kan het strafbare handelen haar worden toegerekend.
Opzet
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden geacht dat verdachte wist dat er levensgevaar of ernstige schade voor de werknemers was te duchten. Zij verwijst naar het begrip weten in art 32 Aw (verwijzing 1, verwijzing 2) dat opzet impliceert. Bij de verdachte bestond er wetenschap in de zin van voorwaardelijk opzet, aldus de rechtbank. Verdachte wist dat de werknemers met machines werkten die bij onoordeelkundig of onjuist gebruik gevaar kunnen opleveren voor leven en gezondheid. In de fabriek werden veiligheidsvoorschriften stelselmatig niet in acht genomen en werden beveiligingen zelfs omzeild. Er kan dus gesteld worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Het niet zorgen voor een adequate handhaving van de veiligheidsmaatregelen heeft er mede toe bijgedragen dat de werknemer bekneld is geraakt tussen de portaalladder en de richtpers.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de zin van art 1 Aw (verwijzing 1, verwijzing 2) handelingen heeft nagelaten in strijd met voormelde wet en de daarop berustende bepalingen. De rechtbank heeft dan ook een geldboete opgelegd van €55.000,-- .
Zware mishandeling door moeder en zoon
13-02-2009 Moeder en zoon hebben zorgbehoevende echtgenoot/ vader tegen het uitdrukkelijk advies van de artsen mee naar huis genomen en hebben hem vervolgens onvoldoende verzorging geboden. Voorwaardelijk opzet op poging tot zware mishandeling. Rechtbank ’s-Hertogenbosch 12 februari 2009 (LJN BH2609)
Feiten
In 2001 heeft het slachtoffer, een MS-patiënt, aangifte gedaan van onder meer mishandeling door zijn echtgenote en zijn zoon. Het slachtoffer is door zijn vrouw en zoon vaak geslagen. Verklaringen van beide buurvrouwen bevestigen dat zij de buurman vaak hebben horen schreeuwen en dat er lichamelijk geweld werd gebruikt. Een aantal jaren later wordt het slachtoffer door verdachte en hun zoon in 2007 tegen medisch advies in, uit het ziekenhuis mee naar huis genomen. Het slachtoffer heeft destijds weliswaar zelf de verklaring ondertekend, maar uit de verklaringen van de artsen is gebleken dat verdachte en haar zoon een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Ondanks alle waarschuwingen hebben verdachte en zoon het slachtoffer toch meegenomen naar huis. Vervolgens hebben zij de thuiszorg, de huisarts en de medewerker van de apotheek niet toegelaten tot hun woning. De gevolgen hiervan zijn aanzienlijk en het slachtoffer wordt dan ook een maand later wederom opgenomen in het ziekenhuis. Daar wordt bij hem een ernstige ontregeling van de mineralen huishouding geconstateerd (diagnose: zeer ernstige uitdroging). De artsen zijn van mening dat er in de verzorging van deze patiënt ernstig te kort is geschoten.
Onvoldoende zorg
Op basis van bovenstaande feiten heeft de rechtbank opgemerkt, dat weliswaar niet kan worden vastgesteld dat de verdachten het slachtoffer te weinig vocht hebben gegeven, maar gelet op de medische toestand en de zorgafhankelijkheid van het slachtoffer kan wel worden geconstateerd dat zij hem onvoldoende in de gelegenheid hebben gesteld te laten drinken. De rechtbank is namelijk van oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval, van verdachte en zoon had mogen worden verwacht dat zij beter hadden moeten toezien op de vochtinname van het slachtoffer, dan wel de noodzakelijke professionele hulp hadden moeten toelaten.
