Advocaat J.S. Nan - Terug van nooit weggeweest: de criminele burgerinfiltrant
06-05-2011 Om de zoveel tijd klinkt de roep om vergaande opsporingsbevoegdheden sterker dan gemiddeld. Bij zijn naderende afscheid als voorzitter van het college van procureurs-generaal van het openbaar ministerie, heeft Harm Brouwers nog maar een proefballonnetje opgelaten: de criminele infiltrant moet weer van stal gehaald worden (zie NRC Handelsblad 28 april 2011, p. 2).Is het oude wijn in nieuwe zakken, of zelfs helemaal geen nieuwe zakken? Hoewel in de nasleep van de IRT-affaire de criminele infiltrant in de ban werd gedaan, bepaalt de wet thans uitdrukkelijk dat niet alleen een (buitenlandse) opsporingsambtenaar bij infiltratie strafbare mag handelen (vgl. art. 126h en 126p Sv), maar dat de burgerinfiltrant dat ook mag (zie art. 126w lid 6 Sv). En onduidelijk is wanneer volgens justitie een persoon die betrokken is (geweest) bij de te infiltreren groep, of bij andere strafbare feiten, uitgesloten is van deelname aan burgerinfiltratie. Het hebben van een strafblad hoeft geen onoverkomelijke bezwaren op te leveren, anders dan doorgaans het geval is bij het verkrijgen van een verklaring ontrent het gedrag of een visum naar de VS. Niet op vakantie naar New York City, wel met de criminele matties op stap met toestemming van de officier? Zou het openbaar ministerie daarvoor een stand hebben bij de volgende Carrièrebeurs, of wordt het een keuzevak bij HBO-rechten?
Enerzijds lijkt het dienstig om participanten te hebben die dicht bij het vuur zitten, omdat zij meer te weten zouden kunnen komen over het reilen en zeilen van criminele groepen van personen dan anderen. Anderzijds hebben we het dan vaak niet over de notabelen van het dorp, maar om mensen die het in het verleden kennelijk niet zo nauw met de strafwet hebben genomen (of dat nu onherroepelijk vaststaat of niet). Nu schuilt in alle opsporingsbevoegdheden het gevaar van misbruik, maar in opsporingsambtenaren heb ik nu doorgaans net wat meer vertrouwen dan in Peter la S. en consorten.
Als ik de criminaliteitscijfers mag geloven, lijkt mij de kwaliteit van de opsporing op dit moment niet zozeer problematisch, maar de kwantitatieve kant daarvan. Er blijkt vooral te weinig opsporingscapaciteit te zijn, zaken blijven daardoor op de plank liggen. Dat wordt denk ik niet anders als exotische methoden worden ingezet, die in de praktijk bewerkelijk zullen zijn. De officier van justitie zal er bovenop moeten zitten en de runners en de infiltranten kort moeten houden. Extra geld voor deze opsporingsteams zal er wel niet komen. Gelet op de huidige werkdruk kan dat voor problemen zorgen, zodat met het uit het oog verliezen van controle (wat altijd beter is dan vertrouwen), ook de rechtmatigheid van de verkregen resultaten middels burgerinfiltratie ter discussie kan komen te staan. Wat als de bevriende verrader tegen alle verwachtingen in toch zijn of haar boekje te buiten gaat? Of lossen de schutznorm en een parlementaire enquête in 2015 dat allemaal wel weer op?
Ik zeg doen!
J.S. Nan (advocaat bij Gilhuis Advocaten te Dordrecht en buitenpromovendus aan de Universiteit van Tilburg)
« vorige pagina


