Sdu UitgeversScherp in StrafrechtScherp in Strafrecht twitterRSS Feed Contact Home

Weblog

Advocaat J.S. Nan - Wie heeft tegenwoordig de wet nog nodig? Art. 63 Sr en kennelijk onwelkome gevolgen

17-11-2011 Op het eerste gezicht lijkt het oordeel van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober jl. (LJN BT7651) sympathiek. Bestraffing van oude, maar zware feiten, pas beoordeeld na eerdere, lange gevangenisstraffen, moet niet in de weg worden gezeten door art. 63 Sr. Volgens de rechtbank is niet uit te leggen waarom na een totaal van straffen van bijna zestien jaren, voor de onderhavige zeden- en geweldsmisdrijven, maar net iets meer dan vier jaren zouden kunnen worden opgelegd (en geen tien jaren). De dader van de nieuw te berechten feiten was immers pas veel later ontdekt via DNA-hits, zodat het openbaar ministerie geen verwijt valt ter maken van gescheiden vervolgingen. De rechtbank beroept zich vervolgens vooral op de conclusie van advocaat-generaal Machielse voor NJ 2006, 176, die meent dat art. 63 Sr alleen van toepassing is als er een theoretische mogelijkheid van gezamenlijke berechting was. Maar Machielse legt in zijn commentaar op art. 63 zelf al uit dat de Hoge Raad een andere weg is ingeslagen (NLR, aant. 1 bij art. 63). De wens is kennelijk de vader van de gedachte geweest bij de rechtbank en voor deze update van Machielse heeft men zich doof gehouden.

Het opvallende in deze zaak is de aperte fout die in de uitspraak schuilt: art. 63 Sr maakt namelijk geen onderscheid tussen de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. Ook als de feiten pas later worden ontdekt, is het van toepassing (zie A.A. Franken, Hetzelfde feit, 1995, p. 22 en Sdu Commentaar strafrecht, aant. C.8.1 bij art. 57-63, – toegegeven, dit is mijn eigen commentaar). Sterker nog, zelfs met een veroordeling voor nieuwe feiten begaan na een veroordeling in eerste aanleg, maar vóór de berechting daarvan in hoger beroep, moet door de appelrechter rekening worden gehouden (NJ 2006, 176 en NLR, aant. 1 bij art. 63). Het toepassingsbereik dat de Hoge Raad aan art. 63 Sr geeft is dus glashelder: zelfs als gelijktijdige berechting feitelijk onmogelijk was, is art. 63 Sr van toepassing. Het oordeel van de rechtbank Amsterdam getuigt derhalve overduidelijk van een verkeerde rechtsopvatting over deze materie.

En logisch is het oordeel van de rechtbank ook niet in mijn ogen. Als immers alle feiten begaan door deze verdachte gezamenlijk berecht zouden zijn, had in totaal ‘maar’ twintig jaar gevangenisstraf kunnen worden opgelegd. Waarom dat anders zou moeten zijn bij gespreide veroordelingen maakt de rechtbank niet duidelijk, nu het gaat om ‘nieuwe’ feiten begaan vóór de eerdere berechtingen. Als de rechtbank het restant van iets meer dan vier jaren opgelegd, heeft de verdachte uiteindelijk toch altijd nog het wettelijke maximum van twintig jaren gehad voor al zijn misdaden (het strafmaximum van vijftien jaren plus een derde)? Dat was de uitkomst van een gelijktijdige vervolging geweest, als het aan de rechtbank Amsterdam had gelegen. Wat maakt het uit dat dit in twee delen geschied?

Uiteindelijk is hier meer de maximering die de samenloopregeling van art. 57-63 Sr voorschrijft, in het geding. Dat is wat de rechtbank in haar vonnis eigenlijk lijkt te laken. Want voor een waslijst aan ernstige feiten heeft de rechtbank dus niet twintig jaren willen opleggen, maar zo’n zesentwintig. De samenloopregeling maakte dat echter onmogelijk. Dat is op zich een signaal aan de wetgever. Borgers heeft daarover dit jaar een zeer interessant advies geschreven (M.J. Borgers, ‘De communicatieve strafrechter’, HNJV 2011, p. 103-185). Hij vindt dat wetgever en rechter samen werken om te bepalen wat het recht inhoudt en daarbij kunnen communiceren.

Daar heb ik op zich niet zoveel op tegen, als de wetgever maar de baas blijft. Dat lijkt hier niet het geval te zijn. De rechtbank heeft ook meteen maar het recht in eigen hand genomen, door in strijd met art. 63 Sr en de rechtspraak van de Hoge Raad, een straf op te leggen die wettelijk niet mogelijk is. Dat is een staaltje eigenrichting dat zo zeer strijd met het legaliteitsbeginsel, dat het hof de rechtbank zal moeten terugfluiten – aangenomen dat de verdediging na het uitspreken van het vonnis een sprintje naar de centrale balie heeft getrokken.

De Hoge Raad heeft zijn eigen opvatting over art. 63 Sr verder overigens glashelder op een rijtje gezet (NJ 2006, 10 en NJ 2006, 176): ‘a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.’ Maximum is dus maximum.
De wetgever heeft daar tot op heden niets aan gedaan (wat de PVV daar ook van vindt, zie de reactie van deze partij op de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, onder meer te raadplegen via www.pvv.nl). Ik zie niet in waarom de rechtbank in Amsterdam dat wel zou mogen en/of moeten.

J.S. Nan (advocaat bij Gilhuis Advocaten te Dordrecht en buitenpromovendus aan de Universiteit van Tilburg)

« vorige pagina




Reacties: 0


Voeg je bericht toe







Winkelwagen icon_cart

Gratis nieuwsbrief

Laat hier uw gegevens achter als u de gratis e-nieuwsbrief 'Scherp in Strafrecht' wilt ontvangen met het laatste nieuws.


Volg ons op

Tijdelijk gratis pdf

 Bekijk nu tijdelijk gratis tot 25 mei 2012 de PDF van het E-book ''Statuut voor de verdediging'':
Statuut voor de verdediging_9789012385619.pdf
application/pdf - 287.0kB Statuut voor de verdediging

Vindplaats: plaats van handeling van soms geruchtmakende strafrechtelijke zaken
Arrestatie Vredeoord.pdf
application/pdf - 6451.5kB  Arrestatie Vredeoord
Gouda-Lutz.pdf
application/pdf - 1285.5kB Gouda-Lutz 
De Zwarte Ruiter.pdf
application/pdf - 178.1kB  De Zwarte Ruiter
Spijbelende noodwachtplichtige.pdf
application/pdf - 261.1kB  Spijbelende noodwachtplichtige

Poll

Kan mediation daadwerkelijk een bijdrage leveren in strafrecht?
Nee 41%
Ja 58%