Opzet
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte en haar zoon opzet hadden – zij het in voorwaardelijke vorm- op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Verdachte en haar zoon waren namelijk door de behandelend arts gewezen op de medische situatie waarin het slachtoffer zich op dat moment bevond en op de risico’s die er waren. Door desondanks het slachtoffer mee naar huis te nemen, vervolgens geen hulpverlening toe te laten en niet voldoende toe te zien op de vochtiname van het slachtoffer heeft verdachte tezamen en in vereniging met haar zoon, de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Strafmotivering
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Door haar handelingen heeft zij voor het slachtoffer een bedreigende en onveilige situatie doen ontstaan en zijn gezondheid in gevaar gebracht. Verdachte wenst geen enkel inzicht te geven in haar beweegredenen. Het is daarom voor de rechtbank niet mogelijk om daarmee in positieve of negatieve zin rekening te houden. De rechtbank legt echter een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, aangezien zij van mening is dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat bij verdachte sprake was van boos opzet, maar ‘slechts’ van voorwaardelijk opzet. Aan verdachte wordt dan ook een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Wetgeving
art 10 Sr;
art 14a Sr;
art 14b Sr;
art 14c Sr;
art 27 Sr;
art 45 Sr;
art 47 Sr;
art 57 Sr;
art 300 Sr;
art 302 Sr;
art 304 Sr
Dit bericht is ook terug te vinden in: OpMaat_Strafrecht
Jurisprudentie
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuws: Uitspraak
Datum toegevoegd 13-02-2009
Nummer 2009/79
Smartengeld voor naasten biedt erkenning
Op 9 februari heeft minister Hirsch Ballin van Justitie per brief het rapport “Slachtoffers en aansprakelijkheid” aan de Eerste Kamer aangeboden. Uit het onderzoek komt naar voren dat naaste gezinsleden van slachtoffers van een ongeluk of misdrijf behoefte hebben aan smartengeld.
Rapport “Slachtoffers en aansprakelijkheid”
Het rapport “Slachtoffers en aansprakelijkheid” is een vervolg op een eerder uitgevoerd onderzoek naar de verwachtingen en behoeftes die slachtoffers en naasten hebben van het aansprakelijkheidsrecht. Dit tweede deel bevat de resultaten van een
onderzoek naar specifiek de behoeften van naaste familieleden en nabestaanden met betrekking tot de vergoeding van affectieschade. Het onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Justitie uitgevoerd door het Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht van de Vrije Universiteit te Amsterdam, in samenwerking met het
WODC.
Aanleiding en doel onderzoek
Aanleiding voor het onderzoek was het debat in de Eerste Kamer, onder meer tijdens de plenaire behandeling op 12 september 2006 van het wetsvoorstel affectieschade (28 781) . Dit wetsvoorstel voorziet in een vergoeding voor het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat en dat men lijdt doordat een persoon met wie men een affectieve relatie heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.
In het debat zijn vraagtekens geplaatst bij de empirische onderbouwing van de aannames waarop het wetsvoorstel berust. In overleg met de Kamer zijn vervolgens de beraadslagingen over dit wetsvoorstel opgeschort en is besloten om onderzoek te doen naar onder meer de vraag of er onder naasten en nabestaanden een behoefte bestaat aan vergoeding van affectieschade. Ook enkele andere vragen die rondom het wetsvoorstel affectieschade spelen en die in het plenaire debat aan de orde zijn gekomen, zijn in het rapport beantwoord.
Uitkomsten onderzoek
Naaste gezinsleden van slachtoffers van een ongeluk of misdrijf hebben, ongeacht hun inkomen, behoefte aan smartengeld (zogeheten ‘affectieschade’). Dit kan het leed van het verlies of ernstig letsel van een gezinslid niet wegnemen, maar wel erkenning bieden van de emotionele gevolgen en helpen bij de verwerking. Bij de aanbieding van het smartengeld hebben naasten en nabestaanden van slachtoffers behoefte aan een persoonlijke benadering waaruit medeleven blijkt. Zij ervaren een strikt zakelijke afhandeling als pijnlijk. Naasten en familieleden beschouwen smartengeld als erkenning van de fout en van hun leed. Dit sluit goed aan bij de doelstelling van het wetsvoorstel, aldus de onderzoekers.
Bron: www.justitie.nl
Valse melding van een vliegtuigkaping
Verdachte heeft een valse melding gedaan van een vliegtuigkaping op Rotterdam Airport, omdat hij wilde voorkomen dat zijn vriendin op vakantie zou gaan met haar partner. Op 10 februari 2009 heeft de Rechtbank Rotterdam verdachte vrijgesproken van artikel 385c Sr, omdat niet bewezen kan worden dat door de valse melding voor het vliegtuig gevaar te duchten was. De rechtbank heeft het misbruiken van het alarmnummer en bedreiging met een terroristisch misdrijf van bemanningsleden van het vliegtuig wel bewezen verklaard. De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, opgelegd.
Rechtbank Rotterdam 10 februari 2009 (LJN BH2461)
De rest van de artikel is te vinden in OpMaat_Strafrecht
Minderjarige in gevangenis voor volwassenen: inhumane behandeling
12-02-2009 (2009/77)
De Turkse Oktay Güveç werd als minderjarige, op 15-jarige leeftijd, geplaatst in een gevangenis voor volwassenen. Daar heeft hij gedurende 5 jaar verbleven met als resultaat dat hij meerdere zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Güveç klaagt bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) dat het verbod op foltering, neergelegd in artikel 3 EVRM, zijn recht op vrijheid en veiligheid, neergelegd in artikel 5 EVRM en zijn recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 6 EVRM niet zijn nageleefd door de Turkse autoriteiten.
Güveç v. Turkey, appl. no. 70337/01, 20-01-2009.
Dit artikel is volledig te lezen in het nieuwsoverzicht van OpMaat_Strafrecht
Wetgeving
Jurisprudentie
Officiële publicaties
Europese regelgeving
Soort nieuws Uitspraak
Datum toegevoegd 12-02-2009
Nummer 2009/77
OBM-regelingen
Op 1 februari 2009 is fase 1B van de Wet OM-afdoening in werking getreden. Verschillende OM-beleidsregels zijn daarom aangepast, o.a. de Polaris-OBM-regelingen. OBM staat voor ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen. Deze regelingen zijn afkomstig van het College van procureurs-generaal en zijn gepubliceerd in Stcrt. 2009, 12.
Achtergrond OM-afdoening
Op 1 februari 2008 is de Wet OM-afdoening in werking getreden. Deze wet maakt het mogelijk voor het Openbaar Ministerie (verder: OM) misdrijven waarop een maximale strafbedreiging van zes jaar staat en alle overtredingen, zelf te bestraffen door middel van het uitvaardigen van een strafbeschikking. Ook de strafmodaliteiten die door het OM buitengerechtelijk kunnen worden toegepast, zijn door de Wet OM-afdoening uitgebreid. Zo kan het OM onder meer de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen (verder: OBM) voor maximaal zes maanden opleggen. De wet treedt gefaseerd in werking. Sinds 1 februari 2008 worden slechts nog strafbeschikkingen inhoudende een geldboete uitgevaardigd voor lichte, feitgecodeerde varianten van art8 WVWV 1994, gepleegd in de arrondissementen Amsterdam en Den Bosch. Op 1 februari 2009 is nu gestart met de verdere invoering van de wet; vanaf nu kunnen strafbeschikkingen uitgevaardigd worden voor álle artikel 8-feiten en kan dus een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen opgelegd worden bij strafbeschikking.
Deze invoering gaat regionaal gefaseerd verlopen, wat betekent dat niet elk parket hier tegelijkertijd mee aan de slag gaat.
Gewijzigde Polaris-regelingen
De volgende Polaris-regelingen zijn aangepast:
- recidive bij rijden onder invloed;
- OBM-regeling rijden onder invloed motorvoertuigen;
- OBM-regeling rijden onder invloed motorvoertuigen door beginnend bestuurders en bestuurders zonder rijbewijs;
- OBM-regeling rijden onder invloed bromfietsen;
- regeling negeren beslissing;
- besturen van fiets of gehandicaptenvoertuig zonder motor met een AAG (-equivalent) van 235 µg/l of meer.
Aanpassing van deze regelingen was noodzakelijk omdat in de tot nu toe geldende richtlijnen de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid tot de strafmodaliteiten behoorde. De Wet OM-afdoening biedt echter geen mogelijkheid een dergelijke straf door middel van een strafbeschikking op te leggen. Het College van procureurs-generaal heeft ermee ingestemd een strikter recidivebeleid te gaan hanteren bij het rijden onder invloed door bij een tweede overtreding een onvoorwaardelijke OBM te eisen of op te leggen. Dit voorstel loopt vooruit op de komende inwerkingtreding van het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 inverband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel)’ (Kamerstuk 2006-2007 I, 30324, nr. A). Dit wetsvoorstel introduceert onder meer de mogelijkheid dat een automobilist die binnen vijf jaar voor een tweede maal wordt betrapt met een alcoholpromillage van meer dan 1‰, zijn rijbewijs definitief kwijtraakt.
Het feit dat recidive tot dit moment niet onder alle omstandigheden impliceerde dat een onvoorwaardelijke ontzegging werd geadviseerd, werd binnen het OM reeds langer als een onbevredigend aspect van de ontzeggingsregelingen ervaren. Onder de gewijzigde richtlijnen zal bij recidive altijd een onvoorwaardelijke ontzegging moeten worden opgelegd. Omdat de tot nu toe geldende richtlijnen voor het overige goed aansloten bij de heersende rechtspraktijk, zijn de verschillende strafmaten verder ongemoeid gelaten.
corrupt T-shirts
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van het openbaar gezag door in zijn winkel, zichtbaar vanaf de openbare weg, T- shirts met de term “corrupt” in combinatie met het gespiegelde politielogo ten verkoop aan te bieden.
De term “corrupt” heeft de strekking de eer en goede naam aan te tasten en is derhalve beledigend in de zin van artikel 266 Sr.
Het volledige bericht is te lezen in OpMaat_Strafrecht
Gerechtshof ’s-Gravenhage 23 januari 2009 (LJN BH0733)
Scherpinstrafrecht.nl: dé portal voor strafrechtprofessionals
Scherp. Doordacht. Uitgesproken.
Sdu Uitgevers lanceert scherpinstrafrecht.nl: de nieuwsportal voor strafrechtprofessionals. Via scherpinstrafrecht.nl heeft u op ieder moment van de dag zicht op de allerlaatste ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor uw praktijk. We bieden u het belangrijkste nieuws op het gebied van wet- en regelgeving, jurisprudentie en commentaren. Daarnaast vindt u hier alle informatie over vakliteratuur en evenementen.
Scherp. Doordacht. uitgesproken. Het zijn zaken die onlosmakelijk zijn verbonden aan rechtspraak. De producten en diensten van Sdu Uitgevers zijn op dezelfde leest geschoeid. Ze zijn helder en praktisch, toegankelijk en innovatief. Gemaakt voor en door de professie, ontwikkeld in nauwe samenwerking met de professie. Zo ondersteunen we de scherpte, het inzicht en de uitgesprokenheid van de professie. Met recht.
Met scherpinstrafrecht.nl heeft u op ieder moment van de dag zicht op de allerlaatste ontwikkelingen die van belang zijn voor uw praktijk, waar en wanneer u maar wilt. We bieden u het belangrijkste nieuws op het gebied van wet- en regelgeving, jurisprudentie en commentaren. Daarnaast vindt u hier alle informatie over vakliteratuur en evenementen. Daarmee is scherpinstrafrecht.nl dé nieuwsportal voor strafrechtprofessionals.
Het laatste nieuws
De nieuwssectie van scherpinstrafrecht.nl bevat een actuele selectie uit de uitgaven van Sdu Uitgevers. Iedere week is er een volledig artikel uit de OpMaat attenderingen te lezen, van de overige artikelen kunt u de inleidende tekst lezen. Van daaruit klikt u door naar het volledig artikel in OpMaat. Ook uit Strafrecht@ctueel maken we voor u een selectie. En uiteraard vindt u op scherpinstrafrecht.nl ook al het andere relevante strafrechtnieuws.
Een bijgewerkte agenda
Met scherpinstrafrecht.nl blijft u volledig op de hoogte van belangrijke bijeenkomsten en evenementen. In onze agenda zijn alle relevante evenementen, cursussen en studiedagen op het gebied van strafrecht opgenomen, zodat u ook wat dat betreft niets hoeft te missen.
Het complete aanbod
Op scherpinstrafrecht.nl houden we u natuurlijk ook op de hoogte van de nieuwste uitgaven, speciale acties of interessante aanbiedingen van Sdu uitgevers. In de productensectie van scherpinstrafrecht.nl vindt u onze strafrechtgerelateerde producten overzichtelijk gegroepeerd. Voorzien van een heldere uitleg, met links naar inhoudsopgaven, samenvattingen en informatie over de auteur(s).
De beste auteurs
Alle auteurs van Sdu Uitgevers zijn te vinden én te benaderen via scherpinstrafrecht.nl. Van iedere auteur kunt u op scherpinstrafrecht.nl een korte biografie vinden, inclusief een overzicht van alle uitgaven waar ze aan bijgedragen hebben. In de nabije toekomst gaan enkelen van hen hier ook blogberichten plaatsen en kunt u het debat met ze aangaan.
Scherp. Doordacht. Uitgesproken
De producten en diensten van Sdu Uitgevers ondersteunen u in de volle breedte, zowel op papier als online. Of het nu gaat om publicaties, wet- en regelgeving, jurisprudentie of commentaren. Gemaakt voor en door de professie. Met scherpinstrafrecht.nl heeft u alle relevante strafrechtinformatie direct binnen handbereik, waar en wanneer u maar wilt. Een logische aanvulling voor uw praktijk, zodat u niets mist: zo versterkt Sdu de scherpte, het inzicht en de uitgesprokenheid van de professie. Met recht.
Nieuwe actuele wekelijkse e-mailnieuwsbrief
Strafrecht@ctueel is de nieuwe actuele wekelijkse e-mailnieuwsbrief voor de strafrechtprofessional
In één e-mail wordt u wekelijks op de hoogte gehouden van de belangrijkste wet- en regelgeving en jurisprudentie. Een ervaren redactie selecteert en becommentarieert een grondige selectie van het nieuws en voorziet deze van een praktische toelichting.
Strafrecht@ctueel bevat tevens inhoudsopgaven en samenvattingen geselecteerd uit alle belangrijke vakliteratuur op het gebied van strafrecht
- Nieuwsbrief Strafrecht
- Strafblad
- Jurisprudentie Wegenverkeerswet
- Delikt & Delinkwent
- Sancties
- Crimelink
Neem nu een abonnement op Strafrecht@ctueel
Of neem eerst een proefabonnement Strafrecht@ctueel
Prijs
€ 115,- p/j
Moord of doodslag?
(2009/26)
Het slachtoffer is om het leven gebracht door het toebrengen van meerdere messteken. Door de advocaat-generaal is betoogd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer. De raadsman is echter van mening dat verdachte het slachtoffer niet met voorbedachten rade, maar in een opwelling van het leven heeft beroofd. Het hof acht moord bewezenverklaard en legt een gevangenisstraf op voor de duur van tien jaren.
Het volledige bericht is te lezen in OpMaat_Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam 12 december 2008 (gepubliceerd op 15 januari 2009) (LJN BG9425)
Overschrijding redelijke termijn bij ter kennis stellen van uitspraak
Uit het dossier blijkt niet van voldoende pogingen om de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden aan verdachte ter kennis te stellen. Derhalve is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof volstaat met deze vaststelling.
Het hof ziet echter in de ouderdom van de feiten aanleiding de werkstraf en boete te matigen. Gerechtshof Leeuwarden 7 januari 2009
Ten laste gelegde
Verdachte wordt verdacht van het rijden onder invloed, het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift en van een poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar.
Uitspraak hof
In het arrest valt niet veel te lezen voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn bij het ter kennis stellen van de uitspraak van de politierechter. Uit het arrest blijkt niet veel meer dan dat de politierechter het vonnis heeft gewezen op 25 februari 2005 en dat het hof het arrest wijst op 7 januari 2009. Het hof volstaat met de mededeling dat uit het dossier niet blijkt dat er voldoende pogingen zijn gedaan de uitspraak van de politierechter ter kennis te stellen waardoor er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Zonder nadere motivering oordeelt het hof dat het volstaat met deze vaststelling.
Strafmotivering
De advocaat-generaal had overigens gevorderd verdachte een gevangenisstraf op te leggen in plaats van een werkstraf omdat verdachte problemen voorzag bij de uitvoering van een werkstraf. Het hof gaat daarin niet mee. Het hof is van mening dat mede gelet op de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit, het opleggen van een gevangenisstraf niet noodzakelijk is en dat anderzijds de feiten te ernstig zijn om af te zien van het opleggen van een werkstraf. Daarbij komt, aldus het hof, dat verdachte heeft verklaard wel in staat te zijn een werkstraf te voltooien indien dit in een relatief korte periode gedaan kan worden. Het hof oordeelt dat de door de politierechter opgelegde straffen in beginsel passend zijn voor de aard en de ernst van de feiten maar dat het hof in de ouderdom van die feiten aanleiding ziet om zowel de duur van de werkstraf als de hoogte van de geldboete te matigen.
Het hof veroordeelt verdachte onder andere tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast. Omdat uit het arrest niet blijkt wat de uitspraak van de politierechter is, is niet duidelijk in hoeverre het hof de straf verminderd heeft.
Dit bericht is afkomstig uit OpMaat_Strafrecht
Gerechtshof Leeuwarden 7 januari 2009 (LJN BG8969